Week 1 – echtscheiding en alimentatie
Inleiding IPR
Hoofdonderdelen IPR:
1. Het internationale bevoegdheidsrecht (formeel IPR): afbakenen internationale bevoegdheid van de
nationale rechter.
2. Het conflictenrecht (materieel IPR): door welke rechtsregels worden rechtsverhoudingen met een
internationaal karakter beheerst.
3. Het recht inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen
(formeel IPR): onder welke voorwaarden en in hoeverre hebben buitenlandse vonnissen rechtskracht
in NL en onder welke voorwaarden en op welke wijze worden ze ten uitvoer gelegd.
Rangorde ipr:
- Internationale regel voor nationale regel. Verdragen gaan voor door art 93 en 94 Gw. EU-regelgeving
gaat voor door EU-recht; o.a. Costa/Enel en Van Gend en Loos.
- Bij samenloop van ipr regels uit verschillende int. Bronnen wordt de onderlinge afbakening bepaalt
door hetgeen de desbetrefffende verdragen of regelingen zelf aan voorzieningen bevatten. Bij
ontbreken van zo een afbakeningen wordt de rangorde bepaalt door het volkenrecht zoals
gecodificeerd in art 30 Verdrag van Wenen.
Ambtshalve toepassing van het IPR
-10:2 BW
o Ten aanzien van het toepasselijke recht, de rechter moet IPR altijd toepassen, ook
wanneer partijen collectief een bepaald rechtsstelsel willen toepassen.
- Rechtspraak Hoge Raad
o Ten aanzien van de rechtsmacht (=internationale bevoegdheid)
- Art. 25 Rv
o Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden
o De rechter moet ambtshalve de juiste conflictregel en het buitenlandse recht
toepassen
Men wil een zogenaamde ‘verrassingsuitspraak’ voorkomen. Daarom als een hogere rechter oordeelt
dat IPR moet worden toegepast, en partijen hadden de internationaliteit van het geval over het hoofd
gezien, dan moet de rechter eerst in een tussenuitspraak bepalen dat IPR wordt toegepast en partijen
de kans geven zich opnieuw over het geschil uit te laten.
10:3 BW de NL rechter past NL procesrecht toe
Conflictenrecht: welk recht pas je toe in een int. geval?
Lex causae: recht dat van toepassing is volgens conflictenrecht.
Drie soorten conflictregels:
1. Eenzijdige: geldingsbereik van het nationale recht
2. Meerzijdige (verwijzingsregel): gaat over nationaal en internationaal recht, wijst de internationale
rechtsverhouding toe aan een bepaald rechtsstelsel. Heeft een wegwijzersfunctie.
3. Materiële of zelfstandige: regelt de internationale rechtsverhouding of een aspect daarvan
,Functie conflictregel: aanwijzen toepasselijk recht en erkennen rechtsgeldigheid van in het buitenland tot
stand gekomen rechtsverhoudingen.
De belangrijkste conflictregel is de meerzijdige conflictregel, het kent 3 aspecten:
- Verwijzingscategorie – onderwerp van de verwijzing
- Aanknopingsfactor – norm van de verwijzing, legt de verbinding tussen de concrete internationale
rechtsverhouding en het daarop toe te passen stelsel
- Toepasselijk aangewezen rechtsstelsel – gevolg van de verwijzing
Als eenmaal is vastgesteld dat buitenlands recht van toepassing is kunnen er talloze problemen voortdoen. Hoe
pas je het recht namelijk toe? Om dit voor de rechter zo eenvoudig mogelijk te maken zijn er een aantal
hulpmiddelen bedacht:
1. De Europese overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht
2. Art. 194 Rv staat de weg van het verdrag niet open? Dan kan de rechter een deskundigenbericht
bevelen over de inhoud van buitenlands recht.
3. De rechten kan advies inwinnen bij het Internationaal Juridisch Instituut
4. Surrogaatoplossingen als ook met inschakeling van de hulpmiddelen het niet duidelijk wordt.
Aanknopingsfactoren
De aard van de rechtsverhouding beslist welke aanknopingspunten geschikt zijn om als aanknopingsfactor
dienst te kunnen doen. Bij personen en familierecht zijn dat bijvoorbeeld nationaliteit, woonplaats,
verblijfplaats etc.
Beschermingsbeginsel beschermingsbeginsel/functionele aanknoping: beschermen zwakkere partij, de
keuze van het aanknopingsfactor wordt afgestemd op de beschermde strekking van het objectieve recht. Wel
nog rekening gehouden met nauwste betrokkenheid.
Ook zijn er verwijzingsregels die gebaseerd zijn op het begunstigingsbeginsel. Waarde- en doelvoorstellingen
v/h materiële recht worden vooropgesteld; bijna geen belang beginsel van nauwste betrokkenheid. Doel:
materieel wenselijk resultaat verkrijgen. Bijvoorbeeld in het allimentatie recht krijg je herkansingen art. 3
Alimentatieprotocol.
Soms is er sprake van partijautonomie/rechtskeuzebevoegdheid. Partijen verklaren dan een rechtsstelsel van
toepassing.
Openbare orde
De verwijzingsregel is regelblind. De internationale rechtsverhouding wordt toegewezen zonder dat de inhoud
van de rechtsstelsels meespeelt uitzonderingen: verwijzingsregels die gegrond zijn op het
begunstigingsbeginsel en bij het leerstuk van de voorrangsregels.
Vreemd recht kan alleen worden toegepast door de Nederlandse rechter als het niet in strijd komt met de
beginselen en waarden die in onze rechtsorde voor fundamenteel worden gehouden. Dit is de openbare orde-
exceptie 10:6 BW. De openbare orde-exceptie mag alleen in uitzonderlijke gevallen gebruikt worden.
De HR heeft een tweeledige maatstaf geformuleerd:
1. betrekking op de inhoud van het vreemde recht: buitengrenscriterium (absoluut karakter; geldt
ongeacht de concrete omstandigheden van het internationale geval. (bijvoorbeeld rassendiscriminatie
gebaseerd huwelijksverbod)
2. op de gevolgen van toepassing van het vreemde recht: binnengrenscriterium (komt pas aan de orde
als voldaan is aan de toets van het buitengrenscriterium. Het blijft dan niettemin achterwege wanneer
, het zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet mag worden geduld. Het hangt af
van de concrete omstandigheden.
Toepassingsgevolgen openbare orde-exceptie
Als de openbare orde-exceptie slechts een bepaalde regel uit het vreemde rechtsstelsel ter zijde stelt en het
overgebleven deel zonder onbillijke resultaten toepasbaar is, dan behoeft er geen opvulling plaats te vinden.
Wordt echter het gehele vreemde recht ter zijde gesteld of een belangrijk onderdeel, dan kan de lex fori (het
eigen recht) geheel of gedeeltelijk in de plaats treden. De openbare orde-ingreep heeft steeds een dubbel
gevolg: uitschakeling van het vreemde recht en voorrang aan het eigen recht.
Het arrest Iraanse huwelijkse voorwaarden draait om de vraag of de Nederlandse openbare orde
zich verzet tegen bepalingen van Iraans recht die bij de afwikkeling van een
echtscheiding ongelijkheid creëren tussen man en vrouw. De vrouw stelde dat de
clausule in de huwelijkse voorwaarden, die haar enkel recht gaf op een deel van het
vermogen van de man als zij niet de scheiding had aangevraagd, in strijd was met
fundamentele Nederlandse waarden, zoals gelijkheid en toegang tot de rechter.
