samenvatting diagnostiek voor de klinische praktijk
hoorcollege 1
wie doet aan diagnostiek?
artsen, psychologen, binnen de sport, in het laboratorium
redenen voor diagnostiek volgens verschillende boeken:
- diagnos6ek gaat over het door en door leren kennen van een situa6e met als doel een beslissing te
kunnen nemen. je stree; een bepaald doel, namelijk besluitvorming
- grondige diagnos6ek van de problemen en klachten van de cliënt is voorwaarde voor adequate
hulpverlening. diagnos6ek voorafgaand aan een behandeling
- neuropsychologisch onderzoek hee; als doel om cogni6eve, emo6onele en gedragsconsequen6es van
het disfunc6oneren van de hersenen te onderzoeken. zulk onderzoek bestaat niet slechts uit het
afnemen van neuropsychologische tests ... een dergelijk proces van hypothesevorming en –toetsing
vereist een constante bijstelling, aBankelijk van de antwoorden die 6jdens een onderzoek gevonden
worden
è het grootste doel is uiteindelijk beslissingen nemen over neuropsychologische problema6ek en GGZ-
problemen bij kinderen, adolescenten en volwassenen
het diagnostisch proces
hierin heb je 3 rollen en dus 3 verschillende personen:
- psychiater met de DSM
- de diagnos6cus met testen
- de therapeut met behandelingen
en deze drie rollen doen allemaal iets anders. de psychiater vormt een theorie over de gedragingen, cognities,
emoties en motivaties. hij vormt dus een gefundeerde hypothese aan de hand van de DSM. de diagnosticus meet
en operationaliseert vervolgens deze problemen en klachten door middel van bepaalde instrumenten. oftewel,
testen. de therapeut past relevante behandelingen toe.
,maar belangrijk is, je wilt zo kort maar uitgebreide mogelijke diagnostiek voordat je tot handelen over kan gaan.
want het mag niet fout gaan.
diagnostische cyclus volgt empirische cyclus
de exploratiefase is de fase van hypothesevorming. hierin wordt
de aanvraag en de hulpvraag geanalyseerd. er komt een
aanmelding bij je binnen, hierin staat al waarvoor een client
komt. daarna nodig je de persoon uit voor een intakegesprek en
ga je uitvragen wat het probleem precies is.
de inductiefase is ook wel het diagnostisch scenario. er wordt
een eerste voorlopige theorie opgesteld door middel van de
ordening van vragen van de aanvrager en de client uit de
aanmelding- en intakefase. er zijn vragen die bij de hulpverlener
opkomen en kennis dat ze hebben over het probleem.
een voorbeeld van een diagnostisch scenario:
ik denk dat de cliënte een milde depressie doormaakt, die geïnduceerd (uitgelokt) werd door de psychologische
afwezigheid van haar partner en het uit huis gaan van de enige dochter. De depressie wordt in stand gehouden
door het feit dat cliënte slechts over beperkte copingvaardigheden bezit.
het is wel belangrijk om rekening te houden met het biopsychosociaal model in het diagnostisch scenario. dus
kijken naar het hele verhaal van de client. de biologische sociale en psychologische factoren. we willen geen
tunnelvisie naar een genoemd gebied.
een voorbeeld van een diagnostisch scenario waarin geen gebruik gemaakt is van het biopsychosociaal model is:
een persoon ervaart paniek symptomen. je denkt “dat is een paniekstoornis”. maar nee, de persoon drinkt elke
dag 20 blikjes energydrink. daardoor kan je ook panieksymptomen ervaren.
een voorbeeld van een diagnostisch scenario gecombineerd met het gewenste biopsychosociaal model:
ik denk dat de cliënte een milde depressie (onderkennend) doormaakt, die geïnduceerd (uitgelokt) werd door de
psychologische afwezigheid van haar partner (verklarend 1 – sociale factor) en het uit huis gaan van de enige
dochter (verklarend 2 – sociale factor). De depressie wordt in stand gehouden door het feit dat cliënte slechts
over beperkte copingvaardigheden bezit (verklarend 3 – psychologische factor).
,structuur van diagnostiek
je kan vanuit verschillende “lenzen” kijken naar problematiek:
- de biologische lens
- de psychologische lens
- de socioculturele lens
o historische context
o bredere sociologische context
- de ontwikkelingslens
o voorgeschiedenis van het individu
diagnostiek: verklaringsfactoren
verklarend betekent: ontstaan, oorzaak, reden, gevolg enzovoort
verklarende factoren kunnen bijvoorbeeld problemen met executieve functies, intelligentie, persoonlijkheid,
traumatische ervaringen, onveilige gehechtheid of contextfactoren zijn.
de vijf basisvragen en voorbeelden
we eindigen de diagnostische cyclus met de vijf horizontale vragen.
