Inhoudsopgave
College 1 – anxiety disorders ........................................................................................................... 1
College 2 – cognitive processes in anxiety .......................................................................................... 7
College 3 – Learning theory ...........................................................................................................11
College 4 – Functional neuroimaging in anxiety and related disorders - Neurobiologie ..........................15
College 5 – OCD and treatment ......................................................................................................20
College 6 – Neuropharmacology .....................................................................................................24
College 7 – PTSD ..........................................................................................................................30
Cognitive practical ........................................................................................................................35
Exposure practical ........................................................................................................................37
Belangrijk voor tentamen:
Thought suppression model
Model of wagner + impact on the longterm
Biases
Model of mowrer
Fearnetwerk: high/low road
Medication names niet belangrijk
Terms like blocking, overschadowing,
College 1 – anxiety disorders
How do you know your anxious:
- Heartrate increases
- Respiration increases
- Sweating (cold hands)
- Tense muscle: trembling of hands, other parts
- Tingling of hand and feet
- Hairs upright (goosebumps)
- Feel sick
- Anxious thoughts
- Ruminate
- Worry
- Gevolg:
➢ Hide
➢ Get away
➢ Become upset – angry
Functionality anxiety:
• To survive:
- Benader situaties die de overleving vergroten
1
, - Vermijd situaties die de overleving verminderen
• Social function:
- Signaleren van gevaar
- Motivatie van sociaal aangepast gedrag
Anxiety: reaction to threat
Functie: voorbereiden op gevechtsvluchten of de kans op detectie verkleinen
Physiology:
Parasympathetic down and sympathetic up
2
,→ Adrenalin (epinephrine) and Noradrenalin (norepinephrine)
Sympathetic:
- Blood pressure increases
- Heartrate increases
- Respiration increases
- Sweating (cold hands)
- Increase of blood in muscles
- Tense muscle: trembling of hand, other parts
- Tingling of hand and feet
- Pupils enlarge (see more light)
- Hairs upright
Parasympathetic:
- Contraction of blatter and intestinals (urge to go to the toilet)
- Digestion stops: dry mouth and throat
- Feel sick
Cognitive reactions:
- Hyperalert
- Vernauwing van de aandacht
- Idee dat de tijd langzamer gaat
- De huidige of feitelijke situatie lijkt onwerkelijk
- Waarneming dat je jezelf vanaf een afstand bekijkt
- Ik denk dat je flauwvalt
Behavioural reactions:
- Bescherm uzelf: safety behaviors
- (drang om) te rennen
- Drang om te huilen
3
, - Gevecht
Fear: Anxiety:
Bedreiging aanwezig Bedreiging verwacht
Duidelijke bedreigingsbron Geen bedreigingsbron
Kort Lang
Hoge spanning Ongemak
Duidelijk begin Onduidelijk begin
Noodreactie Verhoog de waakzaamheid
Anxiety = Angst is het gevoel van angst of paniek. De meeste mensen voelen zich angstig, paniekerig
of angstig over situaties in het leven, zoals geldproblemen of examens, maar vaak voel je je beter en
rustiger als de moeilijke situatie eenmaal voorbij is. Soms blijven de gevoelens van angst of
bezorgdheid voortduren na de moeilijke situatie, of soms voelt u een sterker gevoel van angst dan
andere mensen. Dit is het moment waarop angst een probleem kan worden en uw dagelijks
leven/functioneren kan beïnvloeden.
Angststoornissen verschillen van ontwikkelings normatieve angst of angst doordat ze buitensporig zijn
of aanhouden na voor de ontwikkeling geschikte perioden (6 maanden of langer)
- De angst, ongerustheid of vermijding veroorzaakt klinisch significant lijden of beperkingen in
het sociale, beroepsmatige of andere belangrijke terrein van functioneren
- Elke angststoornis wordt alleen gediagnosticeerd als de symptomen niet te wijten zijn aan de
fysiologische effecten van een middel/medicijn of aan een andere medische aandoening of niet
beter verklaard kunnen worden door een andere psychische stoornis
• Seperation Anxiety disorder
• Selectief mutisme
• Specifieke fobie (SP) = personen met een specifieke fobie zijn angstig of ongerust over of
vermijden bepaalde voorwerpen of situaties. Bij deze stoornis komt geen specifieke
cognitieve idee voor, zoals bij andere angststoornissen wel het geval is. De angst, angst of
vermijding wordt bijna altijd onmiddellijk veroorzaakt door de fobische situatie, in een mate
die aanhoudend is en niet in verhouding staat tot het daadwerkelijke risico dat ontstaat.
