Ontwikkelingspsychologie voor leerkrachten
HOOFDSTUK 2
Begrippen uit de ontwikkelingspsychologie:
Leefwereld
De diversiteit van leerlingen heeft te maken met de verschillen in aanleg, maar ook de verschillen in
leefwereld. Het gezin en de buurt waar zij wonen is voor basisschoolkinderen het belangrijkste milieu.
De verschillen in sociaal milieu komen tot uitdrukking in taal, samenstelling van de gezinnen,
woonomstandigheden, verschillen in inkomen, aantal kinderen in een gezin en verschillen in betrokkenheid
van de ouders bij de school.
Het geheel van sociaal-culturele factoren vormt ook de leefwereld van een kind. Verder groeien kinderen ook
op in verschillende buurten met verschillende mogelijkheden. Je kunt daarbij een onderscheid maken tussen
etnische verschillen, sociale verschillen en culturele verschillen, en de invloed daarvan op het onderwijs.
Belevingswereld
Onder de belevingswereld verstaan we de manier waarop kinderen hun leefwereld ervaren. Zo kunnen twee
kinderen die in dezelfde leefwereld leven wat betreft sociale en culturele achtergronden het op hele andere
manieren beleven.
Kenmerken van middenbouwkinderen: scheiding van fantasie en werkelijkheid, meer ordening en structuur.
Zo staat bij bovenbouwkinderen het hangen naar realiteit voorop en dat inzicht in sociale relaties toeneemt,
dat kinderen abstract gaan redeneren en een eigen mening gaan vormen.
Klassieke ontwikkelingspsychologie
In de klassieke ontwikkelingspsychologie zien we een regelmatige opeenvolging van stadia, waarbij elk
stadium een vooruitgang van het vorige stadium betekent.
De klassieke ontwikkelingspsychologie was een beschrijvende wetenschap. Die beschrijvingen evenals de
ontwikkelingsnormen bleken daarbij sterk tijd- en cultuurgebonden te zijn. de klassieke
ontwikkelingspsychologie gaat uit van aan de biologie ontleende opvattingen over groei en ontwikkeling. Het
gaat er dan ook vanuit dat er een eindpunt van ontwikkeling is. het werd synoniem met het proces van
volwassenwording. In deze manier van denken zijn een drietal factoren van belang:
- De chronologische leeftijd: op een bepaalde leeftijd mag je bepaalde gedragingen en veranderingen
verwachten
- De biologische leeftijd: de menselijke ontwikkeling wordt min of meer bepaald door fysieke factoren
- De sociale context: uitgangspunt is dat ontwikkeling bepaald wordt door invloed van de omgeving.
Levenslooppsychologie
Het gedrag van ouderen wordt mede bepaald door de manier waarop hun leven is verlopen. Ieder mens
maakt die individueel door. Binnen de levenslooppsychologie wordt veel meer aandacht besteed aan de
interactie tussen kinderen en hun omgeving en de impact daarvan op de verdere levensloop. Er is dus geen
eenduidig eindpunt, zoals die bij de klassieke ontwikkelingspsychologie.
Ontwikkeling – ervaring – rijping
Zolang de psychologie als wetenschap bestaat, heeft men zich afgevraagd of ontwikkeling het sterkst bepaald
is door de aanleg van het kind of door ervaringen die een kind heeft opgedaan en de omgeving waarin het
opgroeit. De theorie die de nadruk legt op de biologische ontwikkeling heeft daarbij als invalshoek ‘nature,
aanleg en genen. De ‘nurture’-theorie hecht het meeste belang aan de omstandigheden waaronder iemand
opgroeit. Er is sprake van ontwikkeling en rijping.
Naast de aanleg van het kind en de omgevingsfactoren kan als bepalend voor de ontwikkeling de rijping van
het centrale zenuwstelsel genoemd worden. De ontwikkeling van de hersenen gebeurt vanuit interactie met
de omgeving. Ontwikkeling is dus niet alleen een kwestie van ervaring, maar ook van rijping.
1
,De ecologische benadering
Bronfenbrenner stelt dat de mens een gemeenschapswezen is dat door zijn gedrag reageert op wat er in zijn
omgeving gebeurt. De ecologische pedagogiek gaat uit van interacties van mensen met hun omgeving. De
ontwikkeling wordt voor een belangrijk deel door de interacties bepaald. Het individu past zich aan zijn
omgeving aan, maar kan die omgeving ook beïnvloeden.
Het is goed om onderscheid te maken tussen:
- Processen die te maken hebben met de rechtstreekse interacties van een kind met zijn directe
omgeving (gezin, buurt, vriendjes)
- Factoren die verder van het kind af liggen (werkloosheid, onderwijsbeleid, instituties zoals school en
kerk).
