1.1 Inleiding
De productiviteit paradox (Erik Brynjolfsson): hoewel bedrijven enorme sommen investeren in
informatiesystemen, zie je dat niet weerspiegeld in hun productiviteitscijfers.
à Tegenargumenten:
• Opbrengsten uit informatiesystemen worden gecompenseerd door verliezen in andere
sectoren.
.
• Elke organisatie is opzoek om hun processen (het produceren van een goed, het marketen
van een goed,…) te verbeteren. Wanneer men tot de grens komt om dit te verbeteren, komt
technologie te pas.
à In tegenstelling tot de productiviteit paradox is IT dus wel van
economisch belang:
- Economisch belangrijk: verschuiving detailhandel → webwinkels, sociale media, …
- Nieuwe opportuniteiten: nieuwe platformen creëren
- Oplossingen voor bedrijfsproblemen: Bv: RFID-chip i.p.v. barcode → geen rijen meer aan de kassa
- Maatschappelijke impact: Het gebruik van informatiesystemen kan soms heel onvoorspelbare
maatschappelijke gevolgen hebben. Bv: Waze dat zorgt voor verkeersproblemen zijn in wijken waar
ze niet voorzien zijn voor sluipverkeer.
1.2 Informatiesystemen
1. Data
= Een opeenvolging van vastgestelde situaties die zich hebben voortgedaan.
Eigenschappen:
• Data kan op verschillende manieren toegevoegd worden, gaande van sensoren tot manuele
invoering van gegevens. (Bv: sensoren, via toetsenbord…)
• Data kan op een hele grote schaal opgenomen worden door de systemen zelf. (Bv: big data)
• Data vormt de basis om informatie te creëren.
,2. Informatie
= Vloeit voort uit de data die verwerkt wordt of in een bepaalde context wordt geplaatst. Informatie
kan gezien worden als eindproduct terwijl data de ruwe grondstof is.
Eigenschappen:
• Informatie is veelal nodig om een bedrijf te kunnen besturen.
• Informatie is afleidbaar uit individueel vastgestelde indicatoren.
• Informatie is vertaalbaar door data te verwerken.
à De bedoeling van een informatiesysteem is zowel het opnemen en opslaan van data als het
verwerken van deze data tot inzetbare informatie.
Wat is de inzetbaarheid van de informatie?
Er zijn drie belangrijke indicatoren om de waarde van informatie af te meten:
1. Tijd - De waarde van informatie is tijdsgebonden: wat vandaag gezien wordt als
relevante informatie kan morgen al verouderd zijn.
- Wat vandaag misschien gezien wordt als informatie, kan misschien data
vormen voor nieuwe informatie voor op een later tijdstip.
2. Vorm - De vorm waarin informatie ter beschikking wordt gesteld, is belangrijk voor
het bepalen van de waarde van de informatie.
- Soms heeft en baat bij heel beknopte vormen
3. Inhoud - Volledig?
- Betrouwbaar?
- Correctheid?
1.3 Soorten informatiesystemen
3 Belangrijke categorieën:
• Operationeel ondersteunende systemen: dienen om operationele kant van de organisatie te
voorzien van informatie en te ondersteunen in haar dagelijkse werking.
• Management ondersteunende systemen: hebben als doel om het managementinformatie te
geven die helpt bij het nemen van bepaalde managementbeslissingen.
Bv: rapportteringssystemen
• Overkoepelende systemen: deze zijn bedrijf breed inzet baar; ze leveren informatie aan
zowel de operationele als aan de managementkant van een organisatie.
Bv: kennismanagement, expertsystemen, strategische informatiesystemen, …
,1.4 Onderdelen van een informatiesysteem
Input: alle ruwe data die nodig is om de
informatie te verkrijgen, worden via de input
in het systeem gebracht.
à Bv: toetsenbord, muis, sensor
Verwerking: het omzetten van ruwe data naar
informatie dat wordt gedaan door software.
Output: de informatie die uit het systeem
kunnen gehaald worden.
Opslag: de mogelijkheid om ruwe data en informatie op te slaan. Dit laat toe om op een later tijdstip
deze informatie op te vragen, en kan dan gebruikt worden als data om nieuwe informatie te
bekomen.
Terugkoppeling: soms komt een informatiesysteem in een situatie terecht waar het zelf niet mee om
kan en bijkomende informatie van de buitenwereld nodig heeft. Soms verwacht het
informatiesysteem dat er eerst een bepaalde handeling wordt uitgevoerd alvorens verder te kunnen
gaan.
1.5 Hulpbronnen van informatie
Elk informatiesysteem maakt gebruik van hulpbronnen. Die • Databeheer (banken)
hulpbronnen maken het mogelijk om het informatiesysteem • Informatiediensten
inzetbaar te maken. Bv: wifi netwerk op
school
Alle hulpbronnen samen vormen de IT-infrastructuur van een
• Besturingssysteem
organisatie. Het is belangrijk dat organisaties begrijpen in welke
• Standaarden
mate deze hulpbronnen een rol spelen bij het tot stand komen en
Bv: taal op website
uitbouwen van de bedrijfsstrategie.
Bv: samenvattingen in
Hardware kan bepalen welke data wordt ingezameld of waar data pdf.
en/of informatie beschikbaar is. Software bepaalt hoe data • Beveiliging
verwerkt wordt en hoe informatie ontstaat in een organisatie. • Mensen
Netwerken bepalen hoe toegankelijk informatie is.
,1.6 Externe factoren die mee vorm geven aan informatiesystemen
Vanuit het standpunt van een bedrijf zullen de stakeholders mee bepalen welke vorm het
informatiesysteem best kan aannemen. Ook andere factoren kunnen bepalend zijn voor de vorm van
een informatiesysteem. Soms worden beperkingen of verplichtingen opgelegd vanuit een wetgevend
kader.
Stakeholders:
• Klanten: verwachten mogelijks bepaalde vormen van dienstverlening van de
informatiesystemen of willen bepaalde informatie niet ter beschikking stellen aan een
informatiesysteem.
• Leveranciers: kunnen meebepalen in welke vorm informatie wordt voorgesteld, of mee een
rol spelen bij het bepalen van standaarden volgens dewelke informatie wordt uitgewisseld.
• Aandeelhouders: verwachten dat ze technologisch mee evolueren en dat ze tegemoetkomen
aan de wensen of noden van de klanten.
• Concurrenten: het kan dat een concurrent een informatiesysteem heeft dat beter
tegemoetkomt aan de eisen van de klanten binnen de markt, dan zal het informatiesysteem
van een ander bedrijf aangepast moeten worden zodat minstens aan diezelfde eisen voldaan
wordt.
• Financiële instellingen: kunnen bepalend zijn voor de vorm in informatiesystemen d.m.v.
standaarden op te leggen voor officiële rapporteringen.
• Personeel: levert dikwijls data aan voor dergelijke systemen, eindgebruikers zullen deze zo
correct mogelijk invoeren en de vorm van het informatiesysteem moet hen ondersteunen,
ook interpretatie kan afhankelijk zijn van de vorm van het systeem
• Vakbonden: kunnen proberen bekomen dat bepaalde informatie rond personeel niet
geregistreerd wordt of dat bepaalde informatie eenvoudiger geregistreerd wordt.
• Maatschappij: allerhande culturele of maatschappelijke
factoren kunnen mee de vorm bepalen.
• De overheid: kunnen een rol spelen bij het opleggen van
standaarden of bij het verplichten tot registreren of
rapporteren van informatie. Bedrijven dienen dus rekening te houden met het wetgevend
kader bij de ontwikkeling van informatiesystemen.
,1.7 Wie heeft nood aan informatie van organisaties
Informatiesystemen worden bedrijf breed ingezet. Ze leveren informatie aan alle lagen van de
bedrijfsvoering. De noden aan informatie zijn afhankelijk van de betrokkene:
• Klanten: CRM heeft als functie alle mogelijke informatie die de klant zou nodig hebben te
voorzien en probeert de relatie met de klant te bevorderen
• Personeel: informatiesystemen voor het personeel zijn bedoeld om de organisatie intern zo
goed mogelijk te laten functioneren
• Leveranciers: relatie tussen bedrijf en leverancier kan ondersteund worden door
informatiesystemen
• Partners: een bedrijf heeft verschillende partners nodig voor een geslaagde bedrijfsvoering
(bank, post, …), meestal zal informatie worden uitgewisseld om de samenwerking te
optimaliseren (PRM)
1.8 Inzetbaarheid van informatie
Transactie- Procesbesturings- Samenwerkings- Managementsystemen
verwerkende systemen systemen
systemen
Hebben als doel Hebben als doel om Systemen die de Hebben als doel de
transacties te processen te samenwerking helpen manager informatie te
registreren. besturen. bevorderen. geven, die hem
moeten helpen
beslissingen te nemen
bij zijn taken.
