Lesbrief Vraag & Aanbod
Inhoudsopgave:
1: markten
2: vraag
3: productie
4: aanbod
5: de markt van merkloze producten
6: de arbeidsmarkt
Hoofdstuk 1: markten
Markt: brengt de vragers en aanbieders van een product bij elkaar en zorgt voor de prijsvorming.
- Concrete markt: vragers en aanbieders komen op bepaalde tijden direct met elkaar in contact.
- Abstracte markt: het geheel van vraag naar en aanbod van een bepaald product.
Economische markten:
- Goederen- / dienstenmarkt (prijs)
- Arbeidsmarkt (loon)
- Vermogensmarkt (rente)
- Valutamarkt (wisselkoers)
Verkoopprijs: bedrag per eenheid dat de koper moet betalen aan de verkoper.
- Omzet (TO) = prijs x afzet (p x q)
- Afzet (q): hoeveelheid / volume = verkochte hoeveelheid
Indexcijfer omzet = indexcijfer volume x indexcijfer prijs : 100
Indexcijfers = waarde te berekenen jaar : waarde basis jaar x 100
Hoofdstuk 2: vraag
De vraag is afhankelijk van de betalingsbereidheid van de kopers: wat een consument maximaal wilt
betalen voor een product.
Vraagfactoren:
- Prijs van het product of dienst
- Besteedbaar inkomen van de vragers
- Voorkeuren (smaak) van vragers
- Aantal vragers
- Prijs van andere goederen
Vraagfunctie: verband tussen de prijs (P) en de gevraagde hoeveelheid (Qv) producten
- Negatief verband: ↑ en ↓
- Positief verband: ↑ en ↑ of ↓ en ↓
Vraaglijn: Qv = P + X zoals Qv = -100p + 24.000
- Verandering langs/op/over de lijn: prijsverandering van het product zelf
- Verandering van de lijn (naar links/rechts): verandering in de vraagfactoren
, Ceteris paribus: andere factoren die de vraag beïnvloeden blijven constant. Zo kan je de invloed van
de prijs op de gevraagde hoeveelheid onderzoeken.
Collectieve vraagvergelijking: geeft het verband weer tussen de prijs van een product en de totale
vraag naar dat product. Om de collectieve vraagfunctie te maken worden de individuele
vraagfuncties bij elkaar opgeteld.
Goederen:
- Primair/noodzakelijk goed: eerste levensbehoeften, goederen die niet gemist kunnen worden.
- Luxe goederen: goederen die niet noodzakelijk zijn voor ons levensonderhoud. Hiervoor is een
drempelinkomen nodig.
- Inferieur goed: consument gaat er minder van kopen als het inkomen stijgt (goedkoop -> duur merk).
- Normaal goed: noodzakelijke/primaire goederen (levensbehoeften) en luxe goederen (vakanties).
- Substitutiegoederen: goederen die elkaar kunnen vervangen (verschillende merken).
- Complementaire goederen: goederen die elkaar aanvullen (objecten die bij elkaar horen).
nieuw−oud
RV = x 100 %
oud
Prijselasticiteit van de vraag: geeft aan hoe sterk de vraag reageert op een prijsverandering
RVH ( gevolgog reactie)
(uitkomst bijna altijd negatief). Formule: Ev =
RVP (oorzaak of actie )
- primaire goederen: prijsinelastisch RVH < RVP (prijs omhoog voor meer omzet)
- luxe goederen: prijselastisch RVH > RVP (prijs omlaag voor meer omzet)
Kruislingse prijselasticiteit van de vraag: geeft weer hoe sterk de vraag naar het ene goed reageert
RVH product 1
op een prijsverandering van een ander goed. Formule: Ek =
RVP product 2
- substitutiegoed: positief
- complementair goed: negatief
Inkomenselasticiteit van de vraag: geeft weer hoe sterk de vraag reageert op een verandering van
RVH
het besteedbaar inkomen (Y/I). Formule: Ey / EI =
RVI
- normale goederen: positief
- inferieure goederen: negatief
Verzadigingsinkomen: vanaf een bepaald inkomen leidt een inkomensstijging niet tot een verdere
toename van de gevraagde hoeveelheid.
Hoofdstuk 3: productie
Bedrijfskolom: productieweg van oer product naar de consument waar een aantal schakels
(markten) tussen zitten waarin tussen elke schakel verkoop van een (tussen)product plaats vindt.
Bedrijfskolommen kunnen veranderen: bedrijven kunnen uit winstoverweging / om hun
marktpositie te versterken overgaan tot:
- Integratie: bewerkingen uit de vorige/volgende schakel zelf te gaan doen (bk korter).
- Differentiatie: toeleggen op een deel van de huidige bewerkingsactiviteiten (bk langer).