Volgens Bronfenbrenner heeft de opvoeder de meeste invloed op de interacties van het kind. Hij wijst erop
dat we uitgesproken moeten letten op de ideeën van de opvoeder en zijn vaardigheid om interacties aan te
gaan.
Identiteit
Je hebt een eigen identiteit als je naar buiten toe op een harmonieuze manier optreedt, een samenhangend
geheel dat je ‘een eigen stijl’ zou kunnen noemen. Je identiteit groeit en vertoont, als het goed is, in
toenemende mate samenhang.
Zodra een kind ouder wordt, wordt het bewust van de omgeving. Ze worden zich bewust van wat anderen
misschien van ze kunnen denken. Dit zelfbeeld is nogal bepalend voor hoe het kind in de wereld staat. Heeft
een kind een negatief zelfbeeld opgebouwd, dan kan dat negatieve effecten hebben zoals: onderpresteren,
leer- en gedragsstoornissen. Als kind succes ervaart en zich dus competent voelt, dan ontwikkelt het ook een
gevoel van autonomie: ik dit zélf en ik kan dit goed. Autonomie en competentie ontwikkelen zich het best
wanneer er een relatie is die een veilig gevoel geeft.
Het gaat bij identiteit om het aannemen van waarden, principes en maatschappelijke rollen, om de
zogenoemde ‘eigen stijl’. In de persoonlijke identiteit worden ervaringen uit het verleden, de eisen die de
maatschappij stelt en toekomstverwachtingen tot een samenhangend geheel gevormd.
Meervoudige intelligentie
Gardner ontwikkelde de theorie van Meervoudige Intelligentie en hij stelde bovendien vast dat intelligenties
zich ontwikkelen. Vanuit het kind ontwikkelen de intelligenties zich als reactie op wat de omgeving biedt. Dit
is een interactief proces. Intelligentie is daarmee volgens Gardner een dynamisch begrip. We zouden volgens
Gardner meer tijd moeten nemen om kinderen te helpen hun natuurlijke capaciteiten te ontwikkelen.
2
, De psychoanalytische theorie van Freud
Fixatie = te veel of te weinig bevrediging
kan tot stagnering van de ontwikkeling
leiden
Drifttheorie:
Denken en handelen worden bepaald door seksuele en
agressieve driften die aangeboren zijn en altijd invloed
blijven hebben. Regressie = terugvallen op eerde fasen
Es en Über-ich/Superego:
De psyche van de pasgeboren baby bestaat nog hoofdzakelijk uit een
bron van aangeboren driften: Es. Bevredigen van die driften staat
centraal.
Slechte afweermechanismes:
Rond het vijfde jaar ontstaat de gewetensfunctie: Über-ich of Superego. - Verdringing: gevoelens worden
Door opvoeding ontstaat er een conflict tussen het bevredigende Es en ‘vergeten’ of weggehouden.
het verbiedende Superego. Het kind is ervan op de hoogte dat dingen - Ontkenning: nare gebeurtenissen
verboden zijn. worden niet ‘gezien’.
- Projectie: negatieve eigenschappen
Het Ego zoekt naar oplossingen om die spanning te verminderen. worden aan andere toegekend i.p.v.
Daarbij ontstaan frustraties. Deze conflicten zijn nodig voor de latere jezelf
persoonlijkheid = genetisch gezichtspunt. - Reactieformatie: ander gedrag
Instinctieve impulsen kunnen omgebogen worden tot acceptabele vertonen dan normaal.
uitingen = sublimeren. - Rationalisatie: d.m.v. redeneringen
dingen goed praten.
Ontwikkeling persoonlijkheid in 5 stadia:
1. De orale fase (0-1,5 jaar)
- Zuigen is belangrijkste bron van lust.
- Lustbevrediging > voeding, duimzuigen en mondbewegingen.
2. De anale fase (1,5-2,5/3 jaar)
- Koppigheidsfase
- Sensatie gekoppeld aan ontlasting
3. De fallische fase (3-6/7 jaar)
- Ontdekken geslachtsdelen
- Oedipuscomplex > jongens aangetrokken tot moeder
- Elektracomplex > meiden aangetrokken tot vader
- Verliefdheidsgevoelens
4. De latentiefase (7-11 jaar)
- Driftimpulsen minder
- Energie voor vrij leren en sociale contacten buiten gezin
5. De genitale fase (> 11 jaar)
- Seksuele gevoelens in puberteit
- Erotiek op andere persoon gericht
Piagets theorie over de cognitieve ontwikkeling
3
Adaptie Assimilatie Accommodatie
Het hoofddoel van het menselijke Dit is het proces waarmee bestaande Dit is het proces van aanpassing van
denken, de aanpassing aan de kennis en vaardigheden worden bestaande vaardigheden of kennis om
omgeving, adaptie: verandering in
gebruikt in nieuwe situaties. met een nieuwe situaties om te kunnen
HOOFDSTUK 2
Begrippen uit de ontwikkelingspsychologie:
Leefwereld
De diversiteit van leerlingen heeft te maken met de verschillen in aanleg, maar ook de verschillen in
leefwereld. Het gezin en de buurt waar zij wonen is voor basisschoolkinderen het belangrijkste milieu.
