Psychologisch perspectief
Hoofdstuk 7: sociale waarneming
Doelstelling: Beginnersniveau: De student heeft inzicht in de vorming van
het denken en de intelligentie, de motivatie, de emoties en de
waarneming van een cliënt.
1. Waarop we ons baseren
Sociale waarneming t.o.v louter zintuiglijke waarneming en
gewaarwording
Tabel 5.1.
Input Output Proces Voorbeeld
Lichtgolven, Losse zintuigelijke indrukken Gewaarwording Kleuren, geluiden,
geluidfrequenties,… geuren
Kleuren, geluiden, Betekenisvolle gehelen Zintuigelijke Personen,
geuren,… waarneming objecten, situaties
Personen, objecten, Persoonlijkheidseigenschapp Sociale Intelligent,
situaties en waarneming sociaal,
onbetrouwbaar
Sociale waarneming gebruikt informatie die zelf het product is van
zintuiglijk waarnemingsproces, hieruit leiden we bepaalde niet-direct
waarneembare kenmerken af over de persoon. We gedragen ons
naar onze verwachtingen over een andere persoon
Op wat soort gegevens baseren we ons?
1. fysieke uiterlijk
2. gedrag
3. non-verbale gedrag
1) het fysieke uiterlijk
eerste en soms enige wat we van iemand waarnemen
geslacht, leeftijd, huidskleur
lichaamsbouw, gelaatskenmerken
make-up, kledij…
Op basis hiervan komen we tot een snelle indruk, maar nog
onduidelijk welke specifieke eigenschappen we gebruiken en hoe
adequaat het eindresultaat is.
Bij eerste oppervlakkig contact letten we vooral op het gezicht.
2) Het gedrag
, we gaan ervan uit dat een mens zelf verantwoordelijk is voor zijn
gedrag
maar het beeld dat hieruit ontstaat kan tekortschieten
gedrag wordt mee beïnvloed door situatie en rol
sommige individuen zien we telkens in dezelfde situatie of rol (vb.
lector)
=> eenzijdig beeld
3) Het non-verbale gedrag
gelaatsexpressies: oogcontact, emotionele uitingen
gebaren: bewegingen met handen en hoofd
algemene lichaamshouding en manier van bewegen
stemgebruik: timbre, spreeksnelheid, vloeiendheid,
gevoelsexpressies
2. Het attributieproces
attributieproces = het toeschrijven/attribueren van
eigenschappen/attributen aan iemand op basis van wat we bij de
persoon waarnemen
intern attribueren = in de persoon zelf
extern attribueren = in de situatie, buiten de persoon
fouten en vertekeningen:
1) De fundamentele attributiefout:
gedrag van iemand anders zullen we in de eerste plaats intern
attribueren
tenzij een externe verklaring zich opdringt
kan gecorrigeerd worden: tweestappenmodel:
- eerste snelle aanblik => automatisch interne attributie
- tweede fase: grondiger inspectie => nieuwe informatie
en eventuele correcties, vergt inspanningen en
inzet van bewuste en rationele
verwerkingsmogelijkheden
2) het actor-observatoreffect:
verschil in attributie naargelang het perspectief: als actor of als
observator
gedrag van ander: voornamelijk intern attribueren
eigen gedrag: voornamelijk extern attribueren
Waarom?
verschil in informatie over externe omstandigheden, de
situatie
verschil in zintuiglijk perspectief:
Hoofdstuk 7: sociale waarneming
Doelstelling: Beginnersniveau: De student heeft inzicht in de vorming van
het denken en de intelligentie, de motivatie, de emoties en de
waarneming van een cliënt.
1. Waarop we ons baseren
Sociale waarneming t.o.v louter zintuiglijke waarneming en
gewaarwording
Tabel 5.1.
Input Output Proces Voorbeeld
Lichtgolven, Losse zintuigelijke indrukken Gewaarwording Kleuren, geluiden,
geluidfrequenties,… geuren
Kleuren, geluiden, Betekenisvolle gehelen Zintuigelijke Personen,
geuren,… waarneming objecten, situaties
Personen, objecten, Persoonlijkheidseigenschapp Sociale Intelligent,
situaties en waarneming sociaal,
onbetrouwbaar
Sociale waarneming gebruikt informatie die zelf het product is van
zintuiglijk waarnemingsproces, hieruit leiden we bepaalde niet-direct
waarneembare kenmerken af over de persoon. We gedragen ons
naar onze verwachtingen over een andere persoon
Op wat soort gegevens baseren we ons?
1. fysieke uiterlijk
2. gedrag
3. non-verbale gedrag
1) het fysieke uiterlijk
eerste en soms enige wat we van iemand waarnemen
geslacht, leeftijd, huidskleur
lichaamsbouw, gelaatskenmerken
make-up, kledij…
Op basis hiervan komen we tot een snelle indruk, maar nog
onduidelijk welke specifieke eigenschappen we gebruiken en hoe
adequaat het eindresultaat is.
Bij eerste oppervlakkig contact letten we vooral op het gezicht.
2) Het gedrag
, we gaan ervan uit dat een mens zelf verantwoordelijk is voor zijn
gedrag
maar het beeld dat hieruit ontstaat kan tekortschieten
gedrag wordt mee beïnvloed door situatie en rol
sommige individuen zien we telkens in dezelfde situatie of rol (vb.
lector)
=> eenzijdig beeld
3) Het non-verbale gedrag
gelaatsexpressies: oogcontact, emotionele uitingen
gebaren: bewegingen met handen en hoofd
algemene lichaamshouding en manier van bewegen
stemgebruik: timbre, spreeksnelheid, vloeiendheid,
gevoelsexpressies
2. Het attributieproces
attributieproces = het toeschrijven/attribueren van
eigenschappen/attributen aan iemand op basis van wat we bij de
persoon waarnemen
intern attribueren = in de persoon zelf
extern attribueren = in de situatie, buiten de persoon
fouten en vertekeningen:
1) De fundamentele attributiefout:
gedrag van iemand anders zullen we in de eerste plaats intern
attribueren
tenzij een externe verklaring zich opdringt
kan gecorrigeerd worden: tweestappenmodel:
- eerste snelle aanblik => automatisch interne attributie
- tweede fase: grondiger inspectie => nieuwe informatie
en eventuele correcties, vergt inspanningen en
inzet van bewuste en rationele
verwerkingsmogelijkheden
2) het actor-observatoreffect:
verschil in attributie naargelang het perspectief: als actor of als
observator
gedrag van ander: voornamelijk intern attribueren
eigen gedrag: voornamelijk extern attribueren
Waarom?
verschil in informatie over externe omstandigheden, de
situatie
verschil in zintuiglijk perspectief: