Stagegegevens:
Stagiair: Angelina
Studentnummer,
opleiding en
onderwijsinstelling:
2302132, HBO-Rechten,
Zuyd Hogeschool Sittard
Klas: 113RECHT2I.JB
Stageperiode: 6 mei
2025 – 11 juli 2025
PORTFOLIO
Stage periode 2.4
PJO-rapport 2.4 Stage (2024-2025)
, Onderzoeksrapport
Stageperiode 2.4
PJO en beroepsproduct
Module 2.4 Stage (2024-2025)
Eerste kans
PJO-rapport module 2.4 Stage (2024-2025) pag. 1
,Samenvatting
In het kader van het vak Professionele Ontwikkeling (PO) verricht ik een praktijkgericht juridisch
onderzoek, dat direct verband houdt met mijn huidige stage bij Van Berge Henegouwen Advocaten.
Tijdens deze stage ben ik actief binnen de strafrechtelijke praktijk van het kantoor, met specifieke
focus op strafzaken die voortvloeien uit art. 3 onder B van de Opiumwet. Dit artikel stelt onder meer
het telen, bereiden en bewerken van hennep strafbaar. 1
Strafrechtadvocaten wijzen in dit verband op vormverzuimen die tijdens het voorbereidende
onderzoek zouden hebben plaatsgevonden, en beroepen zich daarbij op art. 359a Sv, met het doel
om strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te
bewerkstelligen.2 De toepassing van art. 359a Sv blijkt in de praktijk echter onduidelijk en wisselend:
de beoordeling of sprake is van een ernstig of relevant vormverzuim verschilt per zaak en per
rechterlijke instantie.3 4 Deze rechtspraktijk roept vragen op over de voorspelbaarheid en
effectiviteit van verweren op grond van dit artikel.
Mijn onderzoeksopdracht richt zich daarom op het beantwoorden van de centrale vraag in hoeverre
strafrechtelijke verweren gebaseerd op vormverzuimen daadwerkelijk kunnen leiden tot
strafmatiging bij vervolging op grond van art. 3 onder B Opw. Het eindproduct van dit onderzoek
bestaat uit een juridisch onderzoeksrapport waarin ik relevante jurisprudentie, wetgeving en
literatuur analyseer en juridisch duidt. Daarbij ligt de nadruk op het concretiseren van de grenzen en
mogelijkheden van art. 359a Sv binnen het kader van Opiumwet-zaken. 5 6
Het beroepsproduct dat hieruit voortvloeit is een praktijkgerichte adviesbrief, gericht aan de
strafrechtadvocaten van Van Berge Henegouwen Advocaten. In deze brief worden de belangrijkste
bevindingen uit het onderzoek overzichtelijk gepresenteerd en vertaald naar concrete aanbevelingen
voor de procespraktijk. Het doel is om de advocaten van Van Berge Henegouwen te voorzien van
bruikbare inzichten in het voeren van strafmaatverweren die specifiek gericht zijn op vormverzuimen
tijdens het voorbereidend onderzoek. Door deze verweren strategisch in te zetten, kan worden
bijgedragen aan een effectievere rechtsbijstand in zaken waarin de Opiumwet centraal staat.
1
Art. 3 onder B Opw.
2
Art. 359a Sv.
3
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533.
4
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.
5
B.F. Keulen & G. Knigge, 2023, p. 529-545.
6
M.A.H. Boksem, 2006, p. 31-58.
PJO-rapport module 2.4 Stage (2024-2025) pag. 2
, 1. Inleidend hoofdstuk
Binnen de strafrechtspraktijk wordt met regelmaat een beroep gedaan op art. 359a Sv, met name in
het kader van verweren die zijn gebaseerd op vormverzuimen tijdens het opsporingsonderzoek. 7
Strafrechtadvocaten betogen in dergelijke gevallen dat fundamentele procedurele regels zijn
geschonden, bijvoorbeeld bij het binnentreden van een woning, tijdens het verhoor van een
verdachte of bij het binnentreden van een woning, tijdens het verhoor van een verdachte of bij het
beslag op goederen.8 Deze vormverzuimen worden in verweren aangevoerd met als doel het
verkrijgen van een voor de verdachte gunstige formele beslissing in de zin van art. 348 Sv. 9
In strafzaken op grond van de Opiumwet, en in het bijzonder zaken waarin verdachten worden
vervolgd op grond van art. 3 onder B (het telen, berieden, of bewerken van hennep), komt dit type
verweer veelvuldig voor.10 In strafzaken wordt met enige regelmaat betwijfeld of de opsporing in
overeenstemming met de geldende wettelijke kaders is uitgevoerd wat vragen oproept over de
rechtsbescherming van de verdachte. Op basis daarvan wordt verzocht om toepassing van art. 359a
Sv.