De verschillen in sociaal milieu komen tot uitdrukking in taal, samenstelling van de gezinnen,
woonomstandigheden, verschillen in inkomen, aantal kinderen in een gezin en verschillen in betrokkenheid
van de ouders bij de school.
Het geheel van sociaal-culturele factoren vormt ook de leefwereld van een kind. Verder groeien kinderen ook
op in verschillende buurten met verschillende mogelijkheden. Je kunt daarbij een onderscheid maken tussen
etnische verschillen, sociale verschillen en culturele verschillen, en de invloed daarvan op het onderwijs.
Belevingswereld
Onder de belevingswereld verstaan we de manier waarop kinderen hun leefwereld ervaren. Zo kunnen twee
kinderen die in dezelfde leefwereld leven wat betreft sociale en culturele achtergronden het op hele andere
manieren beleven.
Kenmerken van middenbouwkinderen: scheiding van fantasie en werkelijkheid, meer ordening en structuur.
Zo staat bij bovenbouwkinderen het hangen naar realiteit voorop en dat inzicht in sociale relaties toeneemt,
dat kinderen abstract gaan redeneren en een eigen mening gaan vormen.
Klassieke ontwikkelingspsychologie
In de klassieke ontwikkelingspsychologie zien we een regelmatige opeenvolging van stadia, waarbij elk
stadium een vooruitgang van het vorige stadium betekent.
De klassieke ontwikkelingspsychologie was een beschrijvende wetenschap. Die beschrijvingen evenals de
ontwikkelingsnormen bleken daarbij sterk tijd- en cultuurgebonden te zijn. de klassieke
ontwikkelingspsychologie gaat uit van aan de biologie ontleende opvattingen over groei en ontwikkeling. Het
gaat er dan ook vanuit dat er een eindpunt van ontwikkeling is. het werd synoniem met het proces van
volwassenwording. In deze manier van denken zijn een drietal factoren van belang:
- De chronologische leeftijd: op een bepaalde leeftijd mag je bepaalde gedragingen en veranderingen
verwachten
- De biologische leeftijd: de menselijke ontwikkeling wordt min of meer bepaald door fysieke factoren
- De sociale context: uitgangspunt is dat ontwikkeling bepaald wordt door invloed van de omgeving.
Levenslooppsychologie
Het gedrag van ouderen wordt mede bepaald door de manier waarop hun leven is verlopen. Ieder mens
maakt die individueel door. Binnen de levenslooppsychologie wordt veel meer aandacht besteed aan de
interactie tussen kinderen en hun omgeving en de impact daarvan op de verdere levensloop. Er is dus geen
eenduidig eindpunt, zoals die bij de klassieke ontwikkelingspsychologie.
Ontwikkeling – ervaring – rijping
Zolang de psychologie als wetenschap bestaat, heeft men zich afgevraagd of ontwikkeling het sterkst bepaald
is door de aanleg van het kind of door ervaringen die een kind heeft opgedaan en de omgeving waarin het
opgroeit. De theorie die de nadruk legt op de biologische ontwikkeling heeft daarbij als invalshoek ‘nature,
aanleg en genen. De ‘nurture’-theorie hecht het meeste belang aan de omstandigheden waaronder iemand
opgroeit. Er is sprake van ontwikkeling en rijping.
Naast de aanleg van het kind en de omgevingsfactoren kan als bepalend voor de ontwikkeling de rijping van
het centrale zenuwstelsel genoemd worden. De ontwikkeling van de hersenen gebeurt vanuit interactie met
de omgeving. Ontwikkeling is dus niet alleen een kwestie van ervaring, maar ook van rijping.
1
,De ecologische benadering
Bronfenbrenner stelt dat de mens een gemeenschapswezen is dat door zijn gedrag reageert op wat er in zijn
omgeving gebeurt. De ecologische pedagogiek gaat uit van interacties van mensen met hun omgeving. De
ontwikkeling wordt voor een belangrijk deel door de interacties bepaald. Het individu past zich aan zijn
omgeving aan, maar kan die omgeving ook beïnvloeden.
Het is goed om onderscheid te maken tussen:
- Processen die te maken hebben met de rechtstreekse interacties van een kind met zijn directe
omgeving (gezin, buurt, vriendjes)
- Factoren die verder van het kind af liggen (werkloosheid, onderwijsbeleid, instituties zoals school en
kerk).