➢ Er zijn verschillende soorten specifieke fobieën: dieren, natuurlijke omgevingen,
bloedinjectie-verwondingen, situationele en andere situaties
• Sociale angststoornis (sociale fobie) (SAD) = bij een sociale angststoornis (sociale fobie) is
het individu bang of ongerust over of vermijdt hij sociale interactie en situaties waarbij de
mogelijkheid bestaat om kritisch te worden onderzocht. Deze omvatten sociale interacties
zoals het ontmoeten van onbekende mensen, situaties waarin het individu kan worden
waargenomen tijdens het eten of drinken, en situaties waarin het individu optreedt voor
anderen. De cognitieve idee wordt negatief beoordeeld door anderen, door in verlegenheid
gebracht te worden, vernederd of afgewezen te worden, of door anderen te beledigen.
• Paniekstoornis (PD) = bij een paniekstoornis ervaart het individu terugkerende onverwachte
paniekaanvallen en is hij of zij aanhoudend bezorgd of bezorgd over het krijgen van meer
paniekaanvallen of veranderd zijn of haar gedrag op een onaangepaste manier vanwege de
paniekaanvallen (vermijden van lichaamsbeweging of van onbekende locaties).
Paniekaanvallen zijn abrupte uitbarstingen van intense angst of intens ongemak die binnen
enkele minuten een piek bereiken, vergezeld van fysieke en/of cognitieve symptomen.
Paniekaanvallen met beperkte symptomen omvatten minder dan vier symptomen.
Paniekaanvallen kunnen worden verwacht, bijvoorbeeld als reactie op een typisch gevreesd
object of situatie, of onverwacht, wat betekent dat de paniekaanval zonder duidelijke reden
plaatsvindt.
• Agorafobie = personen met agorafobie zijn angstig en ongerust over twee of meer van de
volgende situaties: gebruik maken van het openbaar vervoer; in een open ruimte zijn; zich op
afgesloten plaatsen bevinden; in de rij staan of zich in een menigte bevinden’ of alleen
buitenshuis zijn in andere situaties. Het individu is bang voor deze situaties vanwege de
gedachten dat ontsnappen moeilijk zou kunnen zijn of dat er mogelijk geen hulp beschikbaar
4
College 1 – anxiety disorders ........................................................................................................... 1
College 2 – cognitive processes in anxiety .......................................................................................... 7
College 3 – Learning theory ...........................................................................................................11
College 4 – Functional neuroimaging in anxiety and related disorders - Neurobiologie ..........................15
College 5 – OCD and treatment ......................................................................................................20
College 6 – Neuropharmacology .....................................................................................................24
College 7 – PTSD ..........................................................................................................................30
Cognitive practical ........................................................................................................................35
Exposure practical ........................................................................................................................37
Belangrijk voor tentamen:
Thought suppression model
Model of wagner + impact on the longterm
Biases
Model of mowrer
Fearnetwerk: high/low road
Medication names niet belangrijk
Terms like blocking, overschadowing,
College 1 – anxiety disorders
How do you know your anxious:
- Heartrate increases
- Respiration increases
- Sweating (cold hands)
- Tense muscle: trembling of hands, other parts
- Tingling of hand and feet
- Hairs upright (goosebumps)
- Feel sick
- Anxious thoughts
- Ruminate
- Worry
- Gevolg:
➢ Hide
➢ Get away
➢ Become upset – angry
Functionality anxiety:
• To survive:
- Benader situaties die de overleving vergroten
1
, - Vermijd situaties die de overleving verminderen
• Social function:
- Signaleren van gevaar
- Motivatie van sociaal aangepast gedrag
Anxiety: reaction to threat
Functie: voorbereiden op gevechtsvluchten of de kans op detectie verkleinen
Physiology:
Parasympathetic down and sympathetic up
2
,→ Adrenalin (epinephrine) and Noradrenalin (norepinephrine)
Sympathetic:
- Blood pressure increases
- Heartrate increases
- Respiration increases
- Sweating (cold hands)
- Increase of blood in muscles
- Tense muscle: trembling of hand, other parts
- Tingling of hand and feet
- Pupils enlarge (see more light)
- Hairs upright
Parasympathetic:
- Contraction of blatter and intestinals (urge to go to the toilet)
- Digestion stops: dry mouth and throat
- Feel sick
Cognitive reactions:
- Hyperalert
- Vernauwing van de aandacht
- Idee dat de tijd langzamer gaat
- De huidige of feitelijke situatie lijkt onwerkelijk
- Waarneming dat je jezelf vanaf een afstand bekijkt
- Ik denk dat je flauwvalt
Behavioural reactions:
- Bescherm uzelf: safety behaviors
- (drang om) te rennen
- Drang om te huilen
3
, - Gevecht
Fear: Anxiety:
Bedreiging aanwezig Bedreiging verwacht
Duidelijke bedreigingsbron Geen bedreigingsbron
Kort Lang
Hoge spanning Ongemak
Duidelijk begin Onduidelijk begin
Noodreactie Verhoog de waakzaamheid
Anxiety = Angst is het gevoel van angst of paniek. De meeste mensen voelen zich angstig, paniekerig
of angstig over situaties in het leven, zoals geldproblemen of examens, maar vaak voel je je beter en
rustiger als de moeilijke situatie eenmaal voorbij is. Soms blijven de gevoelens van angst of
bezorgdheid voortduren na de moeilijke situatie, of soms voelt u een sterker gevoel van angst dan
andere mensen. Dit is het moment waarop angst een probleem kan worden en uw dagelijks
leven/functioneren kan beïnvloeden.