1.9 Verschil in informatiebehoeften
Afhankelijk van de positie binnen de structuur van het bedrijf waarin iemand zich bevindt, zal de
nood aan informatie anders zijn. Dit kan zowel verschillen in vorm, inhoud of beschikbaarheid. Bij het
opstellen van informatiesystemen in een organisatie dient men daarmee rekening te houden.
, - Topmanagement: hiervoor worden
systemen voorzien die organisatie breed
kunnen worden ingezet. Informatie uit de
hele organisatie staat ter beschikking. Ze zijn
vooral geïnteresseerd in een toekomstbeeld
en de informatie is meestal opgebouwd uit
zowel intern als extern verkregen data.
- Middenmanagement: meestal personen
die verantwoordelijk zijn voor specifieke
afdelingen. Deze informatie is dus afdeling
breed. Hier wordt een combinatie gebruikt
van managementsystemen voor het
operationele management en
topmanagement.
- Operationeel management: hiervoor worden systemen voorzien die hen toelaten om heel
specifieke informatie te verkrijgen die helpt bij het beheer van een specifiek project.
- Arbeiders/administratie: mensen die uitvoerende taken hebben, krijgen meestal alleen die
informatie ter beschikking die nodig is om hun taak te volbrengen.
1.10 Enkele belangrijke wetten in het kader van informatiesystemen
1.10.1 De wet van Moore
Gordon Moore voorspelde dat de snelheid
van de chips in onze computers zich om de
2 jaar zou blijven verdubbelen, en dat
tegen dezelfde prijs.
à Later werd de wet bijgesteld naar een
periode van 18 maanden.
3 Interpretaties:
• Processorkracht verdubbelt elke
achttien maanden.
• De kracht van computers
verdubbelt elke achttien maanden.
• De prijs van computers halveert elke achttien maanden.
Impact op onze samenleving:
444
à Technologisch: er worden steeds kleinere chips gemaakt die toelaten om rekenkracht in nagenoeg alles te
verwerken.
à Economisch: door wijde verspreiding van processoren en de steeds toenemende rekenkracht kunnen complexe
taken steeds sneller en correcter worden uitgevoerd. Dit heeft rechtstreekse impact op economie.
à Maatschappelijk: computers zijn goedkoper en krachtiger, hierdoor spelen ze een steeds belangrijkere rol in
onze maatschappij.
,1.10.2 De wet van Mass Digital Storage
De hoeveelheid opgeslagen digitale informatie verdubbelt bijna elk jaar terwijl de kost voor het
opslaan van informatie neemt exponentieel af.
à Data speelt een steeds belangrijkere rol bij digitalisering. Het gestructureerd bijhouden van data
en het analyseren van data heeft geleid tot volledig nieuwe toepassingen als big data, data mining,
BI, …Bedrijven kunnen hierdoor data verzamelen ter bevordering van bestaande bedrijfsprocessen.
Bv: Target slaagde erin door hun big data te
analyseren via de getrouwheidskaart het
aankoopgedrag te voorspellen wanneer een
koppel zwanger was – en dit vrij accuraat en
vroeg tijdens de zwangerschap.
1.10.3 De wet van Metcalfe
De waarde en functie van een netwerk
neemt exponentieel toe naarmate er
meer deelnemers (apparaten) zijn.
Aangezien er steeds meer verbindingen
gemaakt worden met het internet, kun je
stellen dat de waarde van het internet
toeneemt. Hoe meer toepassingen
bereikbaar zijn via het internet, hoe
noodzakelijker het zal zijn voor veel
mensen om verbinding te maken met het
internet.
,1.11 Impact van nieuwe technologie op eindgebruikers
1.11.1 Technology adoption life cycle (TALC)
- Innovators: een groep mensen die op
zoek zijn naar de laatste nieuwe
technologische snufjes. Als je deze
mensen niet kan overtuigen, zal de
TALC niet starten.
- Early adopters: aanvaarden dat de
technologie nog in haar kinderschoenen
staat en aanvaarden dat nog niet alle
mogelijkheden benut worden.
- Early majority: ze kiezen ervoor om de technologie pas aan te schaffen wanneer er duidelijke
voordelen zijn, en kopen de technologie van de marktleider.
- Late majority: hun voornaamste drijfveer tot adoptie van nieuwe technologie is dat ze niet willen
achterblijven. Ze zijn op zoek naar de goedkoopste manier.
- Sceptici: zullen het gebruik ervan zo lang mogelijk uitstellen. Ze zullen pas nieuwe technologie
gebruiken indien oude niet meer beschikbaar is.