Volgens Bronfenbrenner heeft de opvoeder de meeste invloed op de interacties van het kind. Hij wijst erop
dat we uitgesproken moeten letten op de ideeën van de opvoeder en zijn vaardigheid om interacties aan te
gaan.
Identiteit
Je hebt een eigen identiteit als je naar buiten toe op een harmonieuze manier optreedt, een samenhangend
geheel dat je ‘een eigen stijl’ zou kunnen noemen. Je identiteit groeit en vertoont, als het goed is, in
toenemende mate samenhang.
Zodra een kind ouder wordt, wordt het bewust van de omgeving. Ze worden zich bewust van wat anderen
misschien van ze kunnen denken. Dit zelfbeeld is nogal bepalend voor hoe het kind in de wereld staat. Heeft
een kind een negatief zelfbeeld opgebouwd, dan kan dat negatieve effecten hebben zoals: onderpresteren,
leer- en gedragsstoornissen. Als kind succes ervaart en zich dus competent voelt, dan ontwikkelt het ook een
gevoel van autonomie: ik dit zélf en ik kan dit goed. Autonomie en competentie ontwikkelen zich het best
wanneer er een relatie is die een veilig gevoel geeft.
Het gaat bij identiteit om het aannemen van waarden, principes en maatschappelijke rollen, om de
zogenoemde ‘eigen stijl’. In de persoonlijke identiteit worden ervaringen uit het verleden, de eisen die de
maatschappij stelt en toekomstverwachtingen tot een samenhangend geheel gevormd.
Meervoudige intelligentie
Gardner ontwikkelde de theorie van Meervoudige Intelligentie en hij stelde bovendien vast dat intelligenties
zich ontwikkelen. Vanuit het kind ontwikkelen de intelligenties zich als reactie op wat de omgeving biedt. Dit
is een interactief proces. Intelligentie is daarmee volgens Gardner een dynamisch begrip. We zouden volgens
Gardner meer tijd moeten nemen om kinderen te helpen hun natuurlijke capaciteiten te ontwikkelen.
2
, De psychoanalytische theorie van Freud
Fixatie = te veel of te weinig bevrediging
kan tot stagnering van de ontwikkeling
leiden
Drifttheorie:
Denken en handelen worden bepaald door seksuele en
agressieve driften die aangeboren zijn en altijd invloed
blijven hebben. Regressie = terugvallen op eerde fasen
Es en Über-ich/Superego:
De psyche van de pasgeboren baby bestaat nog hoofdzakelijk uit een
bron van aangeboren driften: Es. Bevredigen van die driften staat
centraal.
Slechte afweermechanismes:
Rond het vijfde jaar ontstaat de gewetensfunctie: Über-ich of Superego. - Verdringing: gevoelens worden
Door opvoeding ontstaat er een conflict tussen het bevredigende Es en ‘vergeten’ of weggehouden.
het verbiedende Superego. Het kind is ervan op de hoogte dat dingen - Ontkenning: nare gebeurtenissen
verboden zijn. worden niet ‘gezien’.
- Projectie: negatieve eigenschappen
Het Ego zoekt naar oplossingen om die spanning te verminderen. worden aan andere toegekend i.p.v.
Daarbij ontstaan frustraties. Deze conflicten zijn nodig voor de latere jezelf
persoonlijkheid = genetisch gezichtspunt. - Reactieformatie: ander gedrag
Instinctieve impulsen kunnen omgebogen worden tot acceptabele vertonen dan normaal.
uitingen = sublimeren. - Rationalisatie: d.m.v. redeneringen
dingen goed praten.
Ontwikkeling persoonlijkheid in 5 stadia:
1. De orale fase (0-1,5 jaar)
- Zuigen is belangrijkste bron van lust.
- Lustbevrediging > voeding, duimzuigen en mondbewegingen.
2. De anale fase (1,5-2,5/3 jaar)
- Koppigheidsfase
- Sensatie gekoppeld aan ontlasting
3. De fallische fase (3-6/7 jaar)
- Ontdekken geslachtsdelen
- Oedipuscomplex > jongens aangetrokken tot moeder
- Elektracomplex > meiden aangetrokken tot vader
- Verliefdheidsgevoelens
4. De latentiefase (7-11 jaar)
- Driftimpulsen minder
- Energie voor vrij leren en sociale contacten buiten gezin
5. De genitale fase (> 11 jaar)
- Seksuele gevoelens in puberteit
- Erotiek op andere persoon gericht
Piagets theorie over de cognitieve ontwikkeling
3
Adaptie Assimilatie Accommodatie
Het hoofddoel van het menselijke Dit is het proces waarmee bestaande Dit is het proces van aanpassing van
denken, de aanpassing aan de kennis en vaardigheden worden bestaande vaardigheden of kennis om
omgeving, adaptie: verandering in
gebruikt in nieuwe situaties. met een nieuwe situaties om te kunnen