Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
KLINISCH BIOLOGISCHE PSYCHOLOGIE
1e master psychologie
1
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
INHOUDSOPGAVE
HOOFDSTUK 1: PSYCHOFYSIOLOGISCHE REGULATIE & DE HUID ALS SOCIAAL ORGAAN ............ 3
1 Inleiding ...................................................................................................................................... 3
2 Psychofysiologische zelfregulatie .............................................................................................. 3
3 Touch........................................................................................................................................12
HOOFDSTUK 2: EETSTOORNISSEN ............................................................................................ 19
1 Eetprobleem ............................................................................................................................19
2 Eetstoornissen .........................................................................................................................19
3 Neurobiologische mechanismen .............................................................................................23
4 Behandeling .............................................................................................................................28
HOOFDSTUK 3: NEUROBIOLOGIE VAN AUTISME EN ADHD ...................................................... 29
1 Niet observeerbaar ..................................................................................................................29
2 Observeerbaar .........................................................................................................................46
HOOFDSTUK 4: DE ZIEKTE VAN PARKINSON & GERELATEERDE STOORNISSEN ......................... 47
1 Hersengebieden & functies .....................................................................................................47
2 De ziekte van Parkinson ...........................................................................................................49
3 Gerelateerde stoornissen ........................................................................................................58
4 Rol van de psycholoog .............................................................................................................63
5 Cognitieve revalidatie ..............................................................................................................65
HOOFDSTUK 5: NON-INVASIEVE HERSENSTIMULATIE EN KLINISCHE TOEPASSINGEN .............. 67
1 Inleiding ....................................................................................................................................67
2 Non-invasieve hersenstimulatietechnieken (NIBS) & toepassingen ......................................69
3 Toekomstige technieken/methoden .......................................................................................72
4 NIBS in onderzoek ....................................................................................................................74
5 Demonstraties..........................................................................................................................88
HOOFDSTUK 6: DEPRESSIEVE STOORNIS .................................................................................. 89
1 Biologische factoren ................................................................................................................89
2 Cognitieve factoren: een negatieve briL .................................................................................96
2
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
HOOFDSTUK 1: PSYCHOFYSIOLOGISCHE REGULATIE & DE HUID ALS SOCIAAL
ORGAAN
1 INLEIDING
Touch & psychofysiologische zelfregulatie zijn heel belangrijk voor het psychisch functioneren
Verschillende invalshoeken
• Psychofysiologie
• Evolutionair perspectief
• Ontwikkelingspsychologie
• Sociale psychologie/systemisch perspectief
Neuroviscerale integratie modellen leggen de verbinding tussen centraal en autonoom
zenuwstelsel
2 PSYCHOFYSIOLOGISCHE ZELFREGULATIE
2.1 HET BELANG VAN HET ANS IN DE PSYCHOFYSIOLOGIE
• ANS = link tussen psychologie & fysiologie
• ANS = aanpassingsmechanisme aan onze veranderende omgeving
• Integratieve fysiologie ipv hyperspecialisatie à geen afzonderlijke beschrijving van hart en
ademhaling, SNS & PZS, cortico & subcortico, …
• Verband tussen CNS & ANS belangrijker dan voorheen gedacht
CNS = hersenen & ruggenmerg
Perifeer NS = autonoom & somatosensorisch
• De best bestudeerde functie van het ANS = de stress-respons
• De beschrijving van de stress-respons leert ons veel over het functioneren van het ANS
Homeostase (stabiliteit door gelijkheid, terugkeren naar vast evenwicht)
• Bv: ik heb het heel warm à ik ga zweten à zweet droogt op en reguleert de temperatuur
versus
3
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
Allostase (stabiliteit door verandering, flexibel aanpassen aan veranderende omstandigheden)
• Niet per se teruggaan naar diezelfde baseline
• Bv: bij presentatie geven ben je alerter en gerichter
Stress laat ons toe ons aan te passen aan veranderende omstandigheden
• Stressor: elke factor die de allostatische balans verstoort (en vereist dan aanpassing!): de
metabole vereisten van het lichaam veranderen, er moet een nieuw evenwicht gevonden
worden (vb. ademhaling versnelt, zweten).
