Inleiding en geschiedenis van de psychologie
Hoofdstuk 1: Foundational ideas from Antiquity
- Ideeën uit die klassieke oudheid, die later belangrijk werden voor de psychologie.
- De vier belangrijkste personen: Aristoteles, Plato, Alhazen en Avicenna.
- Hoofdvraag: Waar komt onze kennis vandaan en wat is de rol van de geest?
Hippocrates:
- Filosoof die zich bezighield met menselijk functioneren. Hij schreef met zijn
aanhangers hippocratisch corpus (= schriften die ziekten als natuurlijke
fenomenen beschreven). Ook had hij een (humorale) theorie over ziek zijn. Ziek
zijn was onevenwicht tussen de 4 belangrijke vloeistoffen (bloed, geel- en zwart
gal en slijm). Dit kon gezien worden als het begin van de geneeskunde.
Socrates:
- Socrates schreef zelf zijn discussies niet op, dus alles wat wij van hem weten
komt van Plato en Aristoteles. Socrates > Plato > Aristoteles.
- Socrates stond bekend om de manier waarop hij kennis overbracht. Hij vertelde
niemand wat ze moesten denken, maar stelde vragen. Dit vertaalde Plato later
naar het rationalisme (= de waarheid kan worden achterhaald door er onder na te
denken of beredeneren) en nativisme (= aangeboren kennis om die waarheid te
achterhalen) en werd de basis voor mentale filosofie. Dit is een vorm van
deductief informatie ophalen.
Plato:
- Hij was op zoek naar de waarheid. In zijn idealisme maakt hij onderscheid in
twee vormen:
- Verschijningsvorm (= de manier waarop je naar de wereld kijkt, dus eigenlijk wat
je ziet) > Bijvoorbeeld: jij ervaart een jurk roze en een ander oranje.
- Ideale vorm (= de echte idealen die zich in jouw geest bevinden) > Bijvoorbeeld: in
jouw hoofd heb je het plaatje van een perfecte cirkel, maar in het echte leven
bestaan die niet.
- Volgens hem moest de filosoof mensen helpen in dit proces. Ze hadden
rationalisme en nativisme nodig om tot die ideale vorm te komen. Dit konden ze
niet alleen doen door naar de wereld te kijken (verschijningsvorm). Zouden ze dit
wel doen, dan zouden ze de waarheid over hoe de wereld in elkaar zit, nooit
ontdekken.
- De psyche (= geest) bestond volgens Plato uit verschillende
onderdelen. Hij legde dit uit aan de hand van een voorbeeld. Jij
bent de koetsier en bestuurt twee paarden. Het ene paard gaat
zijn lusten achterna (seks, honger) en het andere paard dat zijn
plichten achterna (verantwoordelijkheden). Het is jouw taak te
beredeneren hoe je deze paarden in evenwicht krijgt.
,Aristoteles:
- Hij was leerling van Plato, dus over veel dingen dacht hij hetzelfde. Maar hier
worden de verschillen omschreven.
- Aristoteles was een voorstander van het empirisme (= kennis komt voort uit
observeren en deze informatie classificeren). Dit is een vorm van inductief
informatie ophalen.
- De indeling die wij maken op basis van die informatie wordt taxonomie
(katachtige, roofvogels). Voor we dit kunnen doen, gaat deze informatie eerst
door verschillende filters. Substantie (wat), kwantiteit, kwaliteit (kleur, vorm),
plaats, tijd, relatie (bijv. groter-kleiner) en activiteit (wat doet het?). De methode
van denken werd beter bekend als de Aristotelische logica.
- Ook zijn de verschillende organismen onder te verdelen in zielen:
1. Vegetatieve zielen, zielen die zich alleen kunnen voeden en voortplanten
(planten).
2. Sensitieve zielen, zielen hebben sentaties, geheugen en kunnen bewegen en dingen
verbeelden (dieren).
3. Rationele zielen, zielen die logisch kunnen redeneren (mensen).
Democritus:
- Hij leefde rond dezelfde tijd als Socrates en ontwikkelde de atoomtheorie (=
objecten bestaan uit kleine deeltjes). De theorie botste met de Griekse causaliteit
(= elke actie moet een doel hebben). Aristoteles kwam daarom met de vier
componenten waaruit een actie zou moeten bestaan:
1) Materiële oorzaak, de materie waar iets uit is gemaakt.
2) Formele oorzaak, het plan dat de actie veroorzaakt.
3) Efficiënte oorzaak, handelingen die de actie tot stand brengen.
4) Uiteindelijke oorzaak, de reden waarom een actie is veroorzaakt.
Andere filosofen:
- Epicurus: hij was een voorstander van de atoomtheorie en gaf er zijn eigen draai
aan in een gedicht, De Remun Natura (over de natuur dingen).
- Pythagoras: net voor Socrates. Hij laat de regelmaat van wiskunde zien en
brengt het in relatie met de fysieke wereld.
- Heraclitus: generatie na Pythagoras. Deed onderzoek naar de relatie tussen
stabiliteit en verandering.
- Zeno: generatie na Heraclitus. Bedacht het concept van oneindigheid.
- Protagoras: dezelfde tijd als Socrates. Hij was niet geïnteresseerd in de
samenstelling van de aarde, maar meer in menselijke ervaringen en gedrag. Heel
optimistisch en relatief dus.
- Al-kindi: een islamiet die algebra bedacht (indo-arabische nummering).
Hierdoor konden grote latijnse sommen makkelijker worden opgelost.
Alhazen:
, - Hij schreef boeken over optica en visuele waarneming. Ook bewees hij dat zien
iets passiefs was, net als horen. Dit liet hij zien met het camera obscura-model.
Hij zei: als je in een donkere kamer een klein gaatje maakt
en een persoon met daglicht buiten voor dit gaatje laat
staan, zal er in de kamer een projectie komen van de
persoon maar dan omgedraaid en iets vager door het
minder licht. Dit is precies hoe je oog ook werkt.
Avicenna:
- Avicenna borduurt verder op de ideeën van Aristoteles, maar voegt hier dingen
aan toe.
- Zo zou Aristoteles alleen rekening gehouden hebben met de externe zintuigen,
maar heeft ons ziel ook interne zintuigen. Deze zintuigen duiden introspectie
aan (naar binnen kijken).
- Interne zintuigen: combinatie, verbeelding, geheugen, inschatting (kansen en
gevaar inschatten) en neiging (handelingsimpulsen).
- Ook tekende Avicenna zijn eigen betekenis aan zelfbewustzijn toe, aan de hand
van het floating man-experiment. Hij zei: als je in je eentje door de ruimte zou
zweven, zonder sensorische prikkels, dan is het gene wat overblijft je
zelfbewustzijn.
Onthoudt welke filosoof aan welke gedachtestroom heeft bijgedragen!
Hoofdstuk 2: Pioneering philosophers of mind
- De ideeën van drie filosofen over lichaam, geest en kennis.
- Filosofen: Descartes, Locke en Leibniz
- De vragen die zij beantwoorden waren: Wat is de relatie tussen lichaam en
geest? Hoe komen we tot kennis over de wereld?
René Descartes:
Methode:
- Descartes was eigenwijs en konden de mensen en boeken volgens hem niet
vertrouwen voor kennis. Hij kon alleen voor kennis op zichzelf vertrouwen.
- Zijn methode hiervoor was als volgt:
1. Methodologisch twijfelen aan alles, weet ik iets niet zeker, dan twijfelen.
2. Bij kennis was denken (deductie) belangrijker dan sensorische ervaring (inductie).
3. Op zoek naar simple natures (= fundamentele eigenschappen van fysieke
fenomenen waaraan je niet kunt twijfelen)
> Aan extensie (iets dat ruimte inneemt) en beweging (iets beweegt door de ruimte heen)
kon niet worden getwijfeld volgens hem.
Je moet de drie verschillende methoden van Descartes kennen!
- Galileo had hier soortgelijke ideeën over. Alles wat je ziet in de wereld om ons
heen, heeft twee soorten kenmerken:
, 1. Primaire kwaliteiten, de eigenschappen van de voorwerpen zelf (vorm,
hoeveelheid en beweging).
2. Secundaire kwaliteiten, de eigenschappen die ontstaan als wij interactie zoeken
met deze voorwerpen (zicht, geluid en gevoel).
Fysica van Descartes:
- Hij geloofde dat de hele wereld uit deeltjes bestond en dat deze deeltjes extensie
en beweging bevatten. Hij zei dat alles wat je zag gevuld was met deeltjes en dat
er geen leegtes waren. Beweging laat dit zien (bijv. Als je tegen een blaadje blaast,
gaat die bewegen. Dit komt doordat de deeltjes die je uitblaast, tegen de deeltjes in
de lucht komen, die uiteindelijk het blaadje laten bewegen).
