VLOEIEND – SCHRIJVEN
DEEL 1: DE PSYCHOMOTIRSCHE VOORWAARDEN
1. WAT IS SCHRIJVEN?
1.1 SCHRIJVEN EN LEZEN IN HET ONDERWIJS
= Door middel van schrift kan je een boodschap vastleggen en teksten kan
schrijven
Schematische
weergave van het
schrijfproces
volgens
Berninger:
Geletterdheid = het kunnen lezen en schrijven
Ontluikende geletterdheid = wanneer de geschreven taal voor een eerste
keer een rol speelt
Beginnende geletterdheid = ontwikkelt wanneer er een verband ontstaat
tussen geschreven & gesproken taal
Leren lezen en leren schrijven gaan hand in hand:
Een bepaalde klank wordt vertaald naar een bepaald letterbeeld en de
motorische activiteit
De mondmotoriek om te verklanken, de handmotoriek om te schrijven
! Hoe meer varianten van letters er aangeboden worden, hoe beter de
leesontwikkeling
1.2 SCHRIJFBEKWAAMHEID
! De ontwikkeling van het kind is een fundamenteel vertrekpunt in het
schrijfonderwijs
Aantal algemene schrijfvoorwaarden:
Motivatie
Volgehouden aandacht; complexe motorische vaardigheden vereisen veel
aandacht
, Taalbeheersing voor verwerking van instructies ‘schrijf 3x dezelfde letter’
Klank- en symboolkoppeling
Geometrische figuren kunnen kopiëren: horizontale & verticale lijnen
Motorische programma’s opslaan in het geheugen & weer oproepen
Voldoende ontwikkelde executieve functies zoals plannen & organiseren…
Ontwikkeling van visueel geheugen/visuele voorstelling: onthouden hoe de
letter eruitziet
2. DE PSYCHOMOTIRSCHE VOORWAARDEN
2.1 INLEIDING
Schrijven is een samenspel van oogbewegingen, handigheid, spierbeheersing,
visuele geheugen, lateraliteit, gevoel voor ritme, ruimtelijke oriëntatie,
fijnmotorische vaardigheden…
Wat moet je allemaal kunnen:
Hoofd recht en stilhouden, mooi stil en rechtop zitten
In stilte tegen jezelf zeggen wat je moet schrijven
Arm laten steunen op de tafel, steunhand houdt het blad vast
Concrete pengreep en pendruk
Schrijfhand beweegt: enkel de vingers van de pengreep trekken en duwen
…
Voorwaarden die bijdragen aan het ongestoord ontplooien van het schrijfproces:
Het lichaam moet in staat zijn rustig te zitten, mooi rechtop & met
ontspannen ledenmaten
Moet zijn ogen afwisselend snel & langzaam kunnen focussen op
verschillende afstanden
De ogen moeten een rechte horizontale/verticale lijn kunnen volgen zonder
te verspringen
Moet vloeiend kunnen bewegen, met vingers en pols kleine bewegingen
maken terwijl de onderarm ontspant
In de hersenen moeten nieuwe vormen, bewegingen & zintuiglijke
impressies verwerkt & omgezet worden
De tastzin moet ontwikkeld zijn om de druk vd pen op het papier te
regelen & om de juiste pengreep te ontwikkelen
2.2 HET EI-SCHEMA
, 3 belangrijke dingen die je moet weten bij het schema:
1. Het is dynamisch: altijd in beweging & ontwikkeling
2. Je leest van onder naar boven: van een stabiele goede basis van bij de
reflexen, om bovenaan te eindigen bij de ‘schoolse vaardigheden’. Je
doorloopt het echter elks in een eigen volgorde
3. Het is geen ‘als-dan’ schema: Het is niet zo dat je iets vanboven niet gaat
kunnen als je iets onderaan niet kan, maar hoe meer aspecten moeilijk
verlopen, hoe lastiger het wordt om de aspecten bovenaan te tonen
2.3 DUIDING VD PYSCHOMOTORISCHE VOORWAARDEN TOEGEPAST OP
SCHRIJVEN
! Om te kunnen schrijven is het aangewezen dat er verschillende aspecten van
het ‘dynamisch ei-schema’ zijn ontwikkeld, of aan het ontwikkelen zijn.