Belang van dynamische regulatie
• Bv: hartslag past zich aan aan de metabole vereisten van je lichaam (anders in rust dan
tijdens het lopen)
• In psychologie: Om goed psychisch te functioneren moet je ook flexibel kunnen zijn.
Wanneer je reacties verstarren en rigide worden (angst, depressie), kan dit leiden tot een
pathologie.
• Het gaat dus over zowel zelfregulatie (ANS) als adaptief gedrag (psychologie).
Emotieregulatie
à Acute vs. Chronische stress
2.2 DE STRESSRESPONS
Hoe reageert ons lichaam om aan de veranderende eisen van de omgeving te voldoen?
Acute stress gaat subcorticaal (dierenbrein) brein gaat heel snel in actie schieten à fight-flight
reactie. Eens de stressor voorbij is komen we terug tot rust dankzij de prefrontale cortex.
De prefrontale cortex is de regulator van ons systeem en zorgt ervoor dat alles weer in balans komt
& dat de amygdala niet meer zo overgeactiveerd is.
Bij chronische stress kan de prefrontale cortex de controle niet herwinnen en zijn de subcorticale
regio’s overactief.
4
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
Wanneer we in contact komen met een stressor, en ons lichaam zich moet aanpassen à 2
belangrijke zaken:
• De reactie die zich situeert in de HPA-as, en leidt tot de secretie van cortisol in de bijnieren
• De rol van de prefrontale cortex: die is verantwoordelijk voor cognitieve controle,
emotieregulatie, en impulsbeheersing. De PFC reguleert ook de amygdala, die heel
belangrijk is bij angst en dreigingsdetectie. Dus er zijn connecties tussen de hogere,
corticale structuren, en de subcorticale structuren.
PFC Amygdala
Acute stress PFC (cortico) & hippocampus (subcortico) Amygdala activatie stimuleert
bevatten ook glucocorticoïdreceptoren hypothalamus en activeert zo
(net zoals hypothalamus) à signaleren aan stressrespons
de hypothalamus om negatieve feedback
te ondersteunen
Chronische Langdurige cortisol overspoelt de PFC (en Amygdala vrij spel à
stress hippocampus), die verliest controle, hyperactivatie HPA
negatieve feedbackloop verzwakt
Bij langdurige blootstelling aan cortisol heb je een verlies aan synapsen en neurale connecties.
Locus coeruleus secreteert noradrenaline: belangrijk voor arousal, aandacht. Deel van het PNS.
Wordt geactiveerd door de hypothalamus. Wordt door de negatieve feedbackloop en cortisol
geremd.
Als je binnen de window zit ben je goed gereguleerd en functioneer je optimaal.
• Zowel fysiologisch als emotioneel
Als de prefrontale cortex te weinig controle heeft zit je in hypo- of hyperarousal.
• Hyper- en hypoarousal = subcorticale activiteit is verhoogd. Hypo vaak na een lange periode
van stress, extreme vagale activatie.
Chronische stress beschadigt de PFC waardoor window verkleint en je hier sneller buiten stapt.
5
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
2.3 NEUROVISCERALE INTEGRATIE
Connectie tussen centraal en autonoom zenuwstelsel.
HPA-as start vanuit hypothalamus. In hersenstam zit de nervus vagus.
Prefrontale cortex speelt belangrijke rol in de regulatie van dit systeem.
De corticale routes zijn niet de enige belangrijke routes, we doen niet alles beredeneerd en bewust.
• Subcorticale processen beïnvloeden de corticale processen en de corticale
informatieverwerking.
We moeten daarom het systeem zien als een dynamisch systeem à continue feedback tussen
subcorticaal-corticaal & autonoom ZS-centraal ZS.
