Inhoud
WC 1....................................................................................................................... 2
WC 2....................................................................................................................... 5
WC 3....................................................................................................................... 7
WC 4....................................................................................................................... 9
WC 5..................................................................................................................... 12
WC 6..................................................................................................................... 15
WC 7..................................................................................................................... 18
,WC 1.
Vraag 1: verschil IE-recht in ruime en industriële eigendomsrecht?
1. Intellectueel eigendomsrecht in enge zin: het auteursrecht en de naburige rechten.
2. Industriële eigendomsrecht: bedrijfsbelangen.
3. Intellectueel eigendomsrecht in de ruime zin: De term ‘intellectuele eigendom’ in deze ruime
betekenis heeft niet altijd bestaan. Lange tijd werd hieronder voornamelijk het auteursrecht
verstaan, terwijl octrooirecht, merkenrecht, handelsnaamrecht, kwekersrecht en modellenrecht
geacht werden tot het ‘industriële eigendomsrecht’ te behoren. nu valt dat allemaal eronder.
Als intellectueel eigendomsrecht in de ruime zin bestaat, betekent niet direct dat de tegenhanger ook
bestaat.
Vraag 2: leg aan de hand van doelmatigheidsargument uit waarom merken beschermd moeten
worden? (pagina 3)
doelmatigheidsargument: stimuleren van verdere intellectuele prestaties bedrijven/merken moeten
zich verder kunnen ontwikkelen en nieuwe producten op de markt kunnen brengen zonder dat een
andere partij dat kopieert. Dan hebben investeringen en de pogingen om zich te kunnen onderscheiden
van de rest geen nut.
Je bouwt goodwill op, een goede naam van een merk met goede producten, dat moet niet onderschept
worden.
- Goodwill geldt ook voor merkenrecht en handelsnaamrecht
- science and usefull arts
- verdere ontwikkeling (octrooirecht)
- sweat of the brow
Vraag 3: leg aan de hand van en voorbeeld uit hoe het EU-recht art. 18 VWEU relevant is voor
het IE-recht?
Art. 18 VWEU is er zodat er een vrije/open markt kan bestaan waar burgers gelijke kansen hebben.
Voor het IE-recht heeft deze regel met name als relevantie dat nationaliteitsvereisten of
reciprociteitsvereisten (Dit betekent dat de landen afspreken dat zij - ondanks dat er geen verdrag is -
dezelfde soort verzoeken over en weer zullen uitvoeren) in de onderlinge verhouding tussen een
lidstaat waar bescherming wordt gezocht en een onderdaan van een andere lidstaat ongeldig zijn.
bijvoorbeeld in de Phil Collins-zaak een Duitse nationaliteitseis ongeldig die de naburige rechten-
bescherming van art. 73 e.v. UrhG voor buitenlandse uitvoerende kunstenaars beperkte tot
bescherming met betrekking tot uitvoeringen in alleen Duitsland, terwijl Duitse uitvoerende
kunstenaars voor hun uitvoeringen wereldwijd werden beschermd. Er zat een nationaliteitseis aan
de naburige rechten en dat mag niet.
Verkeersvrijheden kan je erop beroepen, maar niet wanneer er een harmonisatiewetgeving is!
Vraag 4: IE-recht kunnen worden onderverdeeld in bescherming van vier categorieën? Geef bij
elke categorie een voorbeeld van IE-recht?
1. creatieve prestaties
a. auteursrecht
b. modelrecht
, c. naburige rechten: uitvoering van werken
2. recht op onderscheidingsteken
a. merkenrecht
b. handelsnaamrecht
3. rechten op techniek
a. octrooirecht
b. kwekersrecht
c. topografierecht/chiprecht
4. rechten op investeringen
a. databankrecht
vraag 5: leg uit welke drie verschillende wijzen van verkrijging van IE-rechten te onderscheiden
zijn. Geef bij elk een voorbeeld van IE-recht.
1) van rechtswege
a. auteursrecht, art. 5 Berner conventie
2) na inschrijving / deponeren
a. merken- en modellenrecht: inschrijven en als er daarna problemen zijn, dan kan je
naar de rechter.
3) na inhoudelijk onderzoek
a. octrooirecht: voldoet dit recht aan de materiële eisen. Daarna kan het ingeschreven
worden.
Casussen
Opdracht 1.
Auteursrecht?
Werknemer en werkgeverschap art. 7 Aw + infopaq (p. 139 inleiding)
1. voorwerp van het recht: de informatieve sheets gemaakt door de docenten. Origineel, in
concrete vorm en resultaat van creatieve oorsprong/activiteit.
Art. 1 jo. Art. 10 Aw
a. Levola : voldoende objectief te in
b. Infopaq: Eigen intellectuele schepping, oorspronkelijk karakter, persoonlijke stempel
en eigen keuzes.
2. verkrijg het recht: van rechtswege
3. hoe lang duurt het: lang
4. Maker: docente
5. wie is de rechthebbende? De docenten werken in dienstverband met de uni van het oosten. In
de arbeidsovereenkomst staat niets geregeld over wie het Auteursrecht, dit komt dus tot de wet
art. 7 Aw Tijdens en krachtens dienstverband gemaakt Omdat de werkgever als
'maker' wordt aangemerkt, krijgt de werkgever automatisch de auteursrechten op alle werken
die door zijn werknemers in dienstverband zijn vervaardigd. De werknemer kan zich in zo'n
geval dus niet op de rechten beroepen die uit het auteursrecht voortkomen.
a. Ten tweede bepaalt de rechtspraak dat het maken van het werk ook een taak van de
werknemer moet zijn. Als een administratieve medewerker tijdens de werktijd
eventjes een schilderij maakt, zal de werkgever dat wellicht niet zo fijn vinden en kan
hij hem berispen of sanctioneren. Maar daarom kan de werkgever het auteursrecht nog
niet claimen. Dit is uiteraard anders wanneer het maken van schilderijen tot het
takenpakket van een creatieve medewerker behoorde. De rechtspraak stelt hier wel
een extra eis aan: de werkgever moet ook zeggenschap hebben gehad over de vorm
waarin het werk tot stand kwam.
6. Werk komt niet aan je toe als werknemer, werkgever is de maker, dus die heeft de rechten niet
dus docenten kunnen zich niet verzetten.
Opdracht 2
WC 1....................................................................................................................... 2
WC 2....................................................................................................................... 5
WC 3....................................................................................................................... 7
WC 4....................................................................................................................... 9
WC 5..................................................................................................................... 12
WC 6..................................................................................................................... 15
WC 7..................................................................................................................... 18
,WC 1.
Vraag 1: verschil IE-recht in ruime en industriële eigendomsrecht?
1. Intellectueel eigendomsrecht in enge zin: het auteursrecht en de naburige rechten.
2. Industriële eigendomsrecht: bedrijfsbelangen.
3. Intellectueel eigendomsrecht in de ruime zin: De term ‘intellectuele eigendom’ in deze ruime
betekenis heeft niet altijd bestaan. Lange tijd werd hieronder voornamelijk het auteursrecht
verstaan, terwijl octrooirecht, merkenrecht, handelsnaamrecht, kwekersrecht en modellenrecht
geacht werden tot het ‘industriële eigendomsrecht’ te behoren. nu valt dat allemaal eronder.
Als intellectueel eigendomsrecht in de ruime zin bestaat, betekent niet direct dat de tegenhanger ook
bestaat.
Vraag 2: leg aan de hand van doelmatigheidsargument uit waarom merken beschermd moeten
worden? (pagina 3)
doelmatigheidsargument: stimuleren van verdere intellectuele prestaties bedrijven/merken moeten
zich verder kunnen ontwikkelen en nieuwe producten op de markt kunnen brengen zonder dat een
andere partij dat kopieert. Dan hebben investeringen en de pogingen om zich te kunnen onderscheiden
van de rest geen nut.
Je bouwt goodwill op, een goede naam van een merk met goede producten, dat moet niet onderschept
worden.
- Goodwill geldt ook voor merkenrecht en handelsnaamrecht
- science and usefull arts
- verdere ontwikkeling (octrooirecht)
- sweat of the brow
Vraag 3: leg aan de hand van en voorbeeld uit hoe het EU-recht art. 18 VWEU relevant is voor
het IE-recht?
Art. 18 VWEU is er zodat er een vrije/open markt kan bestaan waar burgers gelijke kansen hebben.
Voor het IE-recht heeft deze regel met name als relevantie dat nationaliteitsvereisten of
reciprociteitsvereisten (Dit betekent dat de landen afspreken dat zij - ondanks dat er geen verdrag is -
dezelfde soort verzoeken over en weer zullen uitvoeren) in de onderlinge verhouding tussen een
lidstaat waar bescherming wordt gezocht en een onderdaan van een andere lidstaat ongeldig zijn.
bijvoorbeeld in de Phil Collins-zaak een Duitse nationaliteitseis ongeldig die de naburige rechten-
bescherming van art. 73 e.v. UrhG voor buitenlandse uitvoerende kunstenaars beperkte tot
bescherming met betrekking tot uitvoeringen in alleen Duitsland, terwijl Duitse uitvoerende
kunstenaars voor hun uitvoeringen wereldwijd werden beschermd. Er zat een nationaliteitseis aan
de naburige rechten en dat mag niet.
Verkeersvrijheden kan je erop beroepen, maar niet wanneer er een harmonisatiewetgeving is!
Vraag 4: IE-recht kunnen worden onderverdeeld in bescherming van vier categorieën? Geef bij
elke categorie een voorbeeld van IE-recht?
1. creatieve prestaties
a. auteursrecht
b. modelrecht
, c. naburige rechten: uitvoering van werken
2. recht op onderscheidingsteken
a. merkenrecht
b. handelsnaamrecht
3. rechten op techniek
a. octrooirecht
b. kwekersrecht
c. topografierecht/chiprecht
4. rechten op investeringen
a. databankrecht
vraag 5: leg uit welke drie verschillende wijzen van verkrijging van IE-rechten te onderscheiden
zijn. Geef bij elk een voorbeeld van IE-recht.
1) van rechtswege
a. auteursrecht, art. 5 Berner conventie
2) na inschrijving / deponeren
a. merken- en modellenrecht: inschrijven en als er daarna problemen zijn, dan kan je
naar de rechter.
3) na inhoudelijk onderzoek
a. octrooirecht: voldoet dit recht aan de materiële eisen. Daarna kan het ingeschreven
worden.
Casussen
Opdracht 1.
Auteursrecht?
Werknemer en werkgeverschap art. 7 Aw + infopaq (p. 139 inleiding)
1. voorwerp van het recht: de informatieve sheets gemaakt door de docenten. Origineel, in
concrete vorm en resultaat van creatieve oorsprong/activiteit.
Art. 1 jo. Art. 10 Aw
a. Levola : voldoende objectief te in
b. Infopaq: Eigen intellectuele schepping, oorspronkelijk karakter, persoonlijke stempel
en eigen keuzes.
2. verkrijg het recht: van rechtswege
3. hoe lang duurt het: lang
4. Maker: docente
5. wie is de rechthebbende? De docenten werken in dienstverband met de uni van het oosten. In
de arbeidsovereenkomst staat niets geregeld over wie het Auteursrecht, dit komt dus tot de wet
art. 7 Aw Tijdens en krachtens dienstverband gemaakt Omdat de werkgever als
'maker' wordt aangemerkt, krijgt de werkgever automatisch de auteursrechten op alle werken
die door zijn werknemers in dienstverband zijn vervaardigd. De werknemer kan zich in zo'n
geval dus niet op de rechten beroepen die uit het auteursrecht voortkomen.
a. Ten tweede bepaalt de rechtspraak dat het maken van het werk ook een taak van de
werknemer moet zijn. Als een administratieve medewerker tijdens de werktijd
eventjes een schilderij maakt, zal de werkgever dat wellicht niet zo fijn vinden en kan
hij hem berispen of sanctioneren. Maar daarom kan de werkgever het auteursrecht nog
niet claimen. Dit is uiteraard anders wanneer het maken van schilderijen tot het
takenpakket van een creatieve medewerker behoorde. De rechtspraak stelt hier wel
een extra eis aan: de werkgever moet ook zeggenschap hebben gehad over de vorm
waarin het werk tot stand kwam.
6. Werk komt niet aan je toe als werknemer, werkgever is de maker, dus die heeft de rechten niet
dus docenten kunnen zich niet verzetten.
Opdracht 2