Reflexen Sommige zijn essentieel om te leren schrijven (grijpreflex
potlood nemen)
Evenwicht Een kind met een zwakker evenwicht, heeft vaak een minder
goed uithoudingsvermogen in de kleine spiertjes die de romp
rechtop houden
Tastzin De vingers moeten het potlood vastnemen met een correcte
pengreep met voldoende druk (niet te veel druk op de
vingers/potlood)
Gehoor Je hoort/begrijpt de bewegingen die de lkr benoemt bij het
aanleren van een letter & kan wat je hoort omzetten in een
beweging
Proprioceptie De zintuigen vangen de prikkels op van onze
houding/beweging & sturen deze naar de hersenen.
Zicht Goede ogen nodig om de vorm & de volgorde van letters in
woorden te onderscheiden
Lichaamssche Kind moet eigen lichaam kennen + lichaamsdelen kunnen
ma aanduiden
Ruimtepercep Om zich goed in de ruimte te kunnen bewegen moet het kind
tie begrippen kennen zoals ‘boven, onder, voor, links…’ + het
moet een ruimtelijk organisatievermogen hebben:
hellingshoek, bladligging…
Tijdsperceptie Gevoel voor ritme: sommige lussen gaan snel, andere
moeten afgeremd worden
Grove Schrijf- en zithouding, evenwicht, soepele gewrichten...
motoriek
Coördinatie Het hele lichaam moet gecoördineerd bewegen of net niet
bewegen. Alleen je schrijfhand beweegt & af en toe je
onderarm
Middellijn Om aan de linkerkant van je blad te beginnen, moet je met je
kruisen rechterhand je lichaamsmiddellijn kunnen kruisen
Directionalitei Richtingsgevoel & richtingsbewustzijn bij het uitvoeren van
t bewegingen
Lateralisatie Ontwikkelen van een voorkeurshand & steunhand die
DEEL 1: DE PSYCHOMOTIRSCHE VOORWAARDEN
1. WAT IS SCHRIJVEN?
1.1 SCHRIJVEN EN LEZEN IN HET ONDERWIJS
= Door middel van schrift kan je een boodschap vastleggen en teksten kan
schrijven
Schematische
weergave van het
schrijfproces
volgens
Berninger:
Geletterdheid = het kunnen lezen en schrijven
Ontluikende geletterdheid = wanneer de geschreven taal voor een eerste
keer een rol speelt
Beginnende geletterdheid = ontwikkelt wanneer er een verband ontstaat
tussen geschreven & gesproken taal
Leren lezen en leren schrijven gaan hand in hand:
Een bepaalde klank wordt vertaald naar een bepaald letterbeeld en de
motorische activiteit
De mondmotoriek om te verklanken, de handmotoriek om te schrijven
! Hoe meer varianten van letters er aangeboden worden, hoe beter de
leesontwikkeling
1.2 SCHRIJFBEKWAAMHEID
! De ontwikkeling van het kind is een fundamenteel vertrekpunt in het
schrijfonderwijs
Aantal algemene schrijfvoorwaarden:
Motivatie
Volgehouden aandacht; complexe motorische vaardigheden vereisen veel
aandacht
, Taalbeheersing voor verwerking van instructies ‘schrijf 3x dezelfde letter’
Klank- en symboolkoppeling
Geometrische figuren kunnen kopiëren: horizontale & verticale lijnen
Motorische programma’s opslaan in het geheugen & weer oproepen
Voldoende ontwikkelde executieve functies zoals plannen & organiseren…
Ontwikkeling van visueel geheugen/visuele voorstelling: onthouden hoe de
letter eruitziet
2. DE PSYCHOMOTIRSCHE VOORWAARDEN
2.1 INLEIDING
Schrijven is een samenspel van oogbewegingen, handigheid, spierbeheersing,
visuele geheugen, lateraliteit, gevoel voor ritme, ruimtelijke oriëntatie,
fijnmotorische vaardigheden…
Wat moet je allemaal kunnen:
Hoofd recht en stilhouden, mooi stil en rechtop zitten
In stilte tegen jezelf zeggen wat je moet schrijven
Arm laten steunen op de tafel, steunhand houdt het blad vast
Concrete pengreep en pendruk
Schrijfhand beweegt: enkel de vingers van de pengreep trekken en duwen
…
Voorwaarden die bijdragen aan het ongestoord ontplooien van het schrijfproces:
Het lichaam moet in staat zijn rustig te zitten, mooi rechtop & met
ontspannen ledenmaten
Moet zijn ogen afwisselend snel & langzaam kunnen focussen op
verschillende afstanden
De ogen moeten een rechte horizontale/verticale lijn kunnen volgen zonder
te verspringen
Moet vloeiend kunnen bewegen, met vingers en pols kleine bewegingen
maken terwijl de onderarm ontspant
In de hersenen moeten nieuwe vormen, bewegingen & zintuiglijke
impressies verwerkt & omgezet worden
De tastzin moet ontwikkeld zijn om de druk vd pen op het papier te
regelen & om de juiste pengreep te ontwikkelen
2.2 HET EI-SCHEMA
, 3 belangrijke dingen die je moet weten bij het schema:
1. Het is dynamisch: altijd in beweging & ontwikkeling
2. Je leest van onder naar boven: van een stabiele goede basis van bij de
reflexen, om bovenaan te eindigen bij de ‘schoolse vaardigheden’. Je
doorloopt het echter elks in een eigen volgorde
3. Het is geen ‘als-dan’ schema: Het is niet zo dat je iets vanboven niet gaat
kunnen als je iets onderaan niet kan, maar hoe meer aspecten moeilijk
verlopen, hoe lastiger het wordt om de aspecten bovenaan te tonen
2.3 DUIDING VD PYSCHOMOTORISCHE VOORWAARDEN TOEGEPAST OP
SCHRIJVEN
! Om te kunnen schrijven is het aangewezen dat er verschillende aspecten van
het ‘dynamisch ei-schema’ zijn ontwikkeld, of aan het ontwikkelen zijn.
Reflexen Sommige zijn essentieel om te leren schrijven (grijpreflex
potlood nemen)
Evenwicht Een kind met een zwakker evenwicht, heeft vaak een minder
goed uithoudingsvermogen in de kleine spiertjes die de romp
rechtop houden
Tastzin De vingers moeten het potlood vastnemen met een correcte
pengreep met voldoende druk (niet te veel druk op de
vingers/potlood)
Gehoor Je hoort/begrijpt de bewegingen die de lkr benoemt bij het
aanleren van een letter & kan wat je hoort omzetten in een
beweging
Proprioceptie De zintuigen vangen de prikkels op van onze
houding/beweging & sturen deze naar de hersenen.
Zicht Goede ogen nodig om de vorm & de volgorde van letters in
woorden te onderscheiden
Lichaamssche Kind moet eigen lichaam kennen + lichaamsdelen kunnen
ma aanduiden
Ruimtepercep Om zich goed in de ruimte te kunnen bewegen moet het kind
tie begrippen kennen zoals ‘boven, onder, voor, links…’ + het
moet een ruimtelijk organisatievermogen hebben:
hellingshoek, bladligging…
Tijdsperceptie Gevoel voor ritme: sommige lussen gaan snel, andere
moeten afgeremd worden
Grove Schrijf- en zithouding, evenwicht, soepele gewrichten...
motoriek
Coördinatie Het hele lichaam moet gecoördineerd bewegen of net niet
bewegen. Alleen je schrijfhand beweegt & af en toe je
onderarm
Middellijn Om aan de linkerkant van je blad te beginnen, moet je met je
kruisen rechterhand je lichaamsmiddellijn kunnen kruisen
Directionalitei Richtingsgevoel & richtingsbewustzijn bij het uitvoeren van
t bewegingen
Lateralisatie Ontwikkelen van een voorkeurshand & steunhand die