Hoofdstuk 1: Bronstijd/Egeïsche kunst & Griekse bouwkunst…….………………….2
Hoofdstuk 2: Griekse figuratieve kunst………………….…………………………….4
Hoofdstuk 3: Romeinse bouwkunst (& de Etrusken)………………………………….5
Hoofdstuk 4: Romeinse beeldende kunst……………………………………………...8
Hoofdstuk 5: Vroegchristelijke & Byzantijnse kunst………………………………….9
Hoofdstuk 6: Islamitische kunst……………………………………………………...10
Hoofdstuk 7: Vroegmiddeleeuwse kunst……….…………………………………….12
Hoofdstuk 8: Romaanse kunst………………………………………………………..14
Hoofdstuk 9: Gotische kunst……………………………………...………………….16
Succes!
, Hoofdstuk 1: Bronstijd/Egeïsche kunst & Griekse bouwkunst
Overgebleven - Hergebruikt (spolia = hergebruikt bouwmateriaal) - Kunstmarkt - Opgraven (illegaal?)
Tijd ordening: 1. Stratigrafie = ordening ouderdom op basis van de positie in de grond
2. Typologie = door stijl en techniek
Cycladische cultuur: 3200-2000
- Rijk (handel & zeevarende cultuur eilanden)
- brons belangrijke grondstof à Sifnos & Kipnos
- Cycladen idolen: schematische marmeren vrouwen, steeds minder naturalistisch [voor graven]
Minoïsche cultuur: 2000-1500 stieren
Schrift: Linear A
Paleizen! à Knossos
o Economisch centrum
o Centraal hof, omringd door kamers
o Geen façade of verdedigingsmuur
o Minoïsche zuilen = boven breder dan onder
o (Grandstand) fresco = schilderen van nat pleisterwerk/aardewerk
Faience = glasachtig aardewerk
Myceense cultuur: 1600-1100 “heldentijd” in mythologie
Schrift: Linear B
Monumentale cultuur à Grafcirkel A: vol goud & Masker Agamemnon
Paleizen Minoïsch + verdedigingsmuur
Sowieso lijken de stijlen op elkaar à Myceners meer gevecht/oorlogscultuur
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------
Griekse wereld: 1200 - 146
Bronstijd … - 1050
Duistere tijden 1050 – 900
Geometrische periode 900 – 725
Oriëntaliserende periode 725 – 600 à poleis
Archaïsche periode 600 – 480 à democratie & monumentaliteit
Klassieke periode 480 - 334
Hellenisme 334 – 146 à verspreiding Griekse cultuur hele gebied, maar ook verval
Griekse monumentale bouwkunst
1. Politieke context (polis: klein oppervlak, stedelijk centrum, plattegrond = werk & stad = wonen)
à onderlinge competitie (tempels etc…)
2. Religieuze context
3. Funeraire context
4. Particuliere context à privaat (Hellenisme): vaak sculpturen in villa
1200: val Myceense wereld à geen figuratief/monumentale kunst à 600: terugkeer
Peripteros = peripterale tempel = bassischema tempel
Heiligdom: religieus gebied gecontroleerd door polis (met muren en altaar (soms tempels))
à wel regels, maar geen eenheidsmaat
• Dorische orde
Eerste tempels van hout, daarna echt vervangen door steen
2
, Klassieke tempel
o Pronaos = ingang
o Naos / cella = “huis” v/d god(in)
o Peripteraal: als tempel omgeven is door zuilengalerij [“diperipteros” als 2 rijen]
Begin: interpretatie van houtbouw à langzamerhand standaard porporties: 6x13 of 8x17
Optische verfijningen (als het recht is lijkt het hol, daarom correctie):
- Entasis: niet recht, kegelvormig
- Inclinatie: leunen naar binnen
- Curvatuur in stylobaat: bolling vloer (hele vlakke brug zeg maar)
• Ionische orde (slanker, losser & sierlijker) [komt voort uit Aeolische orde]
nieuw: doorlopend fries, architraaf 3 delen, zuilen hebben basis, krullend kapiteel
Akropolis à voor het eerst eenheid sculptuur & architectuur
- Parthenon: 2e zuilengalerij pronaos, ionische zuilen bij epistademos, vergroting standaardtempel
- Propylaia: overgang wereldlijk à religieus gebied
- Erechteion: cultusgebouw godin Athene (heeft kariatiden)
- Tempel van Athena Nike: klein & ionisch
• Korintische orde: door Romeinen & neoklassiek (groter)
Theater:
Gebouwd op helling (vaak met mooi uitzicht)
Begint met koor als belangrijkst, dan acteurs
à Toneel steeds groter, koor steeds kleiner
3