• Zowel bottom-up als top-down
• Wisselen informatie uit met elkaar, geïntegreerd geheeld
HR en BR: belangrijke onderdelen autonoom ZS
2.4 EN HET CNS?
Cognitive neuroscience of human social behaviour (Adolphs, 2003):
• Subcorticale structuren veel meer aan het werk dan voordien gedacht: ze ondersteunen
corticale functies
• Subcorticale routes werken als precursor voor het vastleggen van de corticale regio’s in het
volwassen sociale brein
e.g., subcortical face processing (Johnson, 2005)
• Baby’s aangetrokken tot gezichten à evolutionair meegesleurd in
sociale interacties
o Nodig om sociale brein te ontwikkelen
o Wel de juiste factoren nodig om zo goed mogelijk tot uiting te komen
• Volwassenen: subcorticale processen ondersteunen het corticale functioneren (vb.
stimuleert of inhibeert de cortex om verder oordeel te vellen)
6
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
• Subcortical face processing = e.g., emotionele expressie (amygdala)
o Basis-emoties waarnemen
• Cortical face processing = e.g., identificatie (FFA), intenties interpreteren (PFC)
BV. gesprek voeren met of zonder oogcontact is veel geïntegreerder (oogcontact is iets subcortico-
gestuurd en drijft corticale)
De ontogenese (ontwikkeling van het individu) volgt de fylogenese (evolutionaire ontwikkeling
van de soort)
• Eerst subcorticale nodig om corticale te ontwikkelen
2.5 THE SOCIAL BRAIN
Social brain hypothesis (Dunbar, 1998)
• Onze evolutionaire kracht als mens
o Een baby is zeer sterk aangetrokken door gezichten maar ook door aanraking.
§ Adaptief, je wordt meegesleurd in sociale connecties
• Hechting
• Belang van zintuigen
“Vroege interacties dienen als basis voor het verankeren van onze ontogenetische wortels van
gehechtheid door verbindingen te creëren tussen ons subcorticaal en corticaal prefrontaal
brein” (Van Puyvelde, 2018)
• In rust is ons sociale brein network by default actief: predispositie tot interpretatie van de
wereld als sociaal
• We are meant to be social, it’s in our nature
Neuroviscerale integratie & social brain
Subcortico Cortico
• Amygdala (emoties) • FFA (identificatie gezichten)
• Hypothalamus (HPA, oxytocine, • pSTS (oogcontact, lichaamstaal, intenties
vasopressine) herkennen)
• Striatum (beloning) • ACC (integratie van cognitive, emotie,
autonoom reguleren; balans in autonoom
functioneren, sociale cognitie)
• Insula (integratie maken van subcortical &
cortical; koppelen van cognitie, emotie,
en autonome regulatie, interoceptie)
• mPFC (ToM)
Gezonde neuroviscerale integratie = flexibele sociale interacties, goede emotieregulatie
Disfunctioneel = verminderde PFC-regulatie, minder sociale connecties (bv. depressie, stress)
7
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
2.6 PSYCHOFYSIOLOGISCHE REGULATIE
“The capability of our human body to respond in a flexible manner towards environmental
challenges” (Thayer & Lane, 2000, 2009)
Autonomic flexibility (Friedman, 2007) à resilience
• Flexibel parasympathische en sympathische activatie reguleren afhankelijk van wat de
omgeving van ons vraagt. Het makkelijk kunnen switchen tussen de twee.
• Biomarker van gezond psychofysiologisch functioneren
• Probleem bij veel ziektebeelden (vb. angst, PTSD, depressie, etc.)