In de praktijk gaan rechters duidelijk uiteenlopend om met dergelijke verweren. De invulling van wat
geldt als een ernstig of relevant vormverzuim verschilt per rechterlijke instantie, evenals de vraag of
en in hoeverre dit leidt tot strafmatiging of bewijsuitsluiting. 11 Deze rechtsongelijkheid zorgt voor
juridische onduidelijkheid over de daadwerkelijke reikwijdte van art. 359a Sv en de voorspelbaarheid
van rechterlijke beslissingen in Opiumwetzaken.
Centrale onderzoeksvraag:
- In hoeverre kunnen strafrechtelijke verweren vanwege vormverzuimen bij vervolging op
grond van art. 3 onder B van de Opiumwet leiden tot strafmatiging?
Doelstelling van het onderzoek:
Extern doel:
Het externe doel van dit onderzoek is het opstellen van een praktijkgerichte adviesbrief, bestemd
voor de strafrechtadvocaten van Van Berge Henegouwen Advocaten. Deze adviesbrief bevat een
overzicht van relevante jurisprudentie en literatuur met betrekking tot de toepassing van art. 359a Sv
in zaken waarbij verdachten worden vervolgd op grond van art. 3 onder B Opw. Op basis van deze
analyse worden concrete aanbevelingen geformuleerd over de omstandigheden waaronder
strafmaatverweren naar aanleiding van vormverzuimen kansrijk zijn, met het oog op het verkrijgen
van strafmatiging. De adviesbrief dient als praktisch hulpmiddel bij het opstellen van processtukken
en het bepalen van processtrategieën in Opiumwetzaken.
Intern doel:
7
Art. 359a Sv.
8
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.
9
B.F. Keulen & G. Knigge, 2023, p. 538-542.
10
Art. 3 onder B Opw
11
Rb Limburg 28 juli 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:6269.
PJO-rapport module 2.4 Stage (2024-2025) pag. 3
Stagiair: Angelina
Studentnummer,
opleiding en
onderwijsinstelling:
2302132, HBO-Rechten,
Zuyd Hogeschool Sittard
Klas: 113RECHT2I.JB
Stageperiode: 6 mei
2025 – 11 juli 2025
PORTFOLIO
Stage periode 2.4
PJO-rapport 2.4 Stage (2024-2025)
, Onderzoeksrapport
Stageperiode 2.4
PJO en beroepsproduct
Module 2.4 Stage (2024-2025)
Eerste kans
PJO-rapport module 2.4 Stage (2024-2025) pag. 1
,Samenvatting
In het kader van het vak Professionele Ontwikkeling (PO) verricht ik een praktijkgericht juridisch
onderzoek, dat direct verband houdt met mijn huidige stage bij Van Berge Henegouwen Advocaten.
Tijdens deze stage ben ik actief binnen de strafrechtelijke praktijk van het kantoor, met specifieke
focus op strafzaken die voortvloeien uit art. 3 onder B van de Opiumwet. Dit artikel stelt onder meer
het telen, bereiden en bewerken van hennep strafbaar. 1
Strafrechtadvocaten wijzen in dit verband op vormverzuimen die tijdens het voorbereidende
onderzoek zouden hebben plaatsgevonden, en beroepen zich daarbij op art. 359a Sv, met het doel
om strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te
bewerkstelligen.2 De toepassing van art. 359a Sv blijkt in de praktijk echter onduidelijk en wisselend:
de beoordeling of sprake is van een ernstig of relevant vormverzuim verschilt per zaak en per
rechterlijke instantie.3 4 Deze rechtspraktijk roept vragen op over de voorspelbaarheid en
effectiviteit van verweren op grond van dit artikel.
