Gedrag in organisaties (OB)
College 1 (H1,2)
Doel OB
Organisaties effectiever maken
3 leertheorieën
Classical conditioning: waarbij iets onbewust wordt aangeleerd
Operant conditioning: bewust en vrijwillig dingen doet om een beloning te krijgen
Social learning: dit is leren door te observeren
Average vs succesful vs effective leaders
Average: vooral traditioneel management = besluiten, plannen, controleren
Succesful: vooral netwerken
Effective: vooral communicatie, andere mensen het werk laten doen, HRM
Manegement functies
Planning
Controlling
Organizing
Leading
(nog meer nodig om een effectieve manager te zijn)
Manegement roles
Interpersonal roles
Figurehead: symbolische taken
Leader: aannemen, trainen, motiveren en disciplineren van werknemers
Liaison: contact met outsiders om informatie te krijgen
Informational roles
Monitor: met mensen praten om erachter te komen wat mensen leuk vinden en wat
concurrenten van plan zijn
Disseminator: informatie doorgeven aan organisatieleden
Spokesperson: vertegenwoordigen van de organisatie naar buitenstaanders
Decisional roles
Entrepreneur: managers initiëren en begeleiden nieuwe projecten die de prestaties van
organisatie verbeteren
Disturbance handler: corrigerende maatregelen als reactie op problemen
Resource allocator: verantwoordelijk voor toewijzen van menselijke, fysieke en monetaire
middelen
Negotiator: problemen bespreken, met anderen onderhandelen om voordelen voor hen te
behalen
Manegement skills
Technical skills: gespecialiseerde expertise (komt vaak ook met ervaring)
Human skills: anderen begrijpen, motiveren en supporten
Conceptual skills: moeilijke situaties analyseren en diagnosticeren (beslissen)
,Intrinsieke vs excentrieke motivatie
Als je iets doet wat je leuk vindt, vind je een beloning niet nodig (intrinsiek) – als je er wel
een beloning voor krijgt gaat het meer voelen als een taak (excentriek)
Intuïtie vs systematische studie
Managers moeten beiden gebruiken: intuïtie is vaak gebaseerd op foutieve informatie, veel hypes in
management, systematische studie kost veel tijd (geld)
Intuïtie
Onderbuik gevoel
Individuele observatie
Gezond verstand
Systematische studie
Kijkt naar relaties
Wetenschappelijk bewijs
Voorspelt gedrag
Gevolg = Evidence-Based Management (EBM) - baseren managementbeslissingen op het
beste, beschikbare, wetenschappelijke bewijs
Onderzoeksmethodologie
Systematische observatie
Experimental research
Gedragsdisciplines
Psychologie: wetenschap die het gedrag van mensen en dieren probeert te meten, uit te
leggen, veranderen - bestuderen en individueel gedrag begrijpen
Sociologie: bestudeert mensen in relatie tot hun sociale omgeving of cultuur
Sociale psychologie: Richt zich op invloed van mensen op elkaar
Antropologie: leren over mensen en hun activiteiten
Basis individueel gedrag
Ability
Hoe slim, kundig je bent
Binnen organisatie sterkste voorspeller van prestaties op werk
Gebruikt bij aannemen van mensen
IQ verhogen: Intense fysieke inspanning
Intellectual abilities = het vermogen om mentale activiteiten te doen - denken, redeneren en
probleemoplossing
- Getalaanleg: snel en nauwkeurig
- Verbaal begrip: begrijoen wat er wordt gelezen/ gehoord
- Inductief redeneren: vermogen om logische volgorde in een probleem te identificeren
vervolgens het probleem op te lossen (bv. voorspellen vraag product door
marktonderzoeker)
- Deductief redeneren: vermogen om logica te gebruiken en de implicatie van een
argument te beoordelen (bv. kiezen tussen 2 suggesties van medewerkers)
- Ruimtelijke visualisatie: voorstellen hoe object eruit ziet in andere positie
- Geheugen: ervaringen uit verleden bewaren
General mental ability (GMA) = algemene factor van intelligentie
Physical abilities = taken doen die uithoudingsvermogen, kracht etc. nodig hebben
,Biografische eigenschappen
Geslacht – beïnvloedt niet hoe mensen presteren
Leeftijd – beïnvloedt niet hoe mensen presteren
Ervaring (aantal dienstjaren) – beïnvloedt wel hoe mensen presteren
Ras, etniciteit, religie – beïnvloedt niet hoe mensen presteren (anders discriminatie)
Sturen
Positive reinforcement = beloning voor wat je doet
Negative reinforcement = je neemt iets weg wat als onplezierig wordt ervaren
Punishment
Extinction = uitroeiing
Diversiteit
Steeds meer diversiteit in organisaties van belang: meer informatie en perspectieven, grotere poel
van potentiële werknemers, betere connectie markt, ethisch/eerlijk
Surface-level diversiteit
Verschillen in eigenschappen die makkelijk zichtbaar zijn (geslacht, ras, leeftijd)
Deep-level diversiteit
Verschillen in waarden, persoonlijkheid, voorkeuren om werk aanpak die minder makkelijk
zichtbaar zijn
Diversity management
Aantrekken, selecteren, ontwikkelen, behouden van divers personeel
Succesvol: benadrukken gelijkheid en eerlijkheid, leren voordelen van divers personeel,
benadrukken persoonlijke ontwikkeling waarbij verschillende perspectieven waardevol zijn
OB model
Inputs
Bv. Persoonlijkheid (individueel), groepsstructuur (groep), organisatiecultuur (organisatie)
Leggen de basis voor wat later gaat gebeuren
Processes
Bv. Emoties, stemmingen, motivatie, perceptie, besluitvorming (individueel), communicatie,
leiderschap, macht, conflict, onderhandeling (groep), HRM, veranderingspraktijken
(organisatie)
Acties die individuen/groepen/organisaties uitvoeren als gevolg van input die leiden tot
resultaten
Outcomes
Bv. Attitudes, tevredenheid, taakprestaties, burgerschapsgedrag, terugtrekkingsgedrag
(individueel), cohesie, functioneren (groep), winstgevendheid, overleving (organisatie)
Resultaten
College 2 (H3,4)
Attitudes
= Evaluatieve uitspraken/oordelen over objecten, mensen, acties gunstig of ongunstig
3 componenten:
- Cognitie (gedachtes, evaluatie): mening of overtuiging – beschrijving van of geloof in de
manier waarop dingen zijn (bv. mijn salaris is laag)
- Affect (gevoel): emotionele/ gevoelssegment (bv. ik ben boos over hoe weinig ik betaald
krijg)
, - Gedrag: intentie om je op een bepaalde manier te gedragen tegenover iets of iemand
(bv. ik ga op zoek naar een andere baan die beter betaalt)
Attitudes voorspellen gedrag, maar niet altijd
Theory of planned behaviour = attitude tov gedrag + subjectieve normen + waargenomen
controle over gedrag intentie gedrag
Modererende variabelen = welke variabelen hebben invloed op de relatie tussen attitudes en
gedrag:
- Belang van de attitude
- Overeenkomst met gedrag
- Toegankelijk
- Sociale druk
- Persoonlijke ervaring
Cognitieve dissonantie
= niet-combineerbaar gedrag en attitude
Het vervelende gevoel dat je hebt wanneer je iets ziet, doet, denkt (gedrag) dat in strijd is
met je eigen overtuigingen (attitude)
Oplossing: veranderen van attitude of gedrag rationaliseren
Sterkte van wens tot verandering hangt af van:
- Belang van de elementen
- Mate van invloed op de elementen
- Beloning van de dissonantie
Redenen attitude leidt niet tot gedrag
Self-presentation/ impression management: (sollicitatie, eerste keer schoonouders
ontmoeten)
Self-perception theory (Bem): mensen kijken naar hun eigen gedrag om hun attitude te
bepalen – als je attitude niet heel belangrijk is voor je
Origanizational roles: ander college
Job attitudes
Deze leiden tot: innovativer, betere prestaties, meer OCB, minder turnover (hoeveel mensen
organisatie verlaten)
Job satisfaction
= Positief gevoel over je baan als gevolg van een evaluatie van de kenmerken van de baan
Oorzaken:
- Uitdagend en plezierig werk
- Persoonlijkheid
- Salaris (deels) geld maakt weinig uit want mensen kunnen zich makkelijk aanpassen:
Adaptation-level phenomenon, Social comparison (Festinger)
Niet alleen over werkomstandigheden, ook persoonlijkheid speelt een rol (minder
positief/positief over zichzelf) core self-evaluations = bottom-line conclusions die
individuen hebben over hun capaciteiten/ kunde/ waarde als persoon
Job satisfaction en job performance: sterke samenhang
Job satisfaction en OCB (wenselijk gedrag in organisaties): als je je gesupport voelt/ positief
over organisatie etc. meer OCB
Job satisfaction en customer satisfaction: tevreden werknemers verhogen klanttevredenheid
en loyaliteit – tevreden werknemers zijn eerder vriendelijk, vrolijk en responsief
Job satisfaction en absteeism (ziekteverzuim): zwakke negatieve relatie want er wordt ook
aangemoedigd voor vrije dagen binnen organisaties, het heeft ook te maken met hoeveel