- De kloof: duidt op een
discontinuïteit in de overgang
van fase 2 naar fase 3. Je mag
deze kloof letterlijk nemen:
• Technologie kan over de kloof
gaan en de cyclus beëindigen
• Technologie kan in de kloof
terechtkomen en hier nooit
meer uitkomen.
Bv: Google Glass
De kloof ontstaat door de tegengestelde drijfveren voor het gebruik van technologie tussen early
adopters en early majority (pragmatici).
,1.11.2 Unified Theory of Acceptance and Use of Technology (UTAUT)
Dit is een conceptueel en empirisch opgebouwd kader om te weten hoe groot de bereidheid tot
gebruik van technologieën bij eindgebruikers is. Het kan ook interessant zijn om te achterhalen wat
de intenties van de eindgebruikers zijn, of welke factoren als belangrijk worden ervaren om een
nieuwe technologie te gebruiken.
Aan de linkerkant vindt men bepaalde redenen waarom mensen technologieën zouden gebruiken.
à Motivators:
- Verwachting van de prestaties: mate waarin individu gelooft dat gebruik van het systeem hem zal
helpen om voordeel te behalen
- Verwachting van de inspanning: hoe gemakkelijk de gebruiker met het systeem kan werken
- Sociale invloed: mate waarin individu ervaart dat andere individuen die voor hem belangrijk zijn het
nodig vinden dat hij de technologie gebruikt
- Omstandigheden die het gebruik vergemakkelijken: mate waarin individu zich gesteund voelt door
de organisatie, maatschappij en/of technische infrastructuur om het gebruik van het systeem te
ondersteunen
Aan de onderkant zijn er factoren die
motivators kunnen afremmen of stimuleren
à Regulerende factoren:
- Geslacht (Gender)
- Leeftijd (Age)
- Ervaring
- Bereidwilligheid
1.11.3 Uitbreiding van UTAUT
Uitgebreid met 3 constructen die een directe invloed hebben:
- Hedonische motivatie: kan gelinkt
worden aan intrinsieke motivatie, het is
de mate van plezier die een individu
ervaart door het gebruik van een
bepaalde technologie
- Prijswaarde: de prijs in combinatie met
de kwaliteit van het product of systeem is
essentieel voor de consument voor het al
dan niet gebruiken
- Gewoonte: gewoontes hebben
rechtstreeks een impact op de
gedragsintentie en het gebruiksgedrag
, H2: Strategische inzetbaarheid van ICT
2.1 Porter
2.1.1 Het vijfkrachtenmodel van Porter
Competitiviteit binnen een
marktsegment meten aan de hand van 5
krachten:
1) Gevaar van nieuwkomers
Succesvol idee → nieuwe
spelers. Voor een nieuwe
concurrent moet de barrière om
binnen te komen in een markt
zo groot mogelijk zijn, strategie
is sterk productafhankelijk.
2) Gevaar van vervangende
producten à Kunnen
inschatten wat potentieel
vervangende producten zijn, is
heel moeilijk. Een vervangend
product overvalt de markt, de
huidige spelers worden erdoor
verrast.
3) Onderhandelingskracht van klanten à Bij producten die gemakkelijk na te maken zijn, of bij
verschillende aanbieders verkrijgbaar zijn, is de onderhandelingskracht van klanten groot.
Een bedrijf moet op zoek gaan naar manieren om zijn product er te doen uitspingen. Indien
ze een moeilijk te kopiëren product hebben, zal de onderhandelingskracht afnemen.
4) Onderhandelingskracht van leveranciers Weinig leveranciers voor bepaalde goederen of
diensten → grote onderhandelingskracht. Een markt waarbij leveranciers veel macht hebben
is minder aantrekkelijk. Door te investeren in gezamenlijke informatiesystemen kan een
bedrijf de leveranciers aan zich proberen te binden.
5) Rivaliteit van concurrenten binnen het marktsegment Hoeveel directe concurrenten? Hoe
snel groeit de markt? Zijn er stukken van de concurrentie die zo goed als niet te kopiëren
zijn? Marktsegment = groep bedrijven die sterk gerelateerde of vervangende producten
produceert en die dus min of meer dezelfde consumenten wil aanspreken.
6) De overheid en andere belangenverenigingen → kunnen een sterk sturende kracht hebben
op een bepaald marktsegment. Deze kracht mag niet onderschat worden, aangezien zij
bepaalde strategieën van een bedrijf kunnen tenietdoen.