Casusvraag 1
Piet bezit uitsluitend stemrechtloze aandelen in een BV. Mag hij de algemene
vergadering bijwonen en daar het woord voeren?
Antwoord:
Hoewel Piet geen stemrecht heeft, betekent dat niet dat hij buitengesloten wordt van de
vergadering. In artikel 2:227 BW staat namelijk dat houders van stemrechtloze aandelen
nog steeds het recht hebben om de algemene vergadering bij te wonen. Zij mogen daar
het woord voeren, vragen stellen en meediscussiëren. Alleen bij de daadwerkelijke
stemming hebben zij geen invloed. Kortom: Piet mag dus aanwezig zijn en
meediscussiëren, maar niet meestemmen over besluiten van de AVA.
Casusvraag 2
Sophie bezit uitsluitend winstrechtloze aandelen in een BV. Heeft zij recht op dividend
en mag zij meestemmen in de algemene vergadering?
Antwoord:
Op grond van art. 2:216 lid 7 BW hebben houders van winstrechtloze aandelen geen
aanspraak op winstuitkering. Sophie heeft dus geen recht op dividend, ook niet wanneer
de BV winst maakt. Dit doet echter niets af aan haar vergaderrechten en stemrecht.
Uit art. 2:228 BW volgt dat stemrecht alleen kan worden uitgesloten als de aandelen
stemrechtloos zijn; dat is hier niet het geval. Sophie mag de algemene vergadering dus
bijwonen en haar stem uitbrengen, ondanks dat zij geen recht heeft op winstuitkering
Casusvraag 3
In een BV wil het bestuur de zoon van een van de bestuurders benoemen tot
commercieel directeur. Welk orgaan is bevoegd om hierover te besluiten?
Antwoord:
De benoeming van de zoon levert een tegenstrijdig belang op. De betrokken bestuurder
heeft immers een persoonlijk en emotioneel belang bij dit besluit. Uit het
arrest Maas/Amazone blijkt dat ook immateriële belangen, zoals familiebanden, een
tegenstrijdig belang in de zin van de wet kunnen opleveren.
Volgens art. 2:239 lid 6 BW mag een bestuurder met een tegenstrijdig belang niet
deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming. Het besluit moet dus in beginsel
worden genomen door de andere bestuurder. Indien ook die bestuurder een (indirect)
tegenstrijdig belang heeft, verschuift de bevoegdheid naar de raad van commissarissen.
Ontbreekt een raad van commissarissen, dan is de algemene vergadering op grond van
hetzelfde artikel bevoegd om het besluit te nemen.
In het arrest M.E. Beheer benadrukte de Hoge Raad bovendien dat het uit oogpunt van
zorgvuldigheid (vgl. art. 2:9 BW) en de redelijkheid en billijkheid binnen
,vennootschapsverhoudingen (art. 2:8 BW) verstandig is om de algemene vergadering te
laten beslissen. Daarmee wordt alle schijn van belangenverstrengeling vermeden.
Casusvraag 4
Jan en Kees zijn allebei aandeelhouder van een BV. Jan bezit 96% van de aandelen, Kees
4%. Wanneer Jan overlijdt, worden zijn aandelen geërfd door zijn dochter Anna. Kees
vraagt zich af of hij zich kan beroepen op de blokkeringsregeling in de statuten om te
voorkomen dat Anna aandeelhouder wordt.
Antwoord:
Bij een BV geldt dat aandelen in beginsel niet vrij overdraagbaar zijn. Volgens art. 2:195
lid 1 BW moeten de statuten van een BV een regeling bevatten die de overdraagbaarheid
van aandelen beperkt. Dit wordt de blokkeringsregelinggenoemd. Er zijn twee
hoofdvormen:
1. de goedkeuringsregeling, waarbij de algemene vergadering toestemming moet
geven voor overdracht;
2. de aanbiedingsregeling, waarbij aandelen eerst moeten worden aangeboden aan
de mede-aandeelhouders of de BV zelf voordat zij aan een derde mogen worden
overgedragen.
Wanneer een aandeelhouder overlijdt, gaan de aandelen van rechtswege over op de
erfgenamen. Dat betekent dat Anna in principe aandeelhouder wordt. Maar als de
statuten een aanbiedingsregeling bevatten, kan Kees verlangen dat Anna de geërfde
aandelen eerst aan hem (of aan de BV) aanbiedt. Hij kan die aandelen dan overnemen
tegen een door een onafhankelijke deskundige vastgestelde waarde.
Als de statuten slechts een goedkeuringsregeling bevatten, kan de algemene
vergadering (waar Kees deel van uitmaakt) besluiten dat Anna géén toestemming krijgt
om de aandelen te houden. Ook dan komt een aanbiedingsplicht in beeld.
Kortom: op grond van art. 2:195 BW kan Kees zich inderdaad beroepen op de
blokkeringsregeling, mits die in de statuten is opgenomen. Bij een NV zou dit niet
kunnen, omdat aandelen in een NV in beginsel vrij overdraagbaar zijn.
Casusvraag 5
De algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) besluit tijdens een vergadering om
een bestuurder te ontslaan, terwijl deze bestuurder niet aanwezig was en in de
oproepingsbrief niets over zijn ontslag stond. Welke bezwaren zijn er tegen de geldigheid
van dit besluit?
Antwoord:
Op grond van art. 2:244 jo. 2:242 BW kan een bestuurder in beginsel te allen tijde door
de AVA worden ontslagen. Toch betekent dit niet dat een ontslagbesluit altijd
rechtsgeldig is: er zijn belangrijke procedurele waarborgen.
Ten eerste moet volgens art. 2:227 lid 7 BW iedere bestuurder in de gelegenheid worden
gesteld om een raadgevende stem uit te brengen in de algemene vergadering. Wanneer
de bestuurder niet aanwezig was, en bovendien pas tijdens de vergadering sprake bleek
, te zijn van een ontslagvoorstel, heeft hij geen reële kans gehad om zijn raadgevende
stem uit te brengen. Dit maakt het besluit vernietigbaar op grond van art. 2:15 lid 1 sub a
BW, zoals ook bevestigd in het arrest Janssen Pers.
Ten tweede moeten alle betrokkenen binnen de vennootschap zich gedragen naar de
eisen van redelijkheid en billijkheid(art. 2:8 BW). Het onverwacht ontslaan van een
bestuurder zonder hem hierover tijdig te informeren of hem de mogelijkheid te geven
verweer te voeren, is in strijd met deze norm. Ook dit kan leiden tot vernietigbaarheid
van het besluit op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW.
Daarnaast stelt art. 2:224 BW dat de oproepingsbrief voor de algemene vergadering de
onderwerpen van bespreking moet bevatten. Als het ontslag daarin niet was vermeld, is
het besluit ook om die reden vernietigbaar op grond van art. 2:15 lid 1 sub a BW. Dit
argument raakt bovendien ook de aandeelhouders: zij konden niet voorzien dat er over
het ontslag van de bestuurder zou worden gestemd. Had dat wel in de oproepingsbrief
gestaan, dan hadden sommige aandeelhouders misschien een andere afweging
gemaakt en wél deelgenomen aan de vergadering.
Kortom: hoewel de AVA in principe bevoegd is een bestuurder te ontslaan, is het besluit
in dit geval vernietigbaarvanwege (i) het ontbreken van de mogelijkheid voor de
bestuurder om zijn raadgevende stem uit te brengen, (ii) strijd met de redelijkheid en
billijkheid van art. 2:8 BW, en (iii) het niet vermelden van het ontslag in de
oproepingsbrief.
Casusvraag 6
Kan een bestuurder van een BV of NV worden ontslagen, en welk orgaan is daarvoor
bevoegd?
Antwoord:
Het ontslaan van een bestuurder is in beginsel een bevoegdheid van de algemene
vergadering van aandeelhouders (AVA). Dit volgt uit art. 2:244 jo. 2:242 BW. Het gaat om
een ruim ontslagrecht: een bestuurder kan te allen tijde worden ontslagen, zonder dat
daarvoor een specifieke reden nodig is.
Het ontslagbesluit komt in beginsel tot stand met een gewone meerderheid van
stemmen, tenzij de statuten een zwaardere meerderheid voorschrijven. Statuten kunnen
bijvoorbeeld bepalen dat een versterkte meerderheid (bijvoorbeeld twee derde van de
stemmen) vereist is.
Bij een structuurvennootschap is de situatie anders. In dat geval komt de
ontslagbevoegdheid niet toe aan de algemene vergadering, maar aan de raad van
commissarissen (RvC). Dit is vastgelegd in art. 2:272 BW.
Kortom: normaal gesproken beslist de AVA over het ontslag van een bestuurder, maar bij
een structuurvennootschap is de raad van commissarissen bevoegd.