Angststoornissen verschillen van ontwikkelings normatieve angst of angst doordat ze buitensporig zijn
of aanhouden na voor de ontwikkeling geschikte perioden (6 maanden of langer)
- De angst, ongerustheid of vermijding veroorzaakt klinisch significant lijden of beperkingen in
het sociale, beroepsmatige of andere belangrijke terrein van functioneren
- Elke angststoornis wordt alleen gediagnosticeerd als de symptomen niet te wijten zijn aan de
fysiologische effecten van een middel/medicijn of aan een andere medische aandoening of niet
beter verklaard kunnen worden door een andere psychische stoornis
• Seperation Anxiety disorder
• Selectief mutisme
• Specifieke fobie (SP) = personen met een specifieke fobie zijn angstig of ongerust over of
vermijden bepaalde voorwerpen of situaties. Bij deze stoornis komt geen specifieke
cognitieve idee voor, zoals bij andere angststoornissen wel het geval is. De angst, angst of
vermijding wordt bijna altijd onmiddellijk veroorzaakt door de fobische situatie, in een mate
die aanhoudend is en niet in verhouding staat tot het daadwerkelijke risico dat ontstaat.
➢ Er zijn verschillende soorten specifieke fobieën: dieren, natuurlijke omgevingen,
bloedinjectie-verwondingen, situationele en andere situaties
• Sociale angststoornis (sociale fobie) (SAD) = bij een sociale angststoornis (sociale fobie) is
het individu bang of ongerust over of vermijdt hij sociale interactie en situaties waarbij de
mogelijkheid bestaat om kritisch te worden onderzocht. Deze omvatten sociale interacties
zoals het ontmoeten van onbekende mensen, situaties waarin het individu kan worden
waargenomen tijdens het eten of drinken, en situaties waarin het individu optreedt voor
anderen. De cognitieve idee wordt negatief beoordeeld door anderen, door in verlegenheid
gebracht te worden, vernederd of afgewezen te worden, of door anderen te beledigen.
• Paniekstoornis (PD) = bij een paniekstoornis ervaart het individu terugkerende onverwachte
paniekaanvallen en is hij of zij aanhoudend bezorgd of bezorgd over het krijgen van meer
paniekaanvallen of veranderd zijn of haar gedrag op een onaangepaste manier vanwege de
paniekaanvallen (vermijden van lichaamsbeweging of van onbekende locaties).
Paniekaanvallen zijn abrupte uitbarstingen van intense angst of intens ongemak die binnen
enkele minuten een piek bereiken, vergezeld van fysieke en/of cognitieve symptomen.
Paniekaanvallen met beperkte symptomen omvatten minder dan vier symptomen.
Paniekaanvallen kunnen worden verwacht, bijvoorbeeld als reactie op een typisch gevreesd
object of situatie, of onverwacht, wat betekent dat de paniekaanval zonder duidelijke reden
plaatsvindt.
• Agorafobie = personen met agorafobie zijn angstig en ongerust over twee of meer van de
volgende situaties: gebruik maken van het openbaar vervoer; in een open ruimte zijn; zich op
afgesloten plaatsen bevinden; in de rij staan of zich in een menigte bevinden’ of alleen
buitenshuis zijn in andere situaties. Het individu is bang voor deze situaties vanwege de
gedachten dat ontsnappen moeilijk zou kunnen zijn of dat er mogelijk geen hulp beschikbaar
4