Mechanistische fysiologie van Descartes:
- Ook leerden Descartes over de verschillende soorten zielen van Aristoteles
(vegetatief, sensitief en rationeel). Maar volgens hem was er alleen het rationele
ziel die vergeleken kon worden met machines.
- Ook dacht Descartes dat onze zenuwen holle buisjes waren die hersenvocht
(animal spirits zoals hij het noemde) door zich heen hadden stromen. Met de
relatie tussen de hersenen en zenuwen kon hij een verklaring maken voor een
reflex.
- Automatisch reflex. Een reflex is een combinatie van een
stimulus (uit de externe wereld) en een respons (van het
lichaam). Descartes dacht dat de deeltjes van een stimulus
tegen de zenuwbanen aankwam, die vervolgens via de
hersenvloeistof de reactie door gaf aan de hersenen, de
hersenen stuurde een reactie terug via de zenuw en zo kan je
met je spieren reageren op de stimulus (bijv. bij een brandend
vuur). Dit noemde hij het automatische reflex.
- Aangeleerd reflex. Ook dacht Descartes dat je door iets te
leren de hersenstructuur kon veranderen. Door deze
verandering zou het makkelijker worden voor de hersenvloeistof de route van
zenuwbanen te maken en zou daarom de handeling in een aangeleerd “reflex”
veranderen (bijv. een instrument bespelen).
- Passies. Hij verklaarde passievol reageren (of emotioneel) ook door de
hersenvloeistof. Ben je bijvoorbeeld boos, dan gaat de vloeistof alle kanten op en
zal je met veel passie reageren op externe prikkels. Maar ben je verdrietig, dan
ligt de vloeistof heel laag en zul je met weinig energie reageren op externe
prikkels.
- Bijzonder aan zijn ideeën is dat hij een model heeft ontworpen waarin externe
prikkels een interne reactie in het lichaam geven. En de ziel (Aristoteles) hoeft
niet meer te worden gebruikt om dingen te verklaren. Zijn theorie is geheel
gebaseerd op fysica. Alleen het rationele ziel van Aristoteles kon hij nog niet met
zijn fysica verklaren.
Hoofdstuk 1: Foundational ideas from Antiquity
- Ideeën uit die klassieke oudheid, die later belangrijk werden voor de psychologie.
- De vier belangrijkste personen: Aristoteles, Plato, Alhazen en Avicenna.
- Hoofdvraag: Waar komt onze kennis vandaan en wat is de rol van de geest?
Hippocrates:
- Filosoof die zich bezighield met menselijk functioneren. Hij schreef met zijn
aanhangers hippocratisch corpus (= schriften die ziekten als natuurlijke
fenomenen beschreven). Ook had hij een (humorale) theorie over ziek zijn. Ziek
zijn was onevenwicht tussen de 4 belangrijke vloeistoffen (bloed, geel- en zwart
gal en slijm). Dit kon gezien worden als het begin van de geneeskunde.
Socrates:
- Socrates schreef zelf zijn discussies niet op, dus alles wat wij van hem weten
komt van Plato en Aristoteles. Socrates > Plato > Aristoteles.
- Socrates stond bekend om de manier waarop hij kennis overbracht. Hij vertelde
niemand wat ze moesten denken, maar stelde vragen. Dit vertaalde Plato later
naar het rationalisme (= de waarheid kan worden achterhaald door er onder na te
denken of beredeneren) en nativisme (= aangeboren kennis om die waarheid te
achterhalen) en werd de basis voor mentale filosofie. Dit is een vorm van
deductief informatie ophalen.
Plato:
- Hij was op zoek naar de waarheid. In zijn idealisme maakt hij onderscheid in
twee vormen:
- Verschijningsvorm (= de manier waarop je naar de wereld kijkt, dus eigenlijk wat
je ziet) > Bijvoorbeeld: jij ervaart een jurk roze en een ander oranje.
- Ideale vorm (= de echte idealen die zich in jouw geest bevinden) > Bijvoorbeeld: in
jouw hoofd heb je het plaatje van een perfecte cirkel, maar in het echte leven
bestaan die niet.
- Volgens hem moest de filosoof mensen helpen in dit proces. Ze hadden
rationalisme en nativisme nodig om tot die ideale vorm te komen. Dit konden ze
niet alleen doen door naar de wereld te kijken (verschijningsvorm). Zouden ze dit
wel doen, dan zouden ze de waarheid over hoe de wereld in elkaar zit, nooit
ontdekken.