1. onderkenning
- wat zijn de problemen?
- wijzen de klachten a, b en c erop dat er sprake is van een gedragsstoornis bij X?
maar hoe maken we de ontkenningsvragen meetbaar?
- criteriumgericht: i.v.m. een vooraf bepaalde standaard (bijv. voldoende kenmerken van een stoornis)
- normgericht: vergelijk met een representa6eve vergelijkingsgroep (bijv. normale of klinische popula6e)
- ipsa>ef: vergelijk met individu zelf (bijv. eerder moment)
2. verklaring
- waarom, wat houdt de problemen in stand?
- wat is de bron?
- komt het “nega6eve aandacht vragen” van X voort uit dat hij zich onbegrepen voelt?
hierin heb je verschillende invalshoeken:
persoonsgericht vs situatiegericht
ligt de oorzaak van de problemen meer bij de eigenschappen van de persoon zelf of komt het door de omgeving
of de omstandigheden
, aard van de controle/ oorzaak
hierin kijk je hoe het probleem wordt gestuurd of veroorzaakt
is het probleem biologisch, psychologisch of sociaal?
synchrone en diachrone condities
synchroon = factoren die nu tegelijk met het probleem aanwezig zijn
voorbeeld: lage zelfwaardering en faalangst hangen samen met X zijn huidige schoolproblemen
diachroon = factoren die voorafgaand aanwezig waren en hebben bijgedragen
voorbeeld: X had al vroeg moeite met taal, wat nu zijn leerproblemen verklaart
inducerende en continuerende condities
inducerend = waardoor is het probleem begonnen?
continuerend = waardoor blijft het probleem bestaan?
3. predictie/ voorspellend:
- hoe ontwikkelen de problemen?
- wat is de kans dat het probleemgedrag bij X vanzelf verdwijnt?
4. indicatie:
- hoe kunnen de problemen verholpen worden?
- is de aanpak van CGT het meest passend en gewenst bij X?
5. evaluatie:
- zijn de problemen voldoende verholpen?
- ROM en einddiagnos6ek (behandelen we later)
de toetsing
onderbouwen van onderzoeksvragen en hypotheses:
- elke hypothese apart onderbouwen
- gebaseerd op wetenschappelijke literatuur (theorievorming)
toetsen van onderzoeksvragen
- passende instrumenten – bijv. juiste meetpreten6e
- mul6-informant en mul6-method om betrouwbaar te meten
hoorcollege 1
wie doet aan diagnostiek?
artsen, psychologen, binnen de sport, in het laboratorium
redenen voor diagnostiek volgens verschillende boeken:
- diagnos6ek gaat over het door en door leren kennen van een situa6e met als doel een beslissing te
kunnen nemen. je stree; een bepaald doel, namelijk besluitvorming
- grondige diagnos6ek van de problemen en klachten van de cliënt is voorwaarde voor adequate
hulpverlening. diagnos6ek voorafgaand aan een behandeling
- neuropsychologisch onderzoek hee; als doel om cogni6eve, emo6onele en gedragsconsequen6es van
het disfunc6oneren van de hersenen te onderzoeken. zulk onderzoek bestaat niet slechts uit het
afnemen van neuropsychologische tests ... een dergelijk proces van hypothesevorming en –toetsing
vereist een constante bijstelling, aBankelijk van de antwoorden die 6jdens een onderzoek gevonden
worden
è het grootste doel is uiteindelijk beslissingen nemen over neuropsychologische problema6ek en GGZ-
problemen bij kinderen, adolescenten en volwassenen
het diagnostisch proces
hierin heb je 3 rollen en dus 3 verschillende personen:
- psychiater met de DSM
- de diagnos6cus met testen
- de therapeut met behandelingen
en deze drie rollen doen allemaal iets anders. de psychiater vormt een theorie over de gedragingen, cognities,
emoties en motivaties. hij vormt dus een gefundeerde hypothese aan de hand van de DSM. de diagnosticus meet
en operationaliseert vervolgens deze problemen en klachten door middel van bepaalde instrumenten. oftewel,
testen. de therapeut past relevante behandelingen toe.