Vaardigheid die zich ontwikkelt
Meting/operationalisatie? = HRV (heart rythm variability)
= regelmatige onregelmatigheid in de hartslag
Gaat over de afstand tussen de R-pieken (RR-interval) in het QRS-complex van de hartslag
• RR interval = de afstand tussen de R pieken
HRV = weergave van de top-down regulatie van de PFC (via de nervus vagus) + autonome regulatie
• Sterke HRV = verhoogde vagale/parasympatische controle (aka. parasympathische tonus) =
betere psychofysiologische regulatie (cognitief, emotioneel geïntegreerd en flexibel
functioneren)
• Zwakke HRV = verminderde vagale/parasympatische controle = verhoogde
stressgevoeligheid, minder flexibel autonoom functioneren
RSA (Respiratory Sinus Arhythmia)
= subtype van HRV
• Vertraging bij uitademing, verhoging bij inademen
o Inademen = druk in borstkas gaat dalen want volume wordt groter waardoor er
meer bloed naar hart kan stromen
o Uitademen = druk in borstkas gaat stijgen want volume wordt kleiner waardoor er
minder bloed naar hart kan stromen
• Variatie in hartslag is gekoppeld aan ademhaling, want
• Hart en longen zijn functioneel + mechanisch + anatomisch gekoppeld
o Ademhaling is bottom-up, bewuste toegangspoort tot autonoom ZS
8
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
Ademhalingsfrequentie (fR) + RR-interval (RRI) – afgeleid uit ECG = RSA
Nervus vagus werkt snel (rem loslaten is sneller dan gaspedaal induwen)
• Inademing: vagus los, HR omhoog
• Uitademing: vagus activeert, HR omlaag
RSA = Directe maat voor vagale controle over het hart, want de variatie in de hartslag tijdens
in- en uitademing wordt vrijwel volledig gestuurd door de nervus vagus
HRV vs. RSA:
• HRV is een weergave van algemene autonome flexibiliteit, geeft balans tussen
sympathische en parasympathische activiteit weer
• RSA is een specifieke meting van parasympatische/vagale controle over het hart
• RSA zegt iets over de ademhalings gerelateerde vagale modulatie van de hartslag
• RSA = een directe en zuivere maat voor parasympathische regulatie ó HRV
RRI omhoog = tragere hartslag = inademing
9
, Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
2.7 ONTWIKKELING
Psychofysiologische regulatie = een vaardigheid die je moet leren
The stress of being born (Lagercrantz & Slotkin, 1986)
• Kind geboren met hele hoge sympathische activiteit, prefrontale cortex niet ontwikkeld
• Subcorticale systemen nemen de overhand
• Geen zelfregulatie skills
• Intuïtieve close-keeping behaviors
o Bv: wenen om ouders nabij te houden
• “Parental nest”
o Bv: stem, aanraking, temperatuur ouders
• “parasympathetic coat” à ouders zijn perfect regulatiesysteem van kinderen
Synchrony: er is een match tussen de signalisatie van het kind en de reactie van de ouders
• Gaat gepaard met gevoel van veiligheid en co-regulatie
ANS: Stijging in RSA tijdens het eerste jaar van het leven
CNS: Connectiviteit Amygdala-PFC begint te ontwikkelen vanaf 8-9 jaar
• PFC rijpt pas in de late adolescentie: In the beginning of life, the caregiver relationship fills
in this gap, when the PFC is not yet so developed
• Verlengde periode van plasticiteit is adaptief om geleidelijk emotionele en sociale
vaardigheden te ontwikkelen; doorheen spel en exploratie de sociale en emotionele wereld
leren kennen
• Ainsworth (1969): initial dependence gives rise to independence
Goede balans ontwikkelt tussen amygdala-reactiviteit en PFC-controle ó Stress acceleration
hypothesis (Callaghan & Tottenham, 2016)
• Te snel volwassen brein als overlevingsstrategie (“vroegtijdige puberteit”) – emotional
regulation in parental absence
• Plasticiteitsperiode wordt ingekort! Impact op emotieregulatie in volwassenheid (anxiety)
• Minder spontane exploratie en spel, meer piekering, rigide denkpatronen, minder
veerkrachtig en flexibel
• Kleine WOT (~ flexibiliteit)
10
KLINISCH BIOLOGISCHE PSYCHOLOGIE
1e master psychologie
1
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
INHOUDSOPGAVE
HOOFDSTUK 1: PSYCHOFYSIOLOGISCHE REGULATIE & DE HUID ALS SOCIAAL ORGAAN ............ 3
1 Inleiding ...................................................................................................................................... 3
2 Psychofysiologische zelfregulatie .............................................................................................. 3
3 Touch........................................................................................................................................12
HOOFDSTUK 2: EETSTOORNISSEN ............................................................................................ 19
