Tilburg university – leerjaar 2 blok 1
Alle majors
Bevat 50 meerkeuze tentamen vragen, op tentamen niveau met de
moeilijkste onderwerpen die terug komen op elk tentamen!
, Hoorcollege 1
1. In de context van genetische overerving verwijst de term
matrilineair naar:
A. De overerving van genetisch materiaal uitsluitend via vrouwelijke
individuen, waarbij zowel zonen als dochters dit materiaal van hun moeder
ontvangen.
B. De overerving van genetisch materiaal uitsluitend van moeder op
dochter, omdat mitochondriaal DNA niet aan zonen wordt doorgegeven.
C. De overerving van genetisch materiaal uitsluitend via mannelijke
individuen, waarbij zowel zonen als dochters dit materiaal van hun moeder
ontvangen.
D. De overerving van genetisch materiaal uitsluitend van vader op zoon,
omdat mitochondriaal DNA niet aan dochters wordt doorgegeven.
2. Welke uitspraak beschrijft het essentiële verschil tussen
kwalitatieve en kwantitatieve erfelijke eigenschappen in de
gedragsgenetica het best?
A. Kwalitatieve eigenschappen worden uitsluitend beïnvloed door
meerdere genen en zijn sterk afhankelijk van omgevingsfactoren, terwijl
kwantitatieve eigenschappen door één gen worden bepaald en dus een
alles-of-niets-uitkomst kennen.
B. Kwalitatieve eigenschappen worden meestal beïnvloed door één enkel
gen en volgen een eenvoudig, vaak alles-of-niets overervingspatroon,
terwijl kwantitatieve eigenschappen door meerdere genen en
omgevingsfactoren samen worden beïnvloed.
C. Kwalitatieve eigenschappen volgen geen voorspelbaar
erfelijkheidspatroon omdat ze door vele genen worden bepaald, terwijl
kwantitatieve eigenschappen rechtstreeks door één enkel gen worden
bepaald, onafhankelijk van de omgeving.
D. Zowel kwalitatieve als kwantitatieve eigenschappen worden beïnvloed
door één enkel gen, maar kwantitatieve eigenschappen zijn complexer.
3. Een onderzoeker kruist twee planten met een enkel gen dat de
bloemkleur bepaalt. Het paar bestaat uit:
Plant 1: heterozygoot paars (Pp)
Plant 2: homozygoot wit (pp)
Welke uitspraak over de F1-generatie is juist?
A. 50% van de nakomelingen zal homozygoot paars zijn en 50% zal
heterozygoot wit zijn.
B. 50% van de nakomelingen zal paars zijn en 50% wit, waarbij de
genotypen respectievelijk Pp en pp zijn.