- De psyche (= geest) bestond volgens Plato uit verschillende
onderdelen. Hij legde dit uit aan de hand van een voorbeeld. Jij
bent de koetsier en bestuurt twee paarden. Het ene paard gaat
zijn lusten achterna (seks, honger) en het andere paard dat zijn
plichten achterna (verantwoordelijkheden). Het is jouw taak te
beredeneren hoe je deze paarden in evenwicht krijgt.
,Aristoteles:
- Hij was leerling van Plato, dus over veel dingen dacht hij hetzelfde. Maar hier
worden de verschillen omschreven.
- Aristoteles was een voorstander van het empirisme (= kennis komt voort uit
observeren en deze informatie classificeren). Dit is een vorm van inductief
informatie ophalen.
- De indeling die wij maken op basis van die informatie wordt taxonomie
(katachtige, roofvogels). Voor we dit kunnen doen, gaat deze informatie eerst
door verschillende filters. Substantie (wat), kwantiteit, kwaliteit (kleur, vorm),
plaats, tijd, relatie (bijv. groter-kleiner) en activiteit (wat doet het?). De methode
van denken werd beter bekend als de Aristotelische logica.
- Ook zijn de verschillende organismen onder te verdelen in zielen:
1. Vegetatieve zielen, zielen die zich alleen kunnen voeden en voortplanten
(planten).
2. Sensitieve zielen, zielen hebben sentaties, geheugen en kunnen bewegen en dingen
verbeelden (dieren).
3. Rationele zielen, zielen die logisch kunnen redeneren (mensen).
Democritus:
- Hij leefde rond dezelfde tijd als Socrates en ontwikkelde de atoomtheorie (=
objecten bestaan uit kleine deeltjes). De theorie botste met de Griekse causaliteit
(= elke actie moet een doel hebben). Aristoteles kwam daarom met de vier
componenten waaruit een actie zou moeten bestaan:
1) Materiële oorzaak, de materie waar iets uit is gemaakt.
2) Formele oorzaak, het plan dat de actie veroorzaakt.
3) Efficiënte oorzaak, handelingen die de actie tot stand brengen.
4) Uiteindelijke oorzaak, de reden waarom een actie is veroorzaakt.
Andere filosofen:
- Epicurus: hij was een voorstander van de atoomtheorie en gaf er zijn eigen draai
aan in een gedicht, De Remun Natura (over de natuur dingen).
- Pythagoras: net voor Socrates. Hij laat de regelmaat van wiskunde zien en
brengt het in relatie met de fysieke wereld.
- Heraclitus: generatie na Pythagoras. Deed onderzoek naar de relatie tussen
stabiliteit en verandering.
- Zeno: generatie na Heraclitus. Bedacht het concept van oneindigheid.
- Protagoras: dezelfde tijd als Socrates. Hij was niet geïnteresseerd in de
samenstelling van de aarde, maar meer in menselijke ervaringen en gedrag. Heel
optimistisch en relatief dus.
- Al-kindi: een islamiet die algebra bedacht (indo-arabische nummering).
Hierdoor konden grote latijnse sommen makkelijker worden opgelost.
Alhazen:
, - Hij schreef boeken over optica en visuele waarneming. Ook bewees hij dat zien
iets passiefs was, net als horen. Dit liet hij zien met het camera obscura-model.
Hij zei: als je in een donkere kamer een klein gaatje maakt
en een persoon met daglicht buiten voor dit gaatje laat
staan, zal er in de kamer een projectie komen van de
persoon maar dan omgedraaid en iets vager door het
minder licht. Dit is precies hoe je oog ook werkt.
Avicenna:
- Avicenna borduurt verder op de ideeën van Aristoteles, maar voegt hier dingen
aan toe.
- Zo zou Aristoteles alleen rekening gehouden hebben met de externe zintuigen,
maar heeft ons ziel ook interne zintuigen. Deze zintuigen duiden introspectie
aan (naar binnen kijken).
- Interne zintuigen: combinatie, verbeelding, geheugen, inschatting (kansen en
gevaar inschatten) en neiging (handelingsimpulsen).