1 Eetprobleem ............................................................................................................................19
2 Eetstoornissen .........................................................................................................................19
3 Neurobiologische mechanismen .............................................................................................23
4 Behandeling .............................................................................................................................28
HOOFDSTUK 3: NEUROBIOLOGIE VAN AUTISME EN ADHD ...................................................... 29
1 Niet observeerbaar ..................................................................................................................29
2 Observeerbaar .........................................................................................................................46
HOOFDSTUK 4: DE ZIEKTE VAN PARKINSON & GERELATEERDE STOORNISSEN ......................... 47
1 Hersengebieden & functies .....................................................................................................47
2 De ziekte van Parkinson ...........................................................................................................49
3 Gerelateerde stoornissen ........................................................................................................58
4 Rol van de psycholoog .............................................................................................................63
5 Cognitieve revalidatie ..............................................................................................................65
HOOFDSTUK 5: NON-INVASIEVE HERSENSTIMULATIE EN KLINISCHE TOEPASSINGEN .............. 67
1 Inleiding ....................................................................................................................................67
2 Non-invasieve hersenstimulatietechnieken (NIBS) & toepassingen ......................................69
3 Toekomstige technieken/methoden .......................................................................................72
4 NIBS in onderzoek ....................................................................................................................74
5 Demonstraties..........................................................................................................................88
HOOFDSTUK 6: DEPRESSIEVE STOORNIS .................................................................................. 89
1 Biologische factoren ................................................................................................................89
2 Cognitieve factoren: een negatieve briL .................................................................................96
2
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
HOOFDSTUK 1: PSYCHOFYSIOLOGISCHE REGULATIE & DE HUID ALS SOCIAAL
ORGAAN
1 INLEIDING
Touch & psychofysiologische zelfregulatie zijn heel belangrijk voor het psychisch functioneren
Verschillende invalshoeken
• Psychofysiologie
• Evolutionair perspectief
• Ontwikkelingspsychologie
• Sociale psychologie/systemisch perspectief
Neuroviscerale integratie modellen leggen de verbinding tussen centraal en autonoom
zenuwstelsel
2 PSYCHOFYSIOLOGISCHE ZELFREGULATIE
2.1 HET BELANG VAN HET ANS IN DE PSYCHOFYSIOLOGIE
• ANS = link tussen psychologie & fysiologie
• ANS = aanpassingsmechanisme aan onze veranderende omgeving
• Integratieve fysiologie ipv hyperspecialisatie à geen afzonderlijke beschrijving van hart en
ademhaling, SNS & PZS, cortico & subcortico, …
• Verband tussen CNS & ANS belangrijker dan voorheen gedacht
CNS = hersenen & ruggenmerg
Perifeer NS = autonoom & somatosensorisch
• De best bestudeerde functie van het ANS = de stress-respons
• De beschrijving van de stress-respons leert ons veel over het functioneren van het ANS
Homeostase (stabiliteit door gelijkheid, terugkeren naar vast evenwicht)
• Bv: ik heb het heel warm à ik ga zweten à zweet droogt op en reguleert de temperatuur
versus
3
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
Allostase (stabiliteit door verandering, flexibel aanpassen aan veranderende omstandigheden)
• Niet per se teruggaan naar diezelfde baseline
• Bv: bij presentatie geven ben je alerter en gerichter
Stress laat ons toe ons aan te passen aan veranderende omstandigheden
• Stressor: elke factor die de allostatische balans verstoort (en vereist dan aanpassing!): de
metabole vereisten van het lichaam veranderen, er moet een nieuw evenwicht gevonden
worden (vb. ademhaling versnelt, zweten).
Belang van dynamische regulatie
• Bv: hartslag past zich aan aan de metabole vereisten van je lichaam (anders in rust dan
tijdens het lopen)
• In psychologie: Om goed psychisch te functioneren moet je ook flexibel kunnen zijn.
Wanneer je reacties verstarren en rigide worden (angst, depressie), kan dit leiden tot een
pathologie.
• Het gaat dus over zowel zelfregulatie (ANS) als adaptief gedrag (psychologie).
Emotieregulatie
à Acute vs. Chronische stress
2.2 DE STRESSRESPONS
Hoe reageert ons lichaam om aan de veranderende eisen van de omgeving te voldoen?
Acute stress gaat subcorticaal (dierenbrein) brein gaat heel snel in actie schieten à fight-flight
reactie. Eens de stressor voorbij is komen we terug tot rust dankzij de prefrontale cortex.
De prefrontale cortex is de regulator van ons systeem en zorgt ervoor dat alles weer in balans komt
& dat de amygdala niet meer zo overgeactiveerd is.
Bij chronische stress kan de prefrontale cortex de controle niet herwinnen en zijn de subcorticale
regio’s overactief.
4
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
Wanneer we in contact komen met een stressor, en ons lichaam zich moet aanpassen à 2
belangrijke zaken:
• De reactie die zich situeert in de HPA-as, en leidt tot de secretie van cortisol in de bijnieren
• De rol van de prefrontale cortex: die is verantwoordelijk voor cognitieve controle,
emotieregulatie, en impulsbeheersing. De PFC reguleert ook de amygdala, die heel
belangrijk is bij angst en dreigingsdetectie. Dus er zijn connecties tussen de hogere,
corticale structuren, en de subcorticale structuren.
PFC Amygdala
Acute stress PFC (cortico) & hippocampus (subcortico) Amygdala activatie stimuleert
bevatten ook glucocorticoïdreceptoren hypothalamus en activeert zo
(net zoals hypothalamus) à signaleren aan stressrespons
de hypothalamus om negatieve feedback
te ondersteunen
Chronische Langdurige cortisol overspoelt de PFC (en Amygdala vrij spel à
stress hippocampus), die verliest controle, hyperactivatie HPA
negatieve feedbackloop verzwakt
Bij langdurige blootstelling aan cortisol heb je een verlies aan synapsen en neurale connecties.
Locus coeruleus secreteert noradrenaline: belangrijk voor arousal, aandacht. Deel van het PNS.
Wordt geactiveerd door de hypothalamus. Wordt door de negatieve feedbackloop en cortisol
geremd.
Als je binnen de window zit ben je goed gereguleerd en functioneer je optimaal.
• Zowel fysiologisch als emotioneel
Als de prefrontale cortex te weinig controle heeft zit je in hypo- of hyperarousal.
• Hyper- en hypoarousal = subcorticale activiteit is verhoogd. Hypo vaak na een lange periode
van stress, extreme vagale activatie.
Chronische stress beschadigt de PFC waardoor window verkleint en je hier sneller buiten stapt.
5
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
2.3 NEUROVISCERALE INTEGRATIE
Connectie tussen centraal en autonoom zenuwstelsel.
HPA-as start vanuit hypothalamus. In hersenstam zit de nervus vagus.
Prefrontale cortex speelt belangrijke rol in de regulatie van dit systeem.
De corticale routes zijn niet de enige belangrijke routes, we doen niet alles beredeneerd en bewust.
• Subcorticale processen beïnvloeden de corticale processen en de corticale
informatieverwerking.
We moeten daarom het systeem zien als een dynamisch systeem à continue feedback tussen
subcorticaal-corticaal & autonoom ZS-centraal ZS.
• Zowel bottom-up als top-down
• Wisselen informatie uit met elkaar, geïntegreerd geheeld
HR en BR: belangrijke onderdelen autonoom ZS
2.4 EN HET CNS?
Cognitive neuroscience of human social behaviour (Adolphs, 2003):
• Subcorticale structuren veel meer aan het werk dan voordien gedacht: ze ondersteunen
corticale functies
• Subcorticale routes werken als precursor voor het vastleggen van de corticale regio’s in het
volwassen sociale brein
e.g., subcortical face processing (Johnson, 2005)
• Baby’s aangetrokken tot gezichten à evolutionair meegesleurd in
sociale interacties
o Nodig om sociale brein te ontwikkelen
o Wel de juiste factoren nodig om zo goed mogelijk tot uiting te komen
• Volwassenen: subcorticale processen ondersteunen het corticale functioneren (vb.
stimuleert of inhibeert de cortex om verder oordeel te vellen)
6
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
• Subcortical face processing = e.g., emotionele expressie (amygdala)
o Basis-emoties waarnemen
• Cortical face processing = e.g., identificatie (FFA), intenties interpreteren (PFC)
BV. gesprek voeren met of zonder oogcontact is veel geïntegreerder (oogcontact is iets subcortico-
gestuurd en drijft corticale)
De ontogenese (ontwikkeling van het individu) volgt de fylogenese (evolutionaire ontwikkeling
van de soort)
• Eerst subcorticale nodig om corticale te ontwikkelen
2.5 THE SOCIAL BRAIN
Social brain hypothesis (Dunbar, 1998)
• Onze evolutionaire kracht als mens
o Een baby is zeer sterk aangetrokken door gezichten maar ook door aanraking.
§ Adaptief, je wordt meegesleurd in sociale connecties
• Hechting
• Belang van zintuigen
“Vroege interacties dienen als basis voor het verankeren van onze ontogenetische wortels van
gehechtheid door verbindingen te creëren tussen ons subcorticaal en corticaal prefrontaal
brein” (Van Puyvelde, 2018)
• In rust is ons sociale brein network by default actief: predispositie tot interpretatie van de
wereld als sociaal
• We are meant to be social, it’s in our nature
Neuroviscerale integratie & social brain
Subcortico Cortico
• Amygdala (emoties) • FFA (identificatie gezichten)
• Hypothalamus (HPA, oxytocine, • pSTS (oogcontact, lichaamstaal, intenties
vasopressine) herkennen)
• Striatum (beloning) • ACC (integratie van cognitive, emotie,
autonoom reguleren; balans in autonoom
functioneren, sociale cognitie)
• Insula (integratie maken van subcortical &
cortical; koppelen van cognitie, emotie,
en autonome regulatie, interoceptie)
• mPFC (ToM)
Gezonde neuroviscerale integratie = flexibele sociale interacties, goede emotieregulatie
Disfunctioneel = verminderde PFC-regulatie, minder sociale connecties (bv. depressie, stress)
7
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
2.6 PSYCHOFYSIOLOGISCHE REGULATIE
“The capability of our human body to respond in a flexible manner towards environmental
challenges” (Thayer & Lane, 2000, 2009)
Autonomic flexibility (Friedman, 2007) à resilience
• Flexibel parasympathische en sympathische activatie reguleren afhankelijk van wat de
omgeving van ons vraagt. Het makkelijk kunnen switchen tussen de twee.
• Biomarker van gezond psychofysiologisch functioneren
• Probleem bij veel ziektebeelden (vb. angst, PTSD, depressie, etc.)