,maar belangrijk is, je wilt zo kort maar uitgebreide mogelijke diagnostiek voordat je tot handelen over kan gaan.
want het mag niet fout gaan.
diagnostische cyclus volgt empirische cyclus
de exploratiefase is de fase van hypothesevorming. hierin wordt
de aanvraag en de hulpvraag geanalyseerd. er komt een
aanmelding bij je binnen, hierin staat al waarvoor een client
komt. daarna nodig je de persoon uit voor een intakegesprek en
ga je uitvragen wat het probleem precies is.
de inductiefase is ook wel het diagnostisch scenario. er wordt
een eerste voorlopige theorie opgesteld door middel van de
ordening van vragen van de aanvrager en de client uit de
aanmelding- en intakefase. er zijn vragen die bij de hulpverlener
opkomen en kennis dat ze hebben over het probleem.
een voorbeeld van een diagnostisch scenario:
ik denk dat de cliënte een milde depressie doormaakt, die geïnduceerd (uitgelokt) werd door de psychologische
afwezigheid van haar partner en het uit huis gaan van de enige dochter. De depressie wordt in stand gehouden
door het feit dat cliënte slechts over beperkte copingvaardigheden bezit.
het is wel belangrijk om rekening te houden met het biopsychosociaal model in het diagnostisch scenario. dus
kijken naar het hele verhaal van de client. de biologische sociale en psychologische factoren. we willen geen
tunnelvisie naar een genoemd gebied.
een voorbeeld van een diagnostisch scenario waarin geen gebruik gemaakt is van het biopsychosociaal model is:
een persoon ervaart paniek symptomen. je denkt “dat is een paniekstoornis”. maar nee, de persoon drinkt elke
dag 20 blikjes energydrink. daardoor kan je ook panieksymptomen ervaren.
een voorbeeld van een diagnostisch scenario gecombineerd met het gewenste biopsychosociaal model:
ik denk dat de cliënte een milde depressie (onderkennend) doormaakt, die geïnduceerd (uitgelokt) werd door de
psychologische afwezigheid van haar partner (verklarend 1 – sociale factor) en het uit huis gaan van de enige
dochter (verklarend 2 – sociale factor). De depressie wordt in stand gehouden door het feit dat cliënte slechts
over beperkte copingvaardigheden bezit (verklarend 3 – psychologische factor).
,structuur van diagnostiek
je kan vanuit verschillende “lenzen” kijken naar problematiek:
- de biologische lens
- de psychologische lens
- de socioculturele lens
o historische context
o bredere sociologische context
- de ontwikkelingslens
o voorgeschiedenis van het individu
diagnostiek: verklaringsfactoren
verklarend betekent: ontstaan, oorzaak, reden, gevolg enzovoort
verklarende factoren kunnen bijvoorbeeld problemen met executieve functies, intelligentie, persoonlijkheid,
traumatische ervaringen, onveilige gehechtheid of contextfactoren zijn.
de vijf basisvragen en voorbeelden
we eindigen de diagnostische cyclus met de vijf horizontale vragen.
1. onderkenning
- wat zijn de problemen?
- wijzen de klachten a, b en c erop dat er sprake is van een gedragsstoornis bij X?
maar hoe maken we de ontkenningsvragen meetbaar?
- criteriumgericht: i.v.m. een vooraf bepaalde standaard (bijv. voldoende kenmerken van een stoornis)
- normgericht: vergelijk met een representa6eve vergelijkingsgroep (bijv. normale of klinische popula6e)
- ipsa>ef: vergelijk met individu zelf (bijv. eerder moment)
2. verklaring
- waarom, wat houdt de problemen in stand?
- wat is de bron?
- komt het “nega6eve aandacht vragen” van X voort uit dat hij zich onbegrepen voelt?
hierin heb je verschillende invalshoeken:
persoonsgericht vs situatiegericht
ligt de oorzaak van de problemen meer bij de eigenschappen van de persoon zelf of komt het door de omgeving
of de omstandigheden
, aard van de controle/ oorzaak
hierin kijk je hoe het probleem wordt gestuurd of veroorzaakt
is het probleem biologisch, psychologisch of sociaal?
synchrone en diachrone condities
synchroon = factoren die nu tegelijk met het probleem aanwezig zijn
voorbeeld: lage zelfwaardering en faalangst hangen samen met X zijn huidige schoolproblemen
diachroon = factoren die voorafgaand aanwezig waren en hebben bijgedragen
voorbeeld: X had al vroeg moeite met taal, wat nu zijn leerproblemen verklaart
inducerende en continuerende condities
inducerend = waardoor is het probleem begonnen?
continuerend = waardoor blijft het probleem bestaan?
3. predictie/ voorspellend:
- hoe ontwikkelen de problemen?
- wat is de kans dat het probleemgedrag bij X vanzelf verdwijnt?
4. indicatie:
- hoe kunnen de problemen verholpen worden?
- is de aanpak van CGT het meest passend en gewenst bij X?
5. evaluatie:
- zijn de problemen voldoende verholpen?
- ROM en einddiagnos6ek (behandelen we later)
de toetsing
onderbouwen van onderzoeksvragen en hypotheses:
- elke hypothese apart onderbouwen
- gebaseerd op wetenschappelijke literatuur (theorievorming)
toetsen van onderzoeksvragen
- passende instrumenten – bijv. juiste meetpreten6e
- mul6-informant en mul6-method om betrouwbaar te meten