Inhoudsopgave:
1: markten
2: vraag
3: productie
4: aanbod
5: de markt van merkloze producten
6: de arbeidsmarkt
Hoofdstuk 1: markten
Markt: brengt de vragers en aanbieders van een product bij elkaar en zorgt voor de prijsvorming.
- Concrete markt: vragers en aanbieders komen op bepaalde tijden direct met elkaar in contact.
- Abstracte markt: het geheel van vraag naar en aanbod van een bepaald product.
Economische markten:
- Goederen- / dienstenmarkt (prijs)
- Arbeidsmarkt (loon)
- Vermogensmarkt (rente)
- Valutamarkt (wisselkoers)
Verkoopprijs: bedrag per eenheid dat de koper moet betalen aan de verkoper.
- Omzet (TO) = prijs x afzet (p x q)
- Afzet (q): hoeveelheid / volume = verkochte hoeveelheid
Indexcijfer omzet = indexcijfer volume x indexcijfer prijs : 100
Indexcijfers = waarde te berekenen jaar : waarde basis jaar x 100
Hoofdstuk 2: vraag
De vraag is afhankelijk van de betalingsbereidheid van de kopers: wat een consument maximaal wilt
betalen voor een product.
Vraagfactoren:
- Prijs van het product of dienst
- Besteedbaar inkomen van de vragers
- Voorkeuren (smaak) van vragers
- Aantal vragers
- Prijs van andere goederen
Vraagfunctie: verband tussen de prijs (P) en de gevraagde hoeveelheid (Qv) producten
- Negatief verband: ↑ en ↓
- Positief verband: ↑ en ↑ of ↓ en ↓
Vraaglijn: Qv = P + X zoals Qv = -100p + 24.000
- Verandering langs/op/over de lijn: prijsverandering van het product zelf
- Verandering van de lijn (naar links/rechts): verandering in de vraagfactoren
, Ceteris paribus: andere factoren die de vraag beïnvloeden blijven constant. Zo kan je de invloed van
de prijs op de gevraagde hoeveelheid onderzoeken.
Collectieve vraagvergelijking: geeft het verband weer tussen de prijs van een product en de totale
vraag naar dat product. Om de collectieve vraagfunctie te maken worden de individuele
vraagfuncties bij elkaar opgeteld.
Goederen:
- Primair/noodzakelijk goed: eerste levensbehoeften, goederen die niet gemist kunnen worden.
- Luxe goederen: goederen die niet noodzakelijk zijn voor ons levensonderhoud. Hiervoor is een
drempelinkomen nodig.
- Inferieur goed: consument gaat er minder van kopen als het inkomen stijgt (goedkoop -> duur merk).
- Normaal goed: noodzakelijke/primaire goederen (levensbehoeften) en luxe goederen (vakanties).
- Substitutiegoederen: goederen die elkaar kunnen vervangen (verschillende merken).
- Complementaire goederen: goederen die elkaar aanvullen (objecten die bij elkaar horen).
nieuw−oud
RV = x 100 %
oud
Prijselasticiteit van de vraag: geeft aan hoe sterk de vraag reageert op een prijsverandering
RVH ( gevolgog reactie)
(uitkomst bijna altijd negatief). Formule: Ev =
RVP (oorzaak of actie )
- primaire goederen: prijsinelastisch RVH < RVP (prijs omhoog voor meer omzet)
- luxe goederen: prijselastisch RVH > RVP (prijs omlaag voor meer omzet)
Kruislingse prijselasticiteit van de vraag: geeft weer hoe sterk de vraag naar het ene goed reageert
RVH product 1
op een prijsverandering van een ander goed. Formule: Ek =
RVP product 2
- substitutiegoed: positief
- complementair goed: negatief
Inkomenselasticiteit van de vraag: geeft weer hoe sterk de vraag reageert op een verandering van
RVH
het besteedbaar inkomen (Y/I). Formule: Ey / EI =
RVI
- normale goederen: positief
- inferieure goederen: negatief
Verzadigingsinkomen: vanaf een bepaald inkomen leidt een inkomensstijging niet tot een verdere
toename van de gevraagde hoeveelheid.
Hoofdstuk 3: productie
Bedrijfskolom: productieweg van oer product naar de consument waar een aantal schakels
(markten) tussen zitten waarin tussen elke schakel verkoop van een (tussen)product plaats vindt.
Bedrijfskolommen kunnen veranderen: bedrijven kunnen uit winstoverweging / om hun
marktpositie te versterken overgaan tot:
- Integratie: bewerkingen uit de vorige/volgende schakel zelf te gaan doen (bk korter).
- Differentiatie: toeleggen op een deel van de huidige bewerkingsactiviteiten (bk langer).