Vaardigheid die zich ontwikkelt
Meting/operationalisatie? = HRV (heart rythm variability)
= regelmatige onregelmatigheid in de hartslag
Gaat over de afstand tussen de R-pieken (RR-interval) in het QRS-complex van de hartslag
• RR interval = de afstand tussen de R pieken
HRV = weergave van de top-down regulatie van de PFC (via de nervus vagus) + autonome regulatie
• Sterke HRV = verhoogde vagale/parasympatische controle (aka. parasympathische tonus) =
betere psychofysiologische regulatie (cognitief, emotioneel geïntegreerd en flexibel
functioneren)
• Zwakke HRV = verminderde vagale/parasympatische controle = verhoogde
stressgevoeligheid, minder flexibel autonoom functioneren
RSA (Respiratory Sinus Arhythmia)
= subtype van HRV
• Vertraging bij uitademing, verhoging bij inademen
o Inademen = druk in borstkas gaat dalen want volume wordt groter waardoor er
meer bloed naar hart kan stromen
o Uitademen = druk in borstkas gaat stijgen want volume wordt kleiner waardoor er
minder bloed naar hart kan stromen
• Variatie in hartslag is gekoppeld aan ademhaling, want
• Hart en longen zijn functioneel + mechanisch + anatomisch gekoppeld
o Ademhaling is bottom-up, bewuste toegangspoort tot autonoom ZS
8
,Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
Ademhalingsfrequentie (fR) + RR-interval (RRI) – afgeleid uit ECG = RSA
Nervus vagus werkt snel (rem loslaten is sneller dan gaspedaal induwen)
• Inademing: vagus los, HR omhoog
• Uitademing: vagus activeert, HR omlaag
RSA = Directe maat voor vagale controle over het hart, want de variatie in de hartslag tijdens
in- en uitademing wordt vrijwel volledig gestuurd door de nervus vagus
HRV vs. RSA:
• HRV is een weergave van algemene autonome flexibiliteit, geeft balans tussen
sympathische en parasympathische activiteit weer
• RSA is een specifieke meting van parasympatische/vagale controle over het hart
• RSA zegt iets over de ademhalings gerelateerde vagale modulatie van de hartslag
• RSA = een directe en zuivere maat voor parasympathische regulatie ó HRV
RRI omhoog = tragere hartslag = inademing
9
, Gebaseerd op de powerpoints en lessen van Prof. Deroost, Baetens,…
2.7 ONTWIKKELING
Psychofysiologische regulatie = een vaardigheid die je moet leren
The stress of being born (Lagercrantz & Slotkin, 1986)
• Kind geboren met hele hoge sympathische activiteit, prefrontale cortex niet ontwikkeld
• Subcorticale systemen nemen de overhand
• Geen zelfregulatie skills
• Intuïtieve close-keeping behaviors
o Bv: wenen om ouders nabij te houden
• “Parental nest”
o Bv: stem, aanraking, temperatuur ouders
• “parasympathetic coat” à ouders zijn perfect regulatiesysteem van kinderen
Synchrony: er is een match tussen de signalisatie van het kind en de reactie van de ouders
• Gaat gepaard met gevoel van veiligheid en co-regulatie
ANS: Stijging in RSA tijdens het eerste jaar van het leven
CNS: Connectiviteit Amygdala-PFC begint te ontwikkelen vanaf 8-9 jaar
• PFC rijpt pas in de late adolescentie: In the beginning of life, the caregiver relationship fills
in this gap, when the PFC is not yet so developed
• Verlengde periode van plasticiteit is adaptief om geleidelijk emotionele en sociale
vaardigheden te ontwikkelen; doorheen spel en exploratie de sociale en emotionele wereld
leren kennen
• Ainsworth (1969): initial dependence gives rise to independence
Goede balans ontwikkelt tussen amygdala-reactiviteit en PFC-controle ó Stress acceleration
hypothesis (Callaghan & Tottenham, 2016)
• Te snel volwassen brein als overlevingsstrategie (“vroegtijdige puberteit”) – emotional
regulation in parental absence
• Plasticiteitsperiode wordt ingekort! Impact op emotieregulatie in volwassenheid (anxiety)
• Minder spontane exploratie en spel, meer piekering, rigide denkpatronen, minder
veerkrachtig en flexibel
• Kleine WOT (~ flexibiliteit)
10