Samenvatting cursus:
Referentiekader en Bronnen
a. Het historisch referentiekader:
Oudste tijden: ca. 2,5 miljoen jaar geleden - 3500 v.Chr.
Het Oude Nabije Oosten: ca. 3500 - 1000 v.Chr.
De Klassieke Oudheid: ca. 1000vC - 500
Middeleeuwen: 500 - 1500
Nieuwe Tijd: 1500 - 1800
Nieuwste Tijd: 1800 - 1945
Eigen Tijd: 1945 – nu
b. Schema historische ontwikkeling:
Binnenlandse Buitenlandse Sociaal-Economisch Religieus Cultureel
Politiek Politiek
Oudste Familiehoofd, Stamtwisten Jacht en pluk, Natuurelementen, Rotsschilderingen
Tijden clanhoofd clanhiërarchie vruchtbaarheid, , jachtmagie
Zwervers begraving
Oudste Dorps overste Stamtwisten Sociale differentiatie, Natuurgoden, Eerste
Tijden ontstaan landbouw, vruchtbaarheid kunstuitingen
Eerste beroepen
boeren
Oude Vorst als godheid Isolationisme Landbouw door Vorst als godheid; In functie van
Nabije naast irrigatie natuurelementen goden (vorst) en
Oosten imperialisme Eerste ruilhandel doden
Eerste
wereldrijke
n
Klassieke Politiek als Verovering en Maritieme Veelgodendom Multiculturele
Oudheid publieke zaak (res pax romana kolonisatie Ontwikkeling van gedachten en
Grieken en publica) “wereld”- economie; rijksgodsdienst, samenleving
Romeinen muntstelsel; slaven Christus
Middel- Politiek als Feodale Domaniale gesloten Kerk als eenheid; Kerk en burcht als
eeuwen privézaak oorlogen economie, rol van abdijen centra van
Burchten en Feodaliteit, standenmaatschappij cultuur
Abdijen verbrokkeling ; vrijen en onvrijen Romaanse
cultuur
Middel- Autonome stad als Steden Stedelijke economie Bedelorden, Opkomst van
eeuwen bijkomend vermengd in op andere snelheid begijnhoven, stedelijke
element van burgercultuur
, Stedentijd verbrokkeling conflicten dan domaniale kathedralen naast kerkelijke;
Gilden, ambachten, universiteiten
handel Gotiek
Nieuwe Tijd Absolutisme: vorst Vorstelijke Mercantilisme; 1e Caesaropapisme Vorst als drager
Vorstentijd overkoepeld oorlogen kolonisatie; Reformatie en en toonbeeld van
de
stedelijke en bevorderen 3 stand Contrareformatie cultuur
domaniale wereld; ten nadele van adel Renaissance en
centralisatie en clerus; Barok
Manufacturen
Nieuwste Volkssoevereiniteit Nationale en Nationale economie; Godsdienstvrijheid Nationalisme;
Tijd ; politieke wereldlijke economisch ; scheiding Kerk en romantiek en
Volkerentijd vrijheden; oorlogen liberalisme; 2de Staat neostijlen;
geboorte van Imperialisme kolonisatie; toerisme
naties industriële revoluties
Eigen Tijd Democratisering Dominante Liberalisme; Idem, secularisatie Pluralisme,
Toename van supermachten globalisering; kloof Atheïsme postmodernisme
internationale ; Noord-Zuid
instellingen dekolonisatie;
toename van
internationale
instellingen
Referentiekader en Bronnen
a. Het historisch referentiekader:
Oudste tijden: ca. 2,5 miljoen jaar geleden - 3500 v.Chr.
Het Oude Nabije Oosten: ca. 3500 - 1000 v.Chr.
De Klassieke Oudheid: ca. 1000vC - 500
Middeleeuwen: 500 - 1500
Nieuwe Tijd: 1500 - 1800
Nieuwste Tijd: 1800 - 1945
Eigen Tijd: 1945 – nu
b. Schema historische ontwikkeling:
Binnenlandse Buitenlandse Sociaal-Economisch Religieus Cultureel
Politiek Politiek
Oudste Familiehoofd, Stamtwisten Jacht en pluk, Natuurelementen, Rotsschilderingen
Tijden clanhoofd clanhiërarchie vruchtbaarheid, , jachtmagie
Zwervers begraving
Oudste Dorps overste Stamtwisten Sociale differentiatie, Natuurgoden, Eerste
Tijden ontstaan landbouw, vruchtbaarheid kunstuitingen
Eerste beroepen
boeren
Oude Vorst als godheid Isolationisme Landbouw door Vorst als godheid; In functie van
Nabije naast irrigatie natuurelementen goden (vorst) en
Oosten imperialisme Eerste ruilhandel doden
Eerste
wereldrijke
n
Klassieke Politiek als Verovering en Maritieme Veelgodendom Multiculturele
Oudheid publieke zaak (res pax romana kolonisatie Ontwikkeling van gedachten en
Grieken en publica) “wereld”- economie; rijksgodsdienst, samenleving
Romeinen muntstelsel; slaven Christus
Middel- Politiek als Feodale Domaniale gesloten Kerk als eenheid; Kerk en burcht als
eeuwen privézaak oorlogen economie, rol van abdijen centra van
Burchten en Feodaliteit, standenmaatschappij cultuur
Abdijen verbrokkeling ; vrijen en onvrijen Romaanse
cultuur
Middel- Autonome stad als Steden Stedelijke economie Bedelorden, Opkomst van
eeuwen bijkomend vermengd in op andere snelheid begijnhoven, stedelijke
element van burgercultuur
, Stedentijd verbrokkeling conflicten dan domaniale kathedralen naast kerkelijke;
Gilden, ambachten, universiteiten
handel Gotiek
Nieuwe Tijd Absolutisme: vorst Vorstelijke Mercantilisme; 1e Caesaropapisme Vorst als drager
Vorstentijd overkoepeld oorlogen kolonisatie; Reformatie en en toonbeeld van
de
stedelijke en bevorderen 3 stand Contrareformatie cultuur
domaniale wereld; ten nadele van adel Renaissance en
centralisatie en clerus; Barok
Manufacturen
Nieuwste Volkssoevereiniteit Nationale en Nationale economie; Godsdienstvrijheid Nationalisme;
Tijd ; politieke wereldlijke economisch ; scheiding Kerk en romantiek en
Volkerentijd vrijheden; oorlogen liberalisme; 2de Staat neostijlen;
geboorte van Imperialisme kolonisatie; toerisme
naties industriële revoluties
Eigen Tijd Democratisering Dominante Liberalisme; Idem, secularisatie Pluralisme,
Toename van supermachten globalisering; kloof Atheïsme postmodernisme
internationale ; Noord-Zuid
instellingen dekolonisatie;
toename van
internationale
instellingen