Het Iraanse huwelijksvermogensrecht kent een stelsel van algehele scheiding van
goederen. Echter, partijen kunnen daarvan afwijken door huwelijkse voorwaarden te
maken. In dit geval hadden de man en de vrouw voorwaarden overeengekomen die
bepaalden dat de vrouw recht had op de helft van het door de man opgebouwde
vermogen, mits zij de scheiding niet had aangevraagd en niet schuldig was bevonden
aan de scheiding. Volgens de A-G was er sprake van genderdiscriminatie.
HR: bij strijd met de openbare orde enkel die onderdelen van het Iraanse recht
buiten toepassing moesten blijven die fundamenteel in strijd waren met
Nederlandse waarden, zoals gelijkheid en non-discriminatie.
Codificatie:
Familie(vermogens)recht
- Haags Alimentatieprotocol art. 13
- HKBV art. 22
- Huwelijksvermogensrechtverordening art. 31
- Commuun IPR: art. 10:6 BW
Vermogensrecht
- Rome I art. 21
- Rome II art. 26
- Haags Verkeersongevallenverdrag art. 10
- Haags Productaansprakelijkheidsverdrag art. 10
Nationaliteitsrecht
a. Verkrijging Nederlanderschap
i. Van rechtswege art. 3 t/m 5b ius sanguinis/afstammingsbeginsel (nationaliteit ouders) en
ius soli/territorialiteitsbeginsel (plaats geboorte)
ii. Optie art. 6 en 6a afleggen van een daartoe strekkende verklaring
iii. Verlening art. 7 t/m 13 naturalisatie geschiedt bij koninklijk besluit en daarvoor moet
voldaan worden aan de eisen van art. 8 lid 1. Eis van inburgering houdt in dat je een redelijke
kennis moet hebben van de taal en je moet je doen opnemen in de Nederlandse samenleving.
, b. Verlies Nederlanderschap de gronden zijn limitatief in de rijkswet opgesomd art. 14 t/m 16a. Op
één uitzondering na, intrekking van het Nederlanderschap, geldt t.a.v. deze gronden dat geen verlies
van de Nederlandse nationaliteit plaatsvindt indien staatloosheid het gevolg is (art. 14 lid 5).
c. Vaststelling Nederlanderschap art. 17 t/m/ 20 Rijkswet
d. Verdragen betreffende nationaliteitsrecht Deze verdragen leggen bepaalde beginselen van
nationaliteitsrecht vast (bijv. dat geen verlies van nationaliteit plaatsvindt als staatloosheid het gevolg
is) en beogen eenheid van regelgeving tot stand te brengen.
Problemen bij nationaliteitsaanknoping in het personen en familierecht
1. Stateloosheid/apatridie
Het kan voorkomen dat een persoon geen nationaliteit heeft. Oorzaak is vaak een negatief conflict
tussen nationaliteitswetgevingen.
2. Vluchtelingen
Ook als vluchtelingen hun nationaliteit niet verliezen, stuit toepassing van hun nationale wet op
bezwaren; de vluchteling wordt onderworpen aan het recht van een land waarmee hij nu juist de
banden heeft willen of moeten verbreken
3. Meervoudige nationaliteit/polypatridie
Heeft een persoon 2 of meer nationaliteiten, dan heeft het nationaliteitsaanknoping geen uitkomst.
4. Staten met een meervoudig rechtsstelsel
Veel staten kennen geen uniform rechtsstelsel, maar per regio of bevolkingsgroep verschillende
stelsels, denk hierbij aan ons Koninkrijk der Nederlanden.
5. Verwaterde nationaliteit
Wanneer een persoon de nationaliteit bezit van een lang waarmee hij geen werkelijke banden (meer)
heeft of omgekeerd.
Woonplaats als aanknopingsfactor
De woonplaats is een conflictenrechtelijk autonoom begrip. Men spreekt niet van woonplaats maar van
gewone/werkelijke verblijfplaats of maatschappelijke woonplaats. Het begrip kan intern verschillen per land,
maar in het conflictenrecht is het vooral een feitelijk begrip (MPA).
Inleiding IPR
Hoofdonderdelen IPR:
1. Het internationale bevoegdheidsrecht (formeel IPR): afbakenen internationale bevoegdheid van de
nationale rechter.
2. Het conflictenrecht (materieel IPR): door welke rechtsregels worden rechtsverhoudingen met een
internationaal karakter beheerst.
3. Het recht inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen
(formeel IPR): onder welke voorwaarden en in hoeverre hebben buitenlandse vonnissen rechtskracht
in NL en onder welke voorwaarden en op welke wijze worden ze ten uitvoer gelegd.
Rangorde ipr:
- Internationale regel voor nationale regel. Verdragen gaan voor door art 93 en 94 Gw. EU-regelgeving
gaat voor door EU-recht; o.a. Costa/Enel en Van Gend en Loos.
- Bij samenloop van ipr regels uit verschillende int. Bronnen wordt de onderlinge afbakening bepaalt
door hetgeen de desbetrefffende verdragen of regelingen zelf aan voorzieningen bevatten. Bij
ontbreken van zo een afbakeningen wordt de rangorde bepaalt door het volkenrecht zoals
gecodificeerd in art 30 Verdrag van Wenen.
Ambtshalve toepassing van het IPR
-10:2 BW
o Ten aanzien van het toepasselijke recht, de rechter moet IPR altijd toepassen, ook
wanneer partijen collectief een bepaald rechtsstelsel willen toepassen.
- Rechtspraak Hoge Raad
o Ten aanzien van de rechtsmacht (=internationale bevoegdheid)
- Art. 25 Rv
o Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden
o De rechter moet ambtshalve de juiste conflictregel en het buitenlandse recht
toepassen
Men wil een zogenaamde ‘verrassingsuitspraak’ voorkomen. Daarom als een hogere rechter oordeelt
dat IPR moet worden toegepast, en partijen hadden de internationaliteit van het geval over het hoofd
gezien, dan moet de rechter eerst in een tussenuitspraak bepalen dat IPR wordt toegepast en partijen
de kans geven zich opnieuw over het geschil uit te laten.
10:3 BW de NL rechter past NL procesrecht toe
Conflictenrecht: welk recht pas je toe in een int. geval?
Lex causae: recht dat van toepassing is volgens conflictenrecht.
Drie soorten conflictregels:
1. Eenzijdige: geldingsbereik van het nationale recht
2. Meerzijdige (verwijzingsregel): gaat over nationaal en internationaal recht, wijst de internationale
rechtsverhouding toe aan een bepaald rechtsstelsel. Heeft een wegwijzersfunctie.
3. Materiële of zelfstandige: regelt de internationale rechtsverhouding of een aspect daarvan
,Functie conflictregel: aanwijzen toepasselijk recht en erkennen rechtsgeldigheid van in het buitenland tot
stand gekomen rechtsverhoudingen.
De belangrijkste conflictregel is de meerzijdige conflictregel, het kent 3 aspecten:
- Verwijzingscategorie – onderwerp van de verwijzing
- Aanknopingsfactor – norm van de verwijzing, legt de verbinding tussen de concrete internationale
rechtsverhouding en het daarop toe te passen stelsel
- Toepasselijk aangewezen rechtsstelsel – gevolg van de verwijzing
Als eenmaal is vastgesteld dat buitenlands recht van toepassing is kunnen er talloze problemen voortdoen. Hoe
pas je het recht namelijk toe? Om dit voor de rechter zo eenvoudig mogelijk te maken zijn er een aantal
hulpmiddelen bedacht:
1. De Europese overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht
2. Art. 194 Rv staat de weg van het verdrag niet open? Dan kan de rechter een deskundigenbericht
bevelen over de inhoud van buitenlands recht.
