WETENSCHAP ONS MENSBEELD?
Let op: Ik behandel per standpunt de argumenten en filosofen die erbij horen.
Vervolgens werk ik iedere eindterm uit en tot slot heb je aan het einde van
deze kwestie een begrippenlijst met alle begrippen die in de syllabus staan bij
kwestie 1 en de begrippen die bij kwestie 1 staan in het boek "Wat maakt de
mens?".
Standpunt 1: Metaforen en ervaringen beïnvloeden elkaar
wederzijds.
Het standpunt dat “metaforen en ervaringen elkaar wederzijds
beïnvloeden” betekent dat hoe wij de wereld ervaren, altijd
verbonden is met ons lichaam en met de woorden en beelden (zoals
metaforen) die we gebruiken om die ervaring te begrijpen. Sheets-
Johnstone legt uit dat we niet als een soort toeschouwer in een stoel
naar de wereld kijken, maar dat ons lichaam altijd actief in de
wereld is: we lopen, bewegen, aanraken, en daardoor ervaren we.
Wie je bent, ontdek je dus niet alleen door na te denken in je hoofd,
maar vooral door te voelen en te ervaren wat je met je lichaam kan
doen in de wereld. Tegelijkertijd worden die ervaringen beïnvloed
door anderen. De Beauvoir laat zien dat jongens en meisjes vanaf
jongs af aan anders worden behandeld en aangesproken, en
daardoor ook een ander zelfbeeld ontwikkelen. Fanon vertelt dat zijn
eigen ervaring van zichzelf soms wordt overschreven door de
manier waarop anderen hem bekijken of aanspreken, bijvoorbeeld
vanwege huidskleur. Dat betekent dat jouw eerste-persoonservaring
(“zo voel ik mezelf van binnenuit”) altijd verweven is met het derde-
persoonsperspectief (“zo zien anderen jou van buitenaf”). Daarom
kan je zeggen dat metaforen (de woorden, beelden en ideeën die
anderen gebruiken) en ervaringen (wat jij lichamelijk en persoonlijk
voelt) elkaar voortdurend beïnvloeden: je beleeft de wereld via je
lichaam en via hoe anderen met jou omgaan, en dat vormt samen
hoe jij jezelf en de wereld begrijpt.
Argument 1: Lakoff & Johnson – onze taal drukt uit hoe we met ons
lichaam in de wereld staan.
Lakoff en Johnson zeggen dat taal niet zomaar een middel is om
dingen te beschrijven, maar dat taal ook bepaalt hoe we de wereld
en onszelf ervaren. Als je nadenkt over je bestaan, heb je altijd
woorden of beelden nodig om dat vorm te geven. Het werkt dus
twee kanten op: je drukt je ervaringen uit in taal, maar diezelfde
taal geeft ook structuur aan hoe je die ervaringen beleeft. Een
, voorbeeld: als jij zegt “ik voel me down” of “ik sta er goed voor”,
gebruik je zogenaamde oriënterende metaforen. Die zijn gebaseerd
op hoe ons lichaam in de ruimte staat: ‘boven’ wordt geassocieerd
met kracht, succes en blijdschap, en ‘beneden’ met verdriet of
zwakte. Daarnaast zijn er ontologische metaforen: daarmee
beschrijf je abstracte dingen alsof het concrete objecten zijn. Denk
aan: “ik pak dat idee op”, “ik gooi dat plan weg” of “ik draag een
zware last mee”. Ideeën en gevoelens zijn geen dingen die je
letterlijk kan vasthouden of weggooien, maar we begrijpen ze wél
op die manier, omdat ons lichaam gewend is om met objecten om
te gaan. Zo zie je dat ons taalgebruik altijd teruggrijpt op hoe wij
lichamelijk in de wereld staan. Lakoff en Johnson kijken dus niet
zoals de natuurwetenschappen naar hersenen of gedrag, maar juist
naar taal om te begrijpen hoe mensen hun bestaan ervaren. Hun
punt is: taal en ervaring zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, en
dat laat zien dat ons mensbeeld altijd lichamelijk verankerd is.
Lees bij dit argument primaire tekst 4
Argument 2: metaforen uit de wetenschap en technologie beïnvloeden
hoe we onszelf als mens ervaren.
Dit argument laat zien dat de metaforen die we gebruiken om
onszelf te begrijpen, sterk beïnvloed worden door de wetenschap en
de technologie van onze tijd. Waar Lakoff en Johnson benadrukken
dat metaforen vooral voortkomen uit onze lichamelijke ervaring van
de wereld, leggen denkers als Piet Vroon en Douwe Draaisma juist
de nadruk op de culturele en historische context. Zij laten zien dat
de beelden waarmee wij onszelf beschrijven vaak geleend zijn van
de techniek en de wetenschap die op dat moment belangrijk is. Zo
werd de mens in de 17e en 18e eeuw vaak vergeleken met een
machine: net als een klok of een stoommachine zou de mens
voorspelbaar werken volgens wetten van oorzaak en gevolg. Dit
mechanistische mensbeeld maakte religieuze of mysterieuze
verklaringen overbodig en legde de nadruk op functionaliteit en
efficiëntie. Later, in de 20e eeuw, verschoof dit beeld door de
opkomst van computers. De mens werd steeds vaker voorgesteld
als een informatieverwerkende machine: ons brein werd gezien als
een soort computer die informatie opslaat, verwerkt en het lichaam
aanstuurt. Deze metafoor werkt zelfs twee kanten op: wij begrijpen
onszelf met begrippen uit de computerwereld, en tegelijk proberen
wetenschappers computers te bouwen die typisch menselijke taken
uitvoeren, zoals denken of leren. Het gebruik van zulke metaforen
heeft directe gevolgen: ze sturen de richting van wetenschappelijk
onderzoek en kleuren hoe wij onszelf zien. Als je de mens
, bijvoorbeeld als computer beschouwt, ga je onderzoek doen dat
hersenen bestudeert alsof het harde schijven en programma’s zijn.
Omdat technologie steeds verandert, veranderen ook deze
metaforen en daarmee ons mensbeeld. Dat maakt duidelijk dat er
niet één tijdloos antwoord is op de vraag “Wat is de mens?” Ons
zelfbeeld is altijd historisch bepaald en dus veranderlijk.
Standpunt 2: Wij zijn ons brein en ons brein is als een computer.
Standpunt 2 gaat ervan uit dat wij ons brein zijn en dat dit brein
functioneert zoals een computer. Dit idee komt voort uit het
cognitivisme, een stroming binnen de psychologie en
cognitiewetenschappen die ons denken ziet als het verwerken van
informatie. Volgens dit standpunt werkt ons brein net als een
computer die gegevens ontvangt, opslaat en bewerkt. Onze
“gegevens” zijn symbolen: innerlijke representaties van de
werkelijkheid die we vormen door middel van onze zintuigen.
Wanneer we nadenken, manipuleren we deze symbolen om te
beslissen hoe we het beste kunnen handelen. Het proces van
denken is dus eigenlijk een soort informatieverwerking, waarbij
input (zintuiglijke prikkels) wordt omgezet in output (gedrag en
keuzes). De vergelijking met computers is niet alleen een metafoor,
maar speelt ook een praktische rol in wetenschappelijk onderzoek.
Computers maken het namelijk mogelijk om modellen te bouwen
van het brein, waarmee onderzoekers denkprocessen kunnen
simuleren en analyseren. Door de hersenen te bestuderen in termen
van input en output, versterken de resultaten van het onderzoek
zelf weer de vergelijking tussen brein en computer. Zo wordt de
metafoor steeds meer bevestigd: als de hersenen zich gedragen
zoals een computerprogramma, dan lijkt het ook logisch om ze zo te
begrijpen. Hieruit volgt een functionele visie op de mens: wij zijn
niet meer dan ons brein, en ons brein is een systeem dat informatie
verwerkt zoals een computer dat doet. Er is dus geen aparte ziel of
ongrijpbare geest nodig om ons denken en handelen te verklaren.
Alles wat we ervaren, voelen en doen kan begrepen worden door de
manier waarop ons brein informatie ontvangt, verwerkt en uitstuurt.
Argument 1: wij zijn ons brein
Alles wat jij voelt, denkt en doet komt voort uit je hersenen, dus wij
zijn ons brein. Neurobioloog Dick Swaab gebruikt daarvoor twee
soorten bewijs. Ten eerste laten hersenonderzoeken zien dat
, mentale gebeurtenissen samenhangen met specifieke
hersenactiviteiten: bij gevoelens, waarnemingen of beslissingen
lichten bepaalde hersengebieden op in scans en meetinstrumenten.
Ten tweede tonen ziekten en stoornissen aan hoe bepalend het
brein is: als een deel van de hersenen beschadigd raakt (door een
beroerte, tumor of een neurologische aandoening), veranderen
gedrag, stemming en zelfs iemands persoonlijkheid vaak ingrijpend.
Dat suggereert dat die eigenschappen geen aparte, onstoffelijke
entiteiten zijn, maar het resultaat van fysieke processen in de
hersenen elektrische signalen, chemische boodschappers en de
manier waarop zenuwcellen elkaar bereiken. Swaab concludeert dat
die netwerken van zenuwcellen onze geest produceren: bewustzijn,
emoties, moraliteit, religieuze ervaringen en zelfs beslissingen die
we ervaren als vrije wil, zouden allemaal terug te voeren zijn op
hersenactiviteit. Bovendien kun je vaak die mentale toestanden ook
rechtstreeks beïnvloeden door medische ingrepen of medicijnen,
wat nog eens bevestigt dat de oorzaak in het fysieke brein ligt.
Daarom vergelijkt Swaab het brein met een biologische machine of
computer: het verwerkt informatie op een wetmatige, verklarende
manier en als die machine anders gaat functioneren, verandert de
persoon mee. Dit argument ondersteunt dus sterk standpunt 2: dat
wij in wezen ons brein zijn en dat het brein werkt als een informatie
verwerkend systeem, vergelijkbaar met een computer.
Argument 2: net als computers verwerkt ons brein informatie.
Argument 2 legt uit dat ons brein, net als een computer, informatie
verwerkt. Het gaat hier niet om de bewering dat het brein letterlijk
een computer is, maar dat ze volgens dezelfde functionele principes
werken: beide systemen ontvangen informatie, verwerken die en
zetten die om in output. Je kunt die vergelijking op twee manieren
maken. Op fysiek niveau kun je de hersenen vergelijken met
hardware, de onderdelen van een computer. Maar belangrijker in dit
argument is het functionele niveau: de software van een computer
wordt vergeleken met ons denkvermogen. Volgens het
functionalisme in de cognitiewetenschappen kun je processen in de
hersenen namelijk los zien van het fysieke materiaal en beschrijven
in termen van functies. Dat betekent dat alle mentale processen te
begrijpen zijn als het manipuleren van symbolen. Wat gebeurt er?
Via onze zintuigen komt informatie binnen (input), en daar maken
we een mentale representatie van: een soort innerlijk plaatje van de
werkelijkheid, waarin vooral de aspecten die voor ons relevant zijn
worden uitgelicht. Onze geest kan vervolgens die representatie
bewerken en op basis daarvan gedrag of beslissingen (output)