College 6 – RNA controle van genexpressie / taak 5
DNA ligt om histonen gewikkeld → strak dan is het niet toegankelijk voor replicatie en
transcriptie
Chromatine remodelling = chromatine moet veranderen van structuur op de plek waar
transcriptie plaats gaat vinden → er moet transcriptionele activatie plaatsvinden → aantal
eiwitten op promotor binden → RNA polymerase II bindt op promotor → transcriptie starten
Transcriptie initiatie:
- Promotor regio (TATA-box) → TSS (transcriptional start side) → exon 1
1
, - DNA 2x om octameer van histonen gewikkeld = nucleosoom
- Nucleosomen dichter tot elkaar gebracht worden → histon 1 kan zorgen voor
aantrekking tot de andere nucleosomen → lengte neemt af, compactheid neemt toe
- Chromatine fiber = in loops
- Chromosomen = alleen tijdens mitose
Wanneer vindt transcriptie plaats:
1. Signalen worden ontvangen door kern → dat een gen geactiveerd moet worden
2. Transcriptie-regulatoren worden actief
3. Chromatine structuur verandert waardoor transcriptiefactoren kunnen binden aan de
promotor van een gen
4. Vorming van een transcriptie initiatie-complex
5. Transcriptie kan beginnen
Gen regulatie:
- Elk gen heeft een promotor
- TSS = positie 1, waar transcriptie begint
- Promotor = -1000 bp voor positie 1 tot +100bp na positie 1
- Promotor regio = plek waar algemene transcriptiefactoren binden en de plek waar
RNA polymerase II bindt
- Cis-regulerende sequenties = hieraan kunnen specifieke transcriptie factoren binden,
kunnen heel ergens anders liggen dan de promotor, ver van de promotor af
➢ Enhancer = versterken transcriptie → stimuleren promotor
➢ Repressor = voorkomen dat transcriptie plaatsvindt → remmen promotor
Chromatine remodeling = eiwitten die als functie hebben om het chromatine te
herstructureren → chromatine krijgt meer relaxte staat op dat punt → toegankelijker voor
andere eiwitten
2
,Histone actyl transferase (HAT) = eiwit/enzyme die actyl groepen op histonen plaatsen →
lading veranderen → vorm histonen veranderen → aantrekken chromatine remodeling
factoren
- Chromatine structuur is dynamisch → delen van het genoom afwisselend wel/niet
toegankelijk
Histon staartje/ chemische modificatie van histonen = eiwit die gemodificeerd kan worden,
vorm van post-translationele modificaties
➢ Veranderen affiniteit van histonen voor DNA of naast gelegen nucleosomen
➢ Aantrekken van niet-histon eiwitten chromatine condenseren of relaxeren
Chromatine- remodelling complexen = DNA verschuift, relatieve positie waar het DNA om
het nucleosoom zit → kost energie (komt vrij door ATP om te zetten in ADP waarbij
fosforgroep vrij komt) → ander stuk DNA komt vrij en kan afgelezen worden
3
, Enhancers:
- DNA kan dubbel vouwen, waardoor de enhancer dicht bij de promotor ligt
- Aan de enhancer kan een transcriptie factor binden, aan promotor kunnen eiwitten
binden, ertussen in kunnen eiwitten binden die aan beide kunnen binden
- Mediator = door complex blijft het gehele complex stabiel, meer verschillende
bindingen die langer blijven zitten → RNA en Transcriptiefactoren blijven langer
gebonden op de promotor
4
DNA ligt om histonen gewikkeld → strak dan is het niet toegankelijk voor replicatie en
transcriptie
Chromatine remodelling = chromatine moet veranderen van structuur op de plek waar
transcriptie plaats gaat vinden → er moet transcriptionele activatie plaatsvinden → aantal
eiwitten op promotor binden → RNA polymerase II bindt op promotor → transcriptie starten
Transcriptie initiatie:
- Promotor regio (TATA-box) → TSS (transcriptional start side) → exon 1
1
, - DNA 2x om octameer van histonen gewikkeld = nucleosoom
- Nucleosomen dichter tot elkaar gebracht worden → histon 1 kan zorgen voor
aantrekking tot de andere nucleosomen → lengte neemt af, compactheid neemt toe
- Chromatine fiber = in loops
- Chromosomen = alleen tijdens mitose
Wanneer vindt transcriptie plaats:
1. Signalen worden ontvangen door kern → dat een gen geactiveerd moet worden
2. Transcriptie-regulatoren worden actief
3. Chromatine structuur verandert waardoor transcriptiefactoren kunnen binden aan de
promotor van een gen
4. Vorming van een transcriptie initiatie-complex
5. Transcriptie kan beginnen
Gen regulatie:
- Elk gen heeft een promotor
- TSS = positie 1, waar transcriptie begint
- Promotor = -1000 bp voor positie 1 tot +100bp na positie 1
- Promotor regio = plek waar algemene transcriptiefactoren binden en de plek waar
RNA polymerase II bindt
- Cis-regulerende sequenties = hieraan kunnen specifieke transcriptie factoren binden,
kunnen heel ergens anders liggen dan de promotor, ver van de promotor af
➢ Enhancer = versterken transcriptie → stimuleren promotor
➢ Repressor = voorkomen dat transcriptie plaatsvindt → remmen promotor
Chromatine remodeling = eiwitten die als functie hebben om het chromatine te
herstructureren → chromatine krijgt meer relaxte staat op dat punt → toegankelijker voor
andere eiwitten
2
,Histone actyl transferase (HAT) = eiwit/enzyme die actyl groepen op histonen plaatsen →
lading veranderen → vorm histonen veranderen → aantrekken chromatine remodeling
factoren
- Chromatine structuur is dynamisch → delen van het genoom afwisselend wel/niet
toegankelijk
Histon staartje/ chemische modificatie van histonen = eiwit die gemodificeerd kan worden,
vorm van post-translationele modificaties
➢ Veranderen affiniteit van histonen voor DNA of naast gelegen nucleosomen
➢ Aantrekken van niet-histon eiwitten chromatine condenseren of relaxeren
Chromatine- remodelling complexen = DNA verschuift, relatieve positie waar het DNA om
het nucleosoom zit → kost energie (komt vrij door ATP om te zetten in ADP waarbij
fosforgroep vrij komt) → ander stuk DNA komt vrij en kan afgelezen worden
3
, Enhancers:
- DNA kan dubbel vouwen, waardoor de enhancer dicht bij de promotor ligt
- Aan de enhancer kan een transcriptie factor binden, aan promotor kunnen eiwitten
binden, ertussen in kunnen eiwitten binden die aan beide kunnen binden
- Mediator = door complex blijft het gehele complex stabiel, meer verschillende
bindingen die langer blijven zitten → RNA en Transcriptiefactoren blijven langer
gebonden op de promotor
4