Algemene economische basisprincipes ........................................................................................ 3
Hoofdstuk 1: Plaatsbepaling en basisbegrippen................................................................................ 3
Deel 1 Bedrijven, consumenten en overhead ................................................................................. 7
Hoofdstuk 2: Vraag ........................................................................................................................... 7
Hoofdstuk 4: Markten ..................................................................................................................... 11
Hoofdstuk 5: Overheidsingrijpen in markten ................................................................................... 15
Deel 2 Macro-economie ............................................................................................................20
Hoofdstuk 6: Productie en bestedingen .......................................................................................... 20
Hoofdstuk 8: Groei en conjunctuur ................................................................................................. 24
Hoofdstuk 9: Arbeidsmarkt en macro-economisch overheidsbeleid ............................................... 29
Deel 3 Geld en internationale economie ......................................................................................33
Hoofdstuk 10: Geld, inflatie en monetair beleid .............................................................................. 33
Hoofdstuk 11: Financiële markten .................................................................................................. 37
Hoofdstuk 12: Internationale handel en economische integratie..................................................... 40
Kernbegrippenlijst .....................................................................................................................45
Hoofdstuk 1: ................................................................................................................................... 45
Hoofdstuk 2 .................................................................................................................................... 46
Hoofdstuk 4 .................................................................................................................................... 47
Hoofdstuk 5 .................................................................................................................................... 48
Hoofdstuk 6 .................................................................................................................................... 50
Hoofdstuk 8 .................................................................................................................................... 52
Hoofdstuk 9 .................................................................................................................................... 53
Hoofdstuk 10 .................................................................................................................................. 55
Hoofdstuk 11 .................................................................................................................................. 57
Hoofdstuk 12 .................................................................................................................................. 57
,Algemene economische basisprincipes
Hoofdstuk 1: Plaatsbepaling en basisbegrippen
1.1 Externe bedrijfsomgeving
Bedrijven hebben slechts gedeeltelijk invloed op hun winst of omzet. Een groot deel
wordt bepaald door hun externe omgeving — factoren buiten het bedrijf die kansen of
bedreigingen vormen.
Succesvolle bedrijven kunnen zich goed aanpassen aan veranderingen in die omgeving.
Soorten omgevingsfactoren
Er zijn twee typen omgevingen:
1. Macro-omgeving:
Dit zijn factoren die het bedrijf nauwelijks kan beïnvloeden. Ze hebben indirect invloed
op de bedrijfsresultaten.
- Voorbeelden
o Demografisch: bevolkingssamenstelling en groei.
o Economisch: inflatie, inkomensniveau, conjunctuur.
o Sociaal-cultureel: waarden, normen, levensstijl.
o Technologisch: nieuwe technologieën, digitalisering.
o Ecologisch: duurzaamheid, milieuregels.
o Politiek-juridisch: wetgeving, belastingen, overheidsbeleid.
2. Directe omgeving:
Deze bestaat uit partijen waarmee het bedrijf dagelijks zakendoet.
- Voorbeelden:
o Afnemers (klanten)
o Leveranciers
o Concurrenten
o Werknemers
o Distributeurs
o Potentiële toetreders tot de markt
Voorbeeld: Ahold Delhaize (2022)
De oorlog in Oekraïne → wereldwijde effecten (macro).
Duurzaamheid → invloed op bedrijfsvoering (macro/direct).
Klanten met lager inkomen → prijsbewuste keuzes (direct).
Stijgende energieprijzen en inflatie → hogere kosten (macro).
Problemen in toeleveringsketen → minder winst (macro).
• Kortom: bedrijven moeten voortdurend inspelen op externe ontwikkelingen.
, 1.2 Het centrale economische probleem
Kern: schaarste = beperkte middelen, onbeperkte behoeften → keuzes maken.
Begrippen:
Schaarste: niet genoeg middelen voor alle behoeften.
Alternatief aanwendbaar: middelen kunnen voor verschillende doelen worden
gebruikt.
Alternatieve kosten: opbrengst van de beste niet-gemaakte keuze.
Markt: plaats waar vraag en aanbod samenkomen.
1.3 Produceren en consumeren
Produceren
Om goederen en diensten te leveren, moeten ze eerst geproduceerd worden. Daarvoor
zijn productiefactoren nodig:
1. Arbeid – menselijke inspanning. -> loon
2. Kapitaal – hulpmiddelen zoals machines en gebouwen. -> rente
3. Natuur – grondstoffen, energie, ruimte, water. -> pacht
4. Ondernemerschap – het nemen van beslissingen, dragen van risico’s en
combineren van de andere factoren. -> winst
➔ Dit vormt samen het primaire inkomen.
Economische orde
De manier waarop productie en verdeling van goederen georganiseerd is in een land.
Doel: zo goed mogelijk voorzien in de behoeften van consumenten.
Om economische beslissingen te nemen, moeten vijf kernvragen worden beantwoord:
1. Wie moet er produceren?
Overheid of particuliere ondernemingen?
2. Wat moet er geproduceerd worden?
Welke goederen en diensten worden gemaakt?
3. Hoe moet er geproduceerd worden?
Efficiëntie: met zo min mogelijk middelen de gewenste productie realiseren.
4. Waar moet er geproduceerd worden?
Geografische verdeling van productie.
5. Voor wie wordt er geproduceerd?
Hoe wordt het inkomen verdeeld en wie krijgt toegang tot goederen?
Soorten mechanismen
Er zijn twee manieren om productie en verdeling te organiseren:
1.Budgetmechanisme (planeconomie):
De overheid beslist wat en hoeveel er geproduceerd wordt.
- Voorbeeld: Noord-Korea.
– Overheid bepaalt prijzen, lonen en productiequota.