banen er beschikbaar zijn
College 1 (H1,2)
Doel OB
Organisaties effectiever maken
3 leertheorieën
Classical conditioning: waarbij iets onbewust wordt aangeleerd
Operant conditioning: bewust en vrijwillig dingen doet om een beloning te krijgen
Social learning: dit is leren door te observeren
Average vs succesful vs effective leaders
Average: vooral traditioneel management = besluiten, plannen, controleren
Succesful: vooral netwerken
Effective: vooral communicatie, andere mensen het werk laten doen, HRM
Manegement functies
Planning
Controlling
Organizing
Leading
(nog meer nodig om een effectieve manager te zijn)
Manegement roles
Interpersonal roles
Figurehead: symbolische taken
Leader: aannemen, trainen, motiveren en disciplineren van werknemers
Liaison: contact met outsiders om informatie te krijgen
Informational roles
Monitor: met mensen praten om erachter te komen wat mensen leuk vinden en wat
concurrenten van plan zijn
Disseminator: informatie doorgeven aan organisatieleden
Spokesperson: vertegenwoordigen van de organisatie naar buitenstaanders
Decisional roles
Entrepreneur: managers initiëren en begeleiden nieuwe projecten die de prestaties van
organisatie verbeteren
Disturbance handler: corrigerende maatregelen als reactie op problemen
Resource allocator: verantwoordelijk voor toewijzen van menselijke, fysieke en monetaire
middelen
Negotiator: problemen bespreken, met anderen onderhandelen om voordelen voor hen te
behalen
Manegement skills
Technical skills: gespecialiseerde expertise (komt vaak ook met ervaring)
Human skills: anderen begrijpen, motiveren en supporten
Conceptual skills: moeilijke situaties analyseren en diagnosticeren (beslissen)
,Intrinsieke vs excentrieke motivatie
Als je iets doet wat je leuk vindt, vind je een beloning niet nodig (intrinsiek) – als je er wel
een beloning voor krijgt gaat het meer voelen als een taak (excentriek)
Intuïtie vs systematische studie
Managers moeten beiden gebruiken: intuïtie is vaak gebaseerd op foutieve informatie, veel hypes in
management, systematische studie kost veel tijd (geld)
Intuïtie
Onderbuik gevoel
Individuele observatie
Gezond verstand
Systematische studie
Kijkt naar relaties
Wetenschappelijk bewijs
Voorspelt gedrag
Gevolg = Evidence-Based Management (EBM) - baseren managementbeslissingen op het
beste, beschikbare, wetenschappelijke bewijs
Onderzoeksmethodologie
Systematische observatie
Experimental research
Gedragsdisciplines
Psychologie: wetenschap die het gedrag van mensen en dieren probeert te meten, uit te
leggen, veranderen - bestuderen en individueel gedrag begrijpen
Sociologie: bestudeert mensen in relatie tot hun sociale omgeving of cultuur
Sociale psychologie: Richt zich op invloed van mensen op elkaar
Antropologie: leren over mensen en hun activiteiten
Basis individueel gedrag
Ability
Hoe slim, kundig je bent
Binnen organisatie sterkste voorspeller van prestaties op werk
Gebruikt bij aannemen van mensen
IQ verhogen: Intense fysieke inspanning
Intellectual abilities = het vermogen om mentale activiteiten te doen - denken, redeneren en
probleemoplossing
- Getalaanleg: snel en nauwkeurig
- Verbaal begrip: begrijoen wat er wordt gelezen/ gehoord
- Inductief redeneren: vermogen om logische volgorde in een probleem te identificeren
vervolgens het probleem op te lossen (bv. voorspellen vraag product door
marktonderzoeker)
- Deductief redeneren: vermogen om logica te gebruiken en de implicatie van een
argument te beoordelen (bv. kiezen tussen 2 suggesties van medewerkers)
- Ruimtelijke visualisatie: voorstellen hoe object eruit ziet in andere positie
- Geheugen: ervaringen uit verleden bewaren
General mental ability (GMA) = algemene factor van intelligentie
Physical abilities = taken doen die uithoudingsvermogen, kracht etc. nodig hebben
,Biografische eigenschappen
Geslacht – beïnvloedt niet hoe mensen presteren
Leeftijd – beïnvloedt niet hoe mensen presteren
Ervaring (aantal dienstjaren) – beïnvloedt wel hoe mensen presteren
Ras, etniciteit, religie – beïnvloedt niet hoe mensen presteren (anders discriminatie)
Sturen
Positive reinforcement = beloning voor wat je doet
Negative reinforcement = je neemt iets weg wat als onplezierig wordt ervaren
Punishment
Extinction = uitroeiing
Diversiteit
Steeds meer diversiteit in organisaties van belang: meer informatie en perspectieven, grotere poel
van potentiële werknemers, betere connectie markt, ethisch/eerlijk
Surface-level diversiteit
Verschillen in eigenschappen die makkelijk zichtbaar zijn (geslacht, ras, leeftijd)
Deep-level diversiteit
Verschillen in waarden, persoonlijkheid, voorkeuren om werk aanpak die minder makkelijk
zichtbaar zijn
Diversity management
Aantrekken, selecteren, ontwikkelen, behouden van divers personeel
Succesvol: benadrukken gelijkheid en eerlijkheid, leren voordelen van divers personeel,
benadrukken persoonlijke ontwikkeling waarbij verschillende perspectieven waardevol zijn
OB model
Inputs
Bv. Persoonlijkheid (individueel), groepsstructuur (groep), organisatiecultuur (organisatie)
Leggen de basis voor wat later gaat gebeuren
Processes
Bv. Emoties, stemmingen, motivatie, perceptie, besluitvorming (individueel), communicatie,
leiderschap, macht, conflict, onderhandeling (groep), HRM, veranderingspraktijken
(organisatie)
Acties die individuen/groepen/organisaties uitvoeren als gevolg van input die leiden tot
resultaten
Outcomes
Bv. Attitudes, tevredenheid, taakprestaties, burgerschapsgedrag, terugtrekkingsgedrag
(individueel), cohesie, functioneren (groep), winstgevendheid, overleving (organisatie)
Resultaten
College 2 (H3,4)
Attitudes
= Evaluatieve uitspraken/oordelen over objecten, mensen, acties gunstig of ongunstig
3 componenten:
- Cognitie (gedachtes, evaluatie): mening of overtuiging – beschrijving van of geloof in de
manier waarop dingen zijn (bv. mijn salaris is laag)
- Affect (gevoel): emotionele/ gevoelssegment (bv. ik ben boos over hoe weinig ik betaald
krijg)
, - Gedrag: intentie om je op een bepaalde manier te gedragen tegenover iets of iemand
(bv. ik ga op zoek naar een andere baan die beter betaalt)
Attitudes voorspellen gedrag, maar niet altijd
Theory of planned behaviour = attitude tov gedrag + subjectieve normen + waargenomen
controle over gedrag intentie gedrag
Modererende variabelen = welke variabelen hebben invloed op de relatie tussen attitudes en
gedrag:
- Belang van de attitude
- Overeenkomst met gedrag
- Toegankelijk
- Sociale druk
- Persoonlijke ervaring
Cognitieve dissonantie
= niet-combineerbaar gedrag en attitude
Het vervelende gevoel dat je hebt wanneer je iets ziet, doet, denkt (gedrag) dat in strijd is
met je eigen overtuigingen (attitude)
Oplossing: veranderen van attitude of gedrag rationaliseren
Sterkte van wens tot verandering hangt af van:
- Belang van de elementen
- Mate van invloed op de elementen
- Beloning van de dissonantie
Redenen attitude leidt niet tot gedrag
Self-presentation/ impression management: (sollicitatie, eerste keer schoonouders
ontmoeten)
Self-perception theory (Bem): mensen kijken naar hun eigen gedrag om hun attitude te
bepalen – als je attitude niet heel belangrijk is voor je
Origanizational roles: ander college
Job attitudes
Deze leiden tot: innovativer, betere prestaties, meer OCB, minder turnover (hoeveel mensen
organisatie verlaten)
Job satisfaction
= Positief gevoel over je baan als gevolg van een evaluatie van de kenmerken van de baan
Oorzaken:
- Uitdagend en plezierig werk
- Persoonlijkheid
- Salaris (deels) geld maakt weinig uit want mensen kunnen zich makkelijk aanpassen:
Adaptation-level phenomenon, Social comparison (Festinger)
Niet alleen over werkomstandigheden, ook persoonlijkheid speelt een rol (minder
positief/positief over zichzelf) core self-evaluations = bottom-line conclusions die
individuen hebben over hun capaciteiten/ kunde/ waarde als persoon
Job satisfaction en job performance: sterke samenhang
Job satisfaction en OCB (wenselijk gedrag in organisaties): als je je gesupport voelt/ positief
over organisatie etc. meer OCB
Job satisfaction en customer satisfaction: tevreden werknemers verhogen klanttevredenheid
en loyaliteit – tevreden werknemers zijn eerder vriendelijk, vrolijk en responsief
Job satisfaction en absteeism (ziekteverzuim): zwakke negatieve relatie want er wordt ook
aangemoedigd voor vrije dagen binnen organisaties, het heeft ook te maken met hoeveel
banen er beschikbaar zijn