1. Definitie
Waarom faalt zelfs een perfecte markt in
sommige situaties (zoals publieke
goederen of externe effecten) om een
Pareto-efficiënt resultaat te bereiken?
Publieke goederen
Kenmerken van zuivere publieke goederen
o Niet-uitsluitbaarheid
→ Niemand kan uitgesloten worden
van het gebruik ervan zodra het
goed er is.
Voorbeeld: straatverlichting,
defensie
o Niet-rivaliteit in consumptie
→ Het gebruik door de één
vermindert niet het gebruiksgenot
voor de ander.
Marginale kost voor extra gebruiker
=0
Private goederen: wél uitsluitbaar én rivaal
Quasi-publieke goederen: bijvoorbeeld tolwegen of zwembaden met capaciteitslimiet (soms
uitsluitbaar, soms rivaal).
2. Optimalisatie publiek goed
Marktvraag bij private goederen = horizontale sommatie van individuele vraag
Marktvraag bij publieke goederen = verticale sommatie van individuele bereidheden tot betalen →
som van de individuele marginale betalingsbereidheden
Samuelsonregel: een publiek goed wordt optimaal geleverd als som (marginale bereidheid tot
betalen van alle consumenten) = marginale kost van productie
Probleem: Vrijbuiters Omdat niemand uitgesloten wordt van consumptie, heeft niemand een
prikkel om te betalen (mensen hopen dat anderen betalen)
Gevolg: onderaanbod van publieke goederen op de vrije markt
Oplossing: overheidsinterventie
o Collectieve financiering via belastingen
o Niet per se door de overheid geproduceerd, maar wel voorzien
Bij publieke goederen verbruiken meerdere mensen hetzelfde goed gelijktijdig
De totale waarde van een extra eenheid = som van wat iedereen bereid is te
betalen. Vandaar verticale sommatie van vraagcurves (niet horizontaal zoals bij
private goederen)
De overheid moet het niveau van voorziening baseren op de totale 1
maatschappelijke baten. Alleen dan wordt het efficiëntieniveau bepaald
, Marginale maatschappelijke baten (sommatie van individuele curves)
Snijpunt = optimale voorziening (evenwicht volgens Samuelsonregel)
Efficiënt niveau van het publieke goed: waar som van bereidheid tot betalen = marginale kost van
productie
Op vrije markt wordt vaak te weinig voorzien (door vrijbuitersprobleem)
De overheid moet dus het juiste niveau vaststellen op basis van deze grafiek
3. Externe effecten (externaliteiten)
Wat is een extern effect? De gevolgen van een
economische handeling voor een derde partij die niet
betrokken is in de transactie (𝑞𝑃 < 𝑞𝐸, 𝑝𝑃 > 𝑝𝐸):
o Positief extern effect: bv. vaccinatie beschermt
ook anderen
o Negatief extern effect: bv. vervuiling schaadt omwonenden
Deze effecten zijn niet verrekend in de marktprijs → markt faalt
Gevolgen voor efficiëntie
o Negatief extern effect → te veel geproduceerd/verbruikt (maatschappelijke kosten > private
kosten)
o Positief extern effect → te weinig geproduceerd/verbruikt (maatschappelijke baten > private
baten)
Pareto-efficiënt niveau = waar maatschappelijke marginale baten = maatschappelijke marginale
kosten
Oplossingen voor negatieve externe effecten
De markt houdt geen rekening met externe schade: Er wordt te
veel geproduceerd, de prijs ligt te laag (want schade zit niet in
kost verrekend)
Toont de nood aan overheidsingrijpen: bv. via heffing, norm, of
emissierechten om de productie terug te dringen naar Q_sociaal
Pareto-optimale lozingsniveau
𝑂𝐵 = marginale externe kosten van lozing 𝑀𝐸𝐾𝐿 = marginale
maatschappelijke baat van terugdringen van vervuiling 𝑀𝑀𝐵𝑇𝑉.
De onderneming loost 𝐿𝐸 indien ze geen rekening houdt met
2
milieukosten. In de vrije marktuitkomst bedragen de totale milieukosten
𝑂𝐵𝐸𝐿𝐸 .
Het terugdringen van vervuiling is niet kosteloos voor de onderneming.