, Inleiding
Kijkend naar de term ‘meubilair’, moet men een onderscheid maken tussen twee
verschillende soorten: het kerkmeubilair en het burgerlijke meubel. Het kerkmeubilair
is omvangrijker qua volume en kent een omslachtigere iconografie. Het burgerlijke
meubel is meer gefocust op mobiliteit en verhoogt het levenscomfort. Beide ontwerpen
beklemtonen de sociale status: hoe luxueuzer het object, hoe sterker ornamenten de
structuur overheersen.
Voor de uitwerking ervan worden de meest uiteenlopende materialen gebruikt, al komt
het vaak neer op een houtvariant. De meest eenvoudige (vaak ook oudste) meubels
gebruiken hierbij maar één materiaalsoort, daar waar luxueuzere ontwerpen leder,
metaal en zelfs zilver zouden integreren.
Flachschnitt: uitsnijding uit diepere lagen
HOUTSNIJWERK Halfreliëf: uitsnijding tot uitstekende delen
Sculptuur: losstaand figuur
SCHILDERWERK
Intarsia: inlegwerk in fijne strookjes en vlakken
Certosina: inlegwerk met ivoor
INLEGWERK Fineer: kleefwerk van hout op minderwaardig hout
Marquetterie: pictoraal beeld in verschillende materialen
Het is echter moeilijk ver terug te gaan in de tijd, omdat de geschreven bronnen zo
schaars zijn. Enkele archieven van producenten bleven bewaard alsook vorderingen of
boedelinvertarissen. Verder zijn er ook iconografische bronnen, waaronder gravures uit
modelboeken, schilderijen, poppenhuizen, … Als laatste komen de bewaarde meubelen
aan bod. Het gaat hier dan over oude ziekenhuizen, kastelen, boerenmeubels, … Hier
echter duikt het probleem van authenticiteit en sociale differentiatie op. Velen onder
hen zijn bewaard omwille van hun kostbaarheid, de specifieke iconografie, …
Basisgebruiksvoorwerpen met andere woorden werden zelden bewaard.