Samenvatting klinische farmacologie
Perifeer zenuwstelsel
Somatisch dwarsgestreepte spieren. Neurotransmitter: acetylcholine bindt op nicotine
receptoren (NmR) contractie.
Autonoