Basisboek Systeemgericht werken (Editie: 3)
ISBN: 9789006077971
Hoofdstuk 1
Inleiding
Het begrip systeem wordt in veel domeinen gebruikt (sport, ICT,
gezondheidszorg, organisaties) – in sociaal werk krijgt het aandacht in de
visie op cliënt en context.
Systeemgericht werken betekent niet per se werken met het hele gezin,
maar vooral een bepaalde manier van kijken: je ziet de cliënt in relatie tot
andere mensen en de omgeving.
Kernprincipes in deze visie zijn onder andere: communicatie, interactie,
wederkerigheid, circulaire processen, regels, rollen, taken, patronen
(intergenerationeel), context, narratief denken.
Systeemgericht werken is niet primair verklarend vanuit biologische of
psychologische oorzaken, maar zoekt vooral naar patronen tussen mensen
in relaties.
De social worker hanteert deze visie – afhankelijk van context en vraag –
als kader voor handelen.
Wat is een systeem?
Het woord “systeem” komt van het Griekse sustema, wat “samenstellen”
of “bijeenplaatsen” betekent.
In het Nederlands / Van Dale: een doelmatig geordend samenhangend
geheel van bij elkaar horende onderdelen (stelsel).
Andere omschrijvingen: inrichting en regels om orde te behouden; geheel
geordend volgens beginselen; handelingen die een doel nastreven; etc.
Belangrijk is dat een systeem bestaat uit delen die elkaar beïnvloeden, en
dat het geheel gericht is op het bereiken van doelen.
De definitie zoals gebruikt in het boek (volgens Van Weijenberg, 2004)
stelt:
“Het begrip systeem wijst op een eenheid, opgebouwd uit deelverhoudingen; het
gaat niet alleen om de delen op zich, ook niet om het geheel, maar om de
doelgerichte circulaire betrekkingen tussen dit alles.”
, Drie manieren waarop je systeemgericht werken kunt zien:
1. Als therapievorm: niet alleen de cliënt zelf, maar ook anderen uit
diens omgeving kunnen deelnemen.
2. Als inhoudelijk kader: aandacht voor samenhang en onderlinge
beïnvloeding tussen cliënt en omgeving.
3. Als nadruk op circulariteit: niet lineair denken (oorzaak → gevolg),
maar wederzijdse beïnvloeding zichtbaar maken.
Individueel systeem
Ieder mens is zelf een systeem: opgebouwd uit subsystemen (cellen,
organen, stelsels) én psychische subsystemen (gedachten, gevoelens,
identiteit).
Het individu is een open systeem: het staat voortdurend in uitwisseling
(energie, informatie, materie) met de omgeving.
Negentropie vs. entropie:
o Negentropie = proces van voortdurende ordening, groei, energie-
inname — richting gezondheid.
o Entropie = systeem verliest meer energie dan het krijgt, leidt tot
verval, desorganisatie, ziekte.
Zelfstabilisatie: mechanisme waarmee een systeem zichzelf in balans
houdt (bijv. jezelf warm aankleden bij kou).
Zelforganisatie: diepgaandere verandering waarbij het systeem (of delen
ervan) zich structureel herorganiseert.
Subsystemen
In sociale systemen (bijvoorbeeld gezinnen) zijn subsystemen: ouders,
kinderen, koppels, generaties, etc.
Een dyadisch subsysteem is het kleinste: twee mensen (bijv. ouder–kind,
partners).
Om deel uit te maken van een subsysteem, moet je deelnemen aan
interactie en communicatie.
Elke cultuur/familie kent ongeschreven regels over wie tot welk
subsysteem behoort, welke rol men heeft, wie mag communiceren met
wie, etc.
, Suprafamiliare systemen & omgeving
Naast subsystemen binnen een gezin is er het grotere systeem rondom het
gezin: de suprafamiliare systemen — bijvoorbeeld netwerken,
instellingen, scholen, buurt, culturele systemen.
Omgeving: externe invloeden, maatschappelijke structuren, economische
en culturele context.
Een gezin functioneert niet los van deze context. Wat in de omgeving
gebeurt, beïnvloedt het gezin en omgekeerd.
De social worker moet oog hebben voor meerdere contextlagen waarin de
cliënt en het systeem functioneren.
Systeempentagram (of vijfassenschema)
Een hulpmodel om systemische aspecten in kaart te brengen.
De vijf assen (of dimensies) die in zo’n schema vaak onderscheiden
worden, kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op:
1. Individueel
2. Subsystemen
3. Gezinssysteem
4. Suprafamiliair
5. Omgeving
Met dit model kun je systemische relaties en invloeden over de
verschillende lagen heen analyseren.
Het dient als analysetool om te kijken op welk niveau je interventie kan
plaatshebben en hoe de niveaus met elkaar verband houden.
ISBN: 9789006077971
Hoofdstuk 1
Inleiding
Het begrip systeem wordt in veel domeinen gebruikt (sport, ICT,
gezondheidszorg, organisaties) – in sociaal werk krijgt het aandacht in de
visie op cliënt en context.
Systeemgericht werken betekent niet per se werken met het hele gezin,
maar vooral een bepaalde manier van kijken: je ziet de cliënt in relatie tot
andere mensen en de omgeving.
Kernprincipes in deze visie zijn onder andere: communicatie, interactie,
wederkerigheid, circulaire processen, regels, rollen, taken, patronen
(intergenerationeel), context, narratief denken.
Systeemgericht werken is niet primair verklarend vanuit biologische of
psychologische oorzaken, maar zoekt vooral naar patronen tussen mensen
in relaties.
De social worker hanteert deze visie – afhankelijk van context en vraag –
als kader voor handelen.
Wat is een systeem?
Het woord “systeem” komt van het Griekse sustema, wat “samenstellen”
of “bijeenplaatsen” betekent.
In het Nederlands / Van Dale: een doelmatig geordend samenhangend
geheel van bij elkaar horende onderdelen (stelsel).
Andere omschrijvingen: inrichting en regels om orde te behouden; geheel
geordend volgens beginselen; handelingen die een doel nastreven; etc.
Belangrijk is dat een systeem bestaat uit delen die elkaar beïnvloeden, en
dat het geheel gericht is op het bereiken van doelen.
De definitie zoals gebruikt in het boek (volgens Van Weijenberg, 2004)
stelt:
“Het begrip systeem wijst op een eenheid, opgebouwd uit deelverhoudingen; het
gaat niet alleen om de delen op zich, ook niet om het geheel, maar om de
doelgerichte circulaire betrekkingen tussen dit alles.”
, Drie manieren waarop je systeemgericht werken kunt zien:
1. Als therapievorm: niet alleen de cliënt zelf, maar ook anderen uit
diens omgeving kunnen deelnemen.
2. Als inhoudelijk kader: aandacht voor samenhang en onderlinge
beïnvloeding tussen cliënt en omgeving.
3. Als nadruk op circulariteit: niet lineair denken (oorzaak → gevolg),
maar wederzijdse beïnvloeding zichtbaar maken.
Individueel systeem
Ieder mens is zelf een systeem: opgebouwd uit subsystemen (cellen,
organen, stelsels) én psychische subsystemen (gedachten, gevoelens,
identiteit).
Het individu is een open systeem: het staat voortdurend in uitwisseling
(energie, informatie, materie) met de omgeving.
Negentropie vs. entropie:
o Negentropie = proces van voortdurende ordening, groei, energie-
inname — richting gezondheid.
o Entropie = systeem verliest meer energie dan het krijgt, leidt tot
verval, desorganisatie, ziekte.
Zelfstabilisatie: mechanisme waarmee een systeem zichzelf in balans
houdt (bijv. jezelf warm aankleden bij kou).
Zelforganisatie: diepgaandere verandering waarbij het systeem (of delen
ervan) zich structureel herorganiseert.
Subsystemen
In sociale systemen (bijvoorbeeld gezinnen) zijn subsystemen: ouders,
kinderen, koppels, generaties, etc.
Een dyadisch subsysteem is het kleinste: twee mensen (bijv. ouder–kind,
partners).
Om deel uit te maken van een subsysteem, moet je deelnemen aan
interactie en communicatie.
Elke cultuur/familie kent ongeschreven regels over wie tot welk
subsysteem behoort, welke rol men heeft, wie mag communiceren met
wie, etc.
, Suprafamiliare systemen & omgeving
Naast subsystemen binnen een gezin is er het grotere systeem rondom het
gezin: de suprafamiliare systemen — bijvoorbeeld netwerken,
instellingen, scholen, buurt, culturele systemen.
Omgeving: externe invloeden, maatschappelijke structuren, economische
en culturele context.
Een gezin functioneert niet los van deze context. Wat in de omgeving
gebeurt, beïnvloedt het gezin en omgekeerd.
De social worker moet oog hebben voor meerdere contextlagen waarin de
cliënt en het systeem functioneren.
Systeempentagram (of vijfassenschema)
Een hulpmodel om systemische aspecten in kaart te brengen.
De vijf assen (of dimensies) die in zo’n schema vaak onderscheiden
worden, kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op:
1. Individueel
2. Subsystemen
3. Gezinssysteem
4. Suprafamiliair
5. Omgeving
Met dit model kun je systemische relaties en invloeden over de
verschillende lagen heen analyseren.
Het dient als analysetool om te kijken op welk niveau je interventie kan
plaatshebben en hoe de niveaus met elkaar verband houden.