Mijn onderzoeksopdracht richt zich daarom op het beantwoorden van de centrale vraag in hoeverre
strafrechtelijke verweren gebaseerd op vormverzuimen daadwerkelijk kunnen leiden tot
strafmatiging bij vervolging op grond van art. 3 onder B Opw. Het eindproduct van dit onderzoek
bestaat uit een juridisch onderzoeksrapport waarin ik relevante jurisprudentie, wetgeving en
literatuur analyseer en juridisch duidt. Daarbij ligt de nadruk op het concretiseren van de grenzen en
mogelijkheden van art. 359a Sv binnen het kader van Opiumwet-zaken. 5 6
Het beroepsproduct dat hieruit voortvloeit is een praktijkgerichte adviesbrief, gericht aan de
strafrechtadvocaten van Van Berge Henegouwen Advocaten. In deze brief worden de belangrijkste
bevindingen uit het onderzoek overzichtelijk gepresenteerd en vertaald naar concrete aanbevelingen
voor de procespraktijk. Het doel is om de advocaten van Van Berge Henegouwen te voorzien van
bruikbare inzichten in het voeren van strafmaatverweren die specifiek gericht zijn op vormverzuimen
tijdens het voorbereidend onderzoek. Door deze verweren strategisch in te zetten, kan worden
bijgedragen aan een effectievere rechtsbijstand in zaken waarin de Opiumwet centraal staat.
1
Art. 3 onder B Opw.
2
Art. 359a Sv.
3
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533.
4
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.
5
B.F. Keulen & G. Knigge, 2023, p. 529-545.
6
M.A.H. Boksem, 2006, p. 31-58.
PJO-rapport module 2.4 Stage (2024-2025) pag. 2
, 1. Inleidend hoofdstuk
Binnen de strafrechtspraktijk wordt met regelmaat een beroep gedaan op art. 359a Sv, met name in
het kader van verweren die zijn gebaseerd op vormverzuimen tijdens het opsporingsonderzoek. 7
Strafrechtadvocaten betogen in dergelijke gevallen dat fundamentele procedurele regels zijn
geschonden, bijvoorbeeld bij het binnentreden van een woning, tijdens het verhoor van een
verdachte of bij het binnentreden van een woning, tijdens het verhoor van een verdachte of bij het
beslag op goederen.8 Deze vormverzuimen worden in verweren aangevoerd met als doel het
verkrijgen van een voor de verdachte gunstige formele beslissing in de zin van art. 348 Sv. 9
In strafzaken op grond van de Opiumwet, en in het bijzonder zaken waarin verdachten worden
vervolgd op grond van art. 3 onder B (het telen, berieden, of bewerken van hennep), komt dit type
verweer veelvuldig voor.10 In strafzaken wordt met enige regelmaat betwijfeld of de opsporing in
overeenstemming met de geldende wettelijke kaders is uitgevoerd wat vragen oproept over de
rechtsbescherming van de verdachte. Op basis daarvan wordt verzocht om toepassing van art. 359a
Sv.
In de praktijk gaan rechters duidelijk uiteenlopend om met dergelijke verweren. De invulling van wat
geldt als een ernstig of relevant vormverzuim verschilt per rechterlijke instantie, evenals de vraag of
en in hoeverre dit leidt tot strafmatiging of bewijsuitsluiting. 11 Deze rechtsongelijkheid zorgt voor
juridische onduidelijkheid over de daadwerkelijke reikwijdte van art. 359a Sv en de voorspelbaarheid
van rechterlijke beslissingen in Opiumwetzaken.
Centrale onderzoeksvraag:
- In hoeverre kunnen strafrechtelijke verweren vanwege vormverzuimen bij vervolging op
grond van art. 3 onder B van de Opiumwet leiden tot strafmatiging?
Doelstelling van het onderzoek:
Extern doel:
Het externe doel van dit onderzoek is het opstellen van een praktijkgerichte adviesbrief, bestemd
voor de strafrechtadvocaten van Van Berge Henegouwen Advocaten. Deze adviesbrief bevat een
overzicht van relevante jurisprudentie en literatuur met betrekking tot de toepassing van art. 359a Sv
in zaken waarbij verdachten worden vervolgd op grond van art. 3 onder B Opw. Op basis van deze
analyse worden concrete aanbevelingen geformuleerd over de omstandigheden waaronder
strafmaatverweren naar aanleiding van vormverzuimen kansrijk zijn, met het oog op het verkrijgen
van strafmatiging. De adviesbrief dient als praktisch hulpmiddel bij het opstellen van processtukken
en het bepalen van processtrategieën in Opiumwetzaken.
Intern doel:
7
Art. 359a Sv.
8
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.
9
B.F. Keulen & G. Knigge, 2023, p. 538-542.
10
Art. 3 onder B Opw
11
Rb Limburg 28 juli 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:6269.
PJO-rapport module 2.4 Stage (2024-2025) pag. 3