1. Materiële handelingen: handelingen met feitelijke gevolgen, zonder bedoeling om
rechtsgevolgen te veroorzaken (bv. slapen, rijden).
a. Toch kunnen ze onrechtstreeks juridische gevolgen hebben via
toepasselijke rechtsregels (bv. schade door een ongeluk →
schadevergoeding).
b. Ze worden ook ‘rechtsfeiten’ genoemd. Voorbeelden: onrechtmatige daad
(art. 5.127 BW), zaakwaarneming, onverschuldigde betaling,
ongerechtvaardigde verrijking.
2. Rechtshandelingen: wilsverklaringen met het bewust doel om rechtsgevolgen
te doen ontstaan (art. 1.3 BW).
a. Essentieel voor het privérecht: ze creëren, wijzigen of beëindigen
rechten/plichten.
b. Ze vereisen dus een bewuste wil en voldoen aan geldigheidsvoorwaarden.
3. Proceshandelingen: handelingen in het kader van een gerechtelijke procedure,
zoals een dagvaarding of verweer.
Afdeling 2 – Geldigheid van rechtshandelingen
Rechtshandelingen zijn alleen geldig als ze voldoen aan een aantal wettelijke voorwaarden
(= geldigheidsvereisten):
Vier klassieke vereisten (art. 5.27 BW e.v.):
1. Toestemming
a. Moet vrij en bewust gegeven worden.
b. Geen geldige toestemming bij dwang, misleiding of bedrog.
i. Verschoningsgrond bij dwaling: fout moet verontschuldigbaar zijn.
c. Als de verklaring onduidelijk is, wordt ze geïnterpreteerd volgens de
gemeenschappelijke bedoeling (art. 5.64 e.v. BW).
2. Bekwaamheid
a. Partijen moeten rechtsbekwaam (rechten kunnen bezitten) en
handelingsbekwaam (rechten kunnen uitoefenen) zijn.
b. Bijvoorbeeld: minderjarigen of personen onder bewind zijn
handelingsonbekwaam.
3. Voorwerp
a. De verbintenis moet een duidelijk, bepaalbaar en geoorloofd voorwerp
hebben.
b. Ongeoorloofd voorwerp = strijdig met de openbare orde of dwingend recht
(bv. drugsverkoop, huurmoord).
4. Oorzaak
a. De reden waarom een contract wordt gesloten, moet geoorloofd zijn.
b. Als de determinerende beweegreden strijdig is met de openbare orde (bv.
fiscale fraude), kan het contract nietig zijn
,Afdeling 3 – Grondslagen van buitencontractuele aansprakelijkheid
A. Schuldaansprakelijkheid
Art. 1382-1383 oud BW / Boek 6 BW: Slachtoffer krijgt schadevergoeding als:
1. Schade: hij schade lijdt.
2. Fout: de tegenpartij een fout begaat die toerekenbaar is (imputable & responsable).
3. Causaal verband: er een oorzakelijk verband is tussen fout en schade.
Schuld = zowel objectief (foutief gedrag) als subjectief (toerekeningsvatbaarheid dader).
1. Objectieve component: de fout
● Elke maatschappelijk onaanvaardbare gedraging = fout.
● Wordt beoordeeld a.d.h.v.:
○ Overtreding van een wet/regel/verordening.
○ Algemene zorgvuldigheidsnorm (bonus pater familias).
Art. 6.6 BW (vanaf 2025):
● Zorgvuldigheidsnorm: handelen zoals een voorzichtig en redelijk persoon in
dezelfde omstandigheden.
● Voorzienbaarheid van schade is cruciaal: de dader moet maatregelen nemen
tegen voorzienbare risico’s.
Factoren bij toepassing zorgvuldigheidsnorm (art. 6.6, §2 BW)
1.2 Mechanismen die persoonlijke aansprakelijkheid beperken
● Werknemers, overheidspersoneel en vrijwilligers hebben beperkte persoonlijke
aansprakelijkheid voor fouten bij hun werkzaamheden.
● Art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet (3 juli 1978):
○ Werknemer is enkel persoonlijk aansprakelijk bij bedrog, zware fout of vaak
voorkomende lichte fout.
○ Toevallige/occasionele fout → werknemer is niet persoonlijk
aansprakelijk.
● Voorbeeld: Arbeider laat boormachine vallen →
○ Opzettelijk → aansprakelijk op basis van art. 1382 oud BW.
○ Herhaald/onvoorzichtig gedrag → vaak voorkomende lichte fout →
aansprakelijk
○ Toevallig/eenmalig → niet persoonlijk aansprakelijk.
● Vergelijkbare regeling voor:
○ Statutair overheidspersoneel (wet 10 februari 2003).
○ Publiekrechtelijke rechtspersonen en politieke mandatarissen →
beperkte aansprakelijkheid via immuniteiten.
○ Vrijwilligers (wet 3 juli 2005) → beperkte aansprakelijkheid t.o.v.
derden en de organisatie.
,1.3 Gronden voor uitsluiting van aansprakelijkheid voor fout
Overmacht (art. 6.7 BW)
● Onmogelijkheid om de toepasselijke gedragsregels na te leven.
● Niet aansprakelijk, tenzij de onmogelijkheid door eigen fout komt.
● Beoordeling: rekening met onvoorzienbaarheid en onvermijdbaarheid.
Andere gronden (art. 6.8 BW)
Iemand die een gedragsregel niet naleeft, is toch niet aansprakelijk als:
1. Onoverwinnelijke dwaling (juridisch of feitelijk).
2. Fysieke of psychische dwang → naleving onmogelijk.
3. Noodtoestand → afweging tussen belangen bij dreigend ernstig gevaar.
4. Bevel van de wet of overheid → tenzij duidelijk onwettig.
5. Wettige verdediging → proportioneel verweer tegen aantasting fysieke
integriteit.
6. Toestemming van de benadeelde → geldig en vrijwillig.
Belangrijk:
● Art. 6.8 BW verduidelijkt dat deze omstandigheden altijd een uitsluiting van
aansprakelijkheid kunnen vormen, ongeacht vragen rond toerekenbaarheid of
onrechtmatigheid.
● De rechter beoordeelt enkel of de voorwaarden voor uitsluiting aanwezig zijn.
2. Subjectieve component: toerekeningsvatbaarheid of schuldbekwaamheid
Voorwaarde voor aansprakelijkheid: De fout moet aan de dader kunnen worden
verweten. De dader moet zich bewust kunnen zijn van het schadelijke karakter van zijn
gedrag.
● Toerekeningsvatbaarheid: Vereist voldoende geestesvermogen om het belang en
de aanvaardbaarheid van de daad te begrijpen.
● Nieuw in Boek 6 BW (vanaf 1 januari 2025):
○ Het subjectieve element is niet meer vereist voor de vaststelling van
(schuld)aansprakelijkheid.
○ Schending van een wettelijke norm of zorgvuldigheidsnorm volstaat.
○ Het subjectieve element blijft wel relevant bij overmacht en
uitsluitingsgronden, en voor minderjarigen en geestesgestoorden
, HT5 – Rechtsmisbruik
Afdeling 1 – Beperking van de uitoefening van subjectieve
rechten
Een subjectief recht geeft autonomie aan het rechtssubject en laat toe om aanspraken en
bevoegdheden uit te oefenen voor eigen behoeften.
● Deze rechten zijn niet onbeperkt: de vrijheid van de ene eindigt waar die van een
ander begint.
A. Wettelijke beperkingen
De wetgever en uitvoerende macht kunnen altijd grenzen stellen aan de uitoefening van
subjectieve rechten.
● Voorbeeld: eigendomsrecht
○ Eigendom geeft volledige bevoegdheden, maar “behoudens wettelijke,
reglementaire of door rechten van derden opgelegde beperkingen” (art. 3.50
BW).
○ Bouwvoorschriften en andere regelgeving beperken het gebruik van
eigendom.
● Ook bij contracten legt de wet beperkingen op, bv. woninghuurwetgeving (duur en
opzegmogelijkheden zijn beperkt).
B. De zorgvuldigheidsnorm
Een recht mag niet uitgeoefend worden in strijd met de algemene zorgvuldigheidsnorm.
● Voorbeeld: eigendom
○ Eigenaar moet vermijden dat gebruik van zijn eigendom schade toebrengt
aan derden, zoals het gebruik van oude of defecte machines dat schade
veroorzaakt.
● Contracten en precontractuele fase
○ Partijen moeten elkaar correct informeren en hun legitieme verwachtingen
respecteren (art. 5.10 en 5.17 BW).
○ Schending kan leiden tot culpa in contrahendo en precontractuele
aansprakelijkheid.
C. Rechtsmisbruik
Wanneer een recht wordt uitgeoefend op een manier die zijn fundamentele doel
voorbijschiet, is er sprake van rechtsmisbruik (abus de droit).
● Dit concept is via rechtspraak en rechtsleer ontwikkeld.
● Het is een correctiemechanisme op de vrije uitoefening van subjectieve rechten.