Deel 9: bewijs
Hoofdstuk 1: de bewijslast en bewijsstandaard
- Diegene die zegt dat verbintenissen bestaat moet bewijs geven
- Diegene die betaling of tenietgaan inroept moet bewijs leveren
- Absolute zekerheid van bewijs is niet nodig
De wet geeft vooreerst aan wie wat moet bewijzen. Meer bepaald moet diegene die
meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten
bewijzen die zijn bewering ondersteunen. Als de andere partij dan beweert bevrijd te zijn
van de verbintenis dan moet die dat op zijn beurt aantonen. Bij twijfel krijgt diegene op
wie de bewijslast rust ongelijk.
Algemeen bekende feiten of ervaringsregels moeten niet bewezen worden. Hetzelfde
geldt trouwens voor rechtsregels.
De wet zegt verder dat alle partijen gehouden zijn om mee te werken aan de
bewijsvoering.
Op de voorgaande regels bestaat er een nuance. Als de bewijsregeling die hierboven
werd aangegeven kennelijk onredelijk zou zijn, kan de rechter de bewijslast omdraaien. Er
moeten dan wel ‘buitengewone omstandigheden’ zijn.
Hoofdstuk 2: de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen
- Bewijs van rechtshand
Bewijs van feiten
- Principe: alle middelen
- Uitzondering: rechtshandeling met betrekking tot meer dan €3500 – ondertekend
geschrift
- Niet onderneming tegen onderneming: alle bewijs is mogelijk.
Het uitgangspunt is dat het bewijs kan geleverd worden met alle middelen van recht.
Een uitzondering op die regel bestaat voor het bewijs van een rechtshandeling. Meer
bepaald moet een rechtshandeling met betrekking tot een som of waarde die gelijk is aan
of hoger is dan 3 500 EUR in principe worden bewezen door een ondertekend geschrift.
Geldt niet voor een eenzijdige rechtshandeling
Deze regel geldt al evenmin als er een materiële of morele onmogelijkheid voorligt om
zich een akte te verschaffen, als het gebruikelijk is om geen akte op te stellen of als de
akte verloren ging door overmacht.
Als een niet-onderneming iets wil bewijzen tegen een onderneming, mag die alle
middelen van recht gebruiken. Omgekeerd is dat niet het geval.
Een onderneming die iets wil bewijzen tegen een niet-ondernemer moet de striktere
bewijsregels van het burgerlijk recht naleven.
Hoofdstuk 1: de bewijslast en bewijsstandaard
- Diegene die zegt dat verbintenissen bestaat moet bewijs geven
- Diegene die betaling of tenietgaan inroept moet bewijs leveren
- Absolute zekerheid van bewijs is niet nodig
De wet geeft vooreerst aan wie wat moet bewijzen. Meer bepaald moet diegene die
meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten
bewijzen die zijn bewering ondersteunen. Als de andere partij dan beweert bevrijd te zijn
van de verbintenis dan moet die dat op zijn beurt aantonen. Bij twijfel krijgt diegene op
wie de bewijslast rust ongelijk.
Algemeen bekende feiten of ervaringsregels moeten niet bewezen worden. Hetzelfde
geldt trouwens voor rechtsregels.
De wet zegt verder dat alle partijen gehouden zijn om mee te werken aan de
bewijsvoering.
Op de voorgaande regels bestaat er een nuance. Als de bewijsregeling die hierboven
werd aangegeven kennelijk onredelijk zou zijn, kan de rechter de bewijslast omdraaien. Er
moeten dan wel ‘buitengewone omstandigheden’ zijn.
Hoofdstuk 2: de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen
- Bewijs van rechtshand
Bewijs van feiten
- Principe: alle middelen
- Uitzondering: rechtshandeling met betrekking tot meer dan €3500 – ondertekend
geschrift
- Niet onderneming tegen onderneming: alle bewijs is mogelijk.
Het uitgangspunt is dat het bewijs kan geleverd worden met alle middelen van recht.
Een uitzondering op die regel bestaat voor het bewijs van een rechtshandeling. Meer
bepaald moet een rechtshandeling met betrekking tot een som of waarde die gelijk is aan
of hoger is dan 3 500 EUR in principe worden bewezen door een ondertekend geschrift.
Geldt niet voor een eenzijdige rechtshandeling
Deze regel geldt al evenmin als er een materiële of morele onmogelijkheid voorligt om
zich een akte te verschaffen, als het gebruikelijk is om geen akte op te stellen of als de
akte verloren ging door overmacht.
Als een niet-onderneming iets wil bewijzen tegen een onderneming, mag die alle
middelen van recht gebruiken. Omgekeerd is dat niet het geval.
Een onderneming die iets wil bewijzen tegen een niet-ondernemer moet de striktere
bewijsregels van het burgerlijk recht naleven.