3. De rechten kan advies inwinnen bij het Internationaal Juridisch Instituut
4. Surrogaatoplossingen als ook met inschakeling van de hulpmiddelen het niet duidelijk wordt.
Aanknopingsfactoren
De aard van de rechtsverhouding beslist welke aanknopingspunten geschikt zijn om als aanknopingsfactor
dienst te kunnen doen. Bij personen en familierecht zijn dat bijvoorbeeld nationaliteit, woonplaats,
verblijfplaats etc.
Beschermingsbeginsel beschermingsbeginsel/functionele aanknoping: beschermen zwakkere partij, de
keuze van het aanknopingsfactor wordt afgestemd op de beschermde strekking van het objectieve recht. Wel
nog rekening gehouden met nauwste betrokkenheid.
Ook zijn er verwijzingsregels die gebaseerd zijn op het begunstigingsbeginsel. Waarde- en doelvoorstellingen
v/h materiële recht worden vooropgesteld; bijna geen belang beginsel van nauwste betrokkenheid. Doel:
materieel wenselijk resultaat verkrijgen. Bijvoorbeeld in het allimentatie recht krijg je herkansingen art. 3
Alimentatieprotocol.
Soms is er sprake van partijautonomie/rechtskeuzebevoegdheid. Partijen verklaren dan een rechtsstelsel van
toepassing.
Openbare orde
De verwijzingsregel is regelblind. De internationale rechtsverhouding wordt toegewezen zonder dat de inhoud
van de rechtsstelsels meespeelt uitzonderingen: verwijzingsregels die gegrond zijn op het
begunstigingsbeginsel en bij het leerstuk van de voorrangsregels.
Vreemd recht kan alleen worden toegepast door de Nederlandse rechter als het niet in strijd komt met de
beginselen en waarden die in onze rechtsorde voor fundamenteel worden gehouden. Dit is de openbare orde-
exceptie 10:6 BW. De openbare orde-exceptie mag alleen in uitzonderlijke gevallen gebruikt worden.
De HR heeft een tweeledige maatstaf geformuleerd:
1. betrekking op de inhoud van het vreemde recht: buitengrenscriterium (absoluut karakter; geldt
ongeacht de concrete omstandigheden van het internationale geval. (bijvoorbeeld rassendiscriminatie
gebaseerd huwelijksverbod)
2. op de gevolgen van toepassing van het vreemde recht: binnengrenscriterium (komt pas aan de orde
als voldaan is aan de toets van het buitengrenscriterium. Het blijft dan niettemin achterwege wanneer
, het zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet mag worden geduld. Het hangt af
van de concrete omstandigheden.
Toepassingsgevolgen openbare orde-exceptie
Als de openbare orde-exceptie slechts een bepaalde regel uit het vreemde rechtsstelsel ter zijde stelt en het
overgebleven deel zonder onbillijke resultaten toepasbaar is, dan behoeft er geen opvulling plaats te vinden.
Wordt echter het gehele vreemde recht ter zijde gesteld of een belangrijk onderdeel, dan kan de lex fori (het
eigen recht) geheel of gedeeltelijk in de plaats treden. De openbare orde-ingreep heeft steeds een dubbel
gevolg: uitschakeling van het vreemde recht en voorrang aan het eigen recht.
Het arrest Iraanse huwelijkse voorwaarden draait om de vraag of de Nederlandse openbare orde
zich verzet tegen bepalingen van Iraans recht die bij de afwikkeling van een
echtscheiding ongelijkheid creëren tussen man en vrouw. De vrouw stelde dat de
clausule in de huwelijkse voorwaarden, die haar enkel recht gaf op een deel van het
vermogen van de man als zij niet de scheiding had aangevraagd, in strijd was met
fundamentele Nederlandse waarden, zoals gelijkheid en toegang tot de rechter.
