Leefgebieden 2.3
Wonen en woonomgeving: Wat is de woonsituatie van de client?
Werk en inkomen: Heeft de client werk, volgt diegene een opleiding, heeft diegene een uitkering?
Financiën: Wat is de financiële status, zijn er mogelijk schulden?
Gezondheid en persoonlijk functioneren: Hoe is het welbevinden van de client, zowel fysiek als
psychisch? Kan de client eigen boontjes doppen?
Sociaal netwerk en sociaal functioneren: Hoe ziet het sociale netwerk eruit, met wie heeft de client
contact?
Sociaal functioneren betekent ook hoe de houding is van de client ten aanzien van de samenleving,
en of er mogelijk contact is met justitie omdat de client een strafbaar feit heeft begaan.
Dagelijkse bezigheden: Waar is de client mee bezig, hoe vult de client de dag?
Bij ordening van de informatie geef je aan welk deel hiervan een feit is en welk deel een beleving.
Feit: Kun je er een foto van maken, is er bewijs, een brief een afschrift?
Beleving: Hoe ervaart iemand een gebeurtenis?
Draaglast:
Bij draaglast gaat het om de (zowel feitelijk al ervaren) problemen en hoe de client deze beleeft.
Waarom lukt het de client niet om het probleem op te lossen?
Begrippen draaglast 2.4:
Traumatische stressoren:
Een situatie die iemands geestelijke of lichamelijke veiligheid bedreigt en daardoor gevoelens van
angst, afschuw of hulpeloosheid oproept.
Een traumatische stressor is iets heel heftigs dat je meemaakt en dat veel stress geeft, vaak
plotseling. Het kan angst, verdriet of schrik veroorzaken
Voorbeeld : Je bent getuige van een ongeluk waarbij iemand ernstig gewond raakt. Dit kan je lang
blijven achtervolgen en nachtmerries veroorzaken.
Chronische stressoren:
Toestand van stressvolle dingen die langere tijd aanhouden. Chronische stressoren zijn relatief
langdurig en kunnen zich over een tijdsperiode langzaak ontwikkelen. Het is niet iets wat ineens
gebeurt, maar iets wat je steeds voelt.
Voorbeeld : Je hebt al maanden veel huiswerk en een drukke baan naast school. Je voelt je constant
gestrest omdat de druk nooit stopt. Ze kunnen bijvoorbeeld te maken hebben met financiële
problemen, relatieproblemen of slechte woonomstandigheden.
Fysiologische reacties op stress:
Een fysiologisch reacties op stress zijn lichamelijke reacties die je lichaam geeft als je stress hebt. Je
lichaam bereidt zich klaar om te vechten of te vluchten.
Voorbeeld: Je hart gaat sneller kloppen, je handen worden zweterig en je spieren spannen zich aan
als je examenstress hebt.
, Stress en het immuunsysteem:
Een stress en het immuunsysteem kan je afweersysteem beïnvloeden, Kortdurende stress kan zelfs
helpen maar lange stress zorgt ervoor dat je sneller ziek wordt.
Voorbeeld : Als je wekenlang stress hebt door school en werk kun je sneller verkouden worden
omdat je lichaam minder goed ziekten kan bestrijden.
Persoonlijkheidstype A:
Gedragspatroon dat wordt gekenmerkt door intense, agressieve, competitieve of perfectionisme
reactie op gebeurtenissen in het leven.
Voornaamste kenmerken van type A-mensen:
Werken in een versneld tempo
Geniet niet per se van prestaties
Accepteren mislukkingen moeilijk
Kiezen voor een gevoel van urgentie
Concurreren graag
Vijandigheid:
Vijandige mensen hebben minder vertrouwen, worden sneller boos en zijn strijdlustiger. Vijandige
mensen zien situaties vaak als bedreigend. Door deze interpersoonlijke stijl wordt het moeilijker
relaties te onderhouden waardoor vervolgens de beschikbaarheid van sociale steun afnemen.
Vijandigheid gaat ook gepaard met gedragingen die de gezondheid bedreigen, zoals, roken, alcohol
drinken en overmatig eten, factoren die op zichzelf het risico op een hartaandoening al vergroten.
Draagkracht: Draagkracht is de veerkracht waarover iemand beschikt en de manier waarop iemand
moeilijkheden het hoofd biedt, al dan niet met steun van de omgeving of voorzieningen. De
draagkracht bevorder je door te vragen wat wel lukt. Draagkracht gaat om het werkelijk doen, de
werkelijke activiteit, het in staat zijn om problemen op te lossen
Begrippen draagkracht 2.5:
Locus of control:
De plek waar een individu de belangrijkste invloed op gebeurtenissen in zijn leven situeert , intern of
extern. De locus of control is een relatief stabiel gedragspatroon dat kenmerkend is voor de mate
waarin het individu verwacht de uitkosten in het eigen leven te kunnen beïnvloeden.
Mensen met een interne locus of control denken dat de kans groot is dat ze, wanneer ze bepaalde
handelingen verrichten, het gewenste resultaat zullen krijgen.
Voorbeeld Intern: Je haalt een slecht cijfer en denkt volgende keer moet ik beter leren
Mensen met een externe locus of focus beschouwen daarentegen de relatie tussen hun inspanning
en de resultaten daarvan als onvoorspelbaar. Zij geloven vaker dat factoren waarover zij geen
controle hebben een beslissend effect hebben, ongeacht hun inspanning.
Voorbeeld Extern: Je haalt een slecht cijfer en denkt de leraar haat mij daar kan ik niks aan doen.