- Ook tekende Avicenna zijn eigen betekenis aan zelfbewustzijn toe, aan de hand
van het floating man-experiment. Hij zei: als je in je eentje door de ruimte zou
zweven, zonder sensorische prikkels, dan is het gene wat overblijft je
zelfbewustzijn.
Onthoudt welke filosoof aan welke gedachtestroom heeft bijgedragen!
Hoofdstuk 2: Pioneering philosophers of mind
- De ideeën van drie filosofen over lichaam, geest en kennis.
- Filosofen: Descartes, Locke en Leibniz
- De vragen die zij beantwoorden waren: Wat is de relatie tussen lichaam en
geest? Hoe komen we tot kennis over de wereld?
René Descartes:
Methode:
- Descartes was eigenwijs en konden de mensen en boeken volgens hem niet
vertrouwen voor kennis. Hij kon alleen voor kennis op zichzelf vertrouwen.
- Zijn methode hiervoor was als volgt:
1. Methodologisch twijfelen aan alles, weet ik iets niet zeker, dan twijfelen.
2. Bij kennis was denken (deductie) belangrijker dan sensorische ervaring (inductie).
3. Op zoek naar simple natures (= fundamentele eigenschappen van fysieke
fenomenen waaraan je niet kunt twijfelen)
> Aan extensie (iets dat ruimte inneemt) en beweging (iets beweegt door de ruimte heen)
kon niet worden getwijfeld volgens hem.
Je moet de drie verschillende methoden van Descartes kennen!
- Galileo had hier soortgelijke ideeën over. Alles wat je ziet in de wereld om ons
heen, heeft twee soorten kenmerken:
, 1. Primaire kwaliteiten, de eigenschappen van de voorwerpen zelf (vorm,
hoeveelheid en beweging).
2. Secundaire kwaliteiten, de eigenschappen die ontstaan als wij interactie zoeken
met deze voorwerpen (zicht, geluid en gevoel).
Fysica van Descartes:
- Hij geloofde dat de hele wereld uit deeltjes bestond en dat deze deeltjes extensie
en beweging bevatten. Hij zei dat alles wat je zag gevuld was met deeltjes en dat
er geen leegtes waren. Beweging laat dit zien (bijv. Als je tegen een blaadje blaast,
gaat die bewegen. Dit komt doordat de deeltjes die je uitblaast, tegen de deeltjes in
de lucht komen, die uiteindelijk het blaadje laten bewegen).
Mechanistische fysiologie van Descartes:
- Ook leerden Descartes over de verschillende soorten zielen van Aristoteles
(vegetatief, sensitief en rationeel). Maar volgens hem was er alleen het rationele
ziel die vergeleken kon worden met machines.
- Ook dacht Descartes dat onze zenuwen holle buisjes waren die hersenvocht
(animal spirits zoals hij het noemde) door zich heen hadden stromen. Met de
relatie tussen de hersenen en zenuwen kon hij een verklaring maken voor een
reflex.
- Automatisch reflex. Een reflex is een combinatie van een
stimulus (uit de externe wereld) en een respons (van het
lichaam). Descartes dacht dat de deeltjes van een stimulus
tegen de zenuwbanen aankwam, die vervolgens via de
hersenvloeistof de reactie door gaf aan de hersenen, de
hersenen stuurde een reactie terug via de zenuw en zo kan je
met je spieren reageren op de stimulus (bijv. bij een brandend
vuur). Dit noemde hij het automatische reflex.
- Aangeleerd reflex. Ook dacht Descartes dat je door iets te
leren de hersenstructuur kon veranderen. Door deze
verandering zou het makkelijker worden voor de hersenvloeistof de route van
zenuwbanen te maken en zou daarom de handeling in een aangeleerd “reflex”
veranderen (bijv. een instrument bespelen).
- Passies. Hij verklaarde passievol reageren (of emotioneel) ook door de
hersenvloeistof. Ben je bijvoorbeeld boos, dan gaat de vloeistof alle kanten op en
zal je met veel passie reageren op externe prikkels. Maar ben je verdrietig, dan
ligt de vloeistof heel laag en zul je met weinig energie reageren op externe
prikkels.
- Bijzonder aan zijn ideeën is dat hij een model heeft ontworpen waarin externe
prikkels een interne reactie in het lichaam geven. En de ziel (Aristoteles) hoeft
niet meer te worden gebruikt om dingen te verklaren. Zijn theorie is geheel
gebaseerd op fysica. Alleen het rationele ziel van Aristoteles kon hij nog niet met
zijn fysica verklaren.