Het Iraanse huwelijksvermogensrecht kent een stelsel van algehele scheiding van
goederen. Echter, partijen kunnen daarvan afwijken door huwelijkse voorwaarden te
maken. In dit geval hadden de man en de vrouw voorwaarden overeengekomen die
bepaalden dat de vrouw recht had op de helft van het door de man opgebouwde
vermogen, mits zij de scheiding niet had aangevraagd en niet schuldig was bevonden
aan de scheiding. Volgens de A-G was er sprake van genderdiscriminatie.
HR: bij strijd met de openbare orde enkel die onderdelen van het Iraanse recht
buiten toepassing moesten blijven die fundamenteel in strijd waren met
Nederlandse waarden, zoals gelijkheid en non-discriminatie.
Codificatie:
Familie(vermogens)recht
- Haags Alimentatieprotocol art. 13
- HKBV art. 22
- Huwelijksvermogensrechtverordening art. 31
- Commuun IPR: art. 10:6 BW
Vermogensrecht
- Rome I art. 21
- Rome II art. 26
- Haags Verkeersongevallenverdrag art. 10
- Haags Productaansprakelijkheidsverdrag art. 10
Nationaliteitsrecht
a. Verkrijging Nederlanderschap
i. Van rechtswege art. 3 t/m 5b ius sanguinis/afstammingsbeginsel (nationaliteit ouders) en
ius soli/territorialiteitsbeginsel (plaats geboorte)
ii. Optie art. 6 en 6a afleggen van een daartoe strekkende verklaring
iii. Verlening art. 7 t/m 13 naturalisatie geschiedt bij koninklijk besluit en daarvoor moet
voldaan worden aan de eisen van art. 8 lid 1. Eis van inburgering houdt in dat je een redelijke
kennis moet hebben van de taal en je moet je doen opnemen in de Nederlandse samenleving.
, b. Verlies Nederlanderschap de gronden zijn limitatief in de rijkswet opgesomd art. 14 t/m 16a. Op
één uitzondering na, intrekking van het Nederlanderschap, geldt t.a.v. deze gronden dat geen verlies
van de Nederlandse nationaliteit plaatsvindt indien staatloosheid het gevolg is (art. 14 lid 5).
c. Vaststelling Nederlanderschap art. 17 t/m/ 20 Rijkswet
d. Verdragen betreffende nationaliteitsrecht Deze verdragen leggen bepaalde beginselen van
nationaliteitsrecht vast (bijv. dat geen verlies van nationaliteit plaatsvindt als staatloosheid het gevolg
is) en beogen eenheid van regelgeving tot stand te brengen.
Problemen bij nationaliteitsaanknoping in het personen en familierecht
1. Stateloosheid/apatridie
Het kan voorkomen dat een persoon geen nationaliteit heeft. Oorzaak is vaak een negatief conflict
tussen nationaliteitswetgevingen.
2. Vluchtelingen
Ook als vluchtelingen hun nationaliteit niet verliezen, stuit toepassing van hun nationale wet op
bezwaren; de vluchteling wordt onderworpen aan het recht van een land waarmee hij nu juist de
banden heeft willen of moeten verbreken
3. Meervoudige nationaliteit/polypatridie
Heeft een persoon 2 of meer nationaliteiten, dan heeft het nationaliteitsaanknoping geen uitkomst.
4. Staten met een meervoudig rechtsstelsel
Veel staten kennen geen uniform rechtsstelsel, maar per regio of bevolkingsgroep verschillende
stelsels, denk hierbij aan ons Koninkrijk der Nederlanden.
5. Verwaterde nationaliteit
Wanneer een persoon de nationaliteit bezit van een lang waarmee hij geen werkelijke banden (meer)
heeft of omgekeerd.
Woonplaats als aanknopingsfactor
De woonplaats is een conflictenrechtelijk autonoom begrip. Men spreekt niet van woonplaats maar van
gewone/werkelijke verblijfplaats of maatschappelijke woonplaats. Het begrip kan intern verschillen per land,
maar in het conflictenrecht is het vooral een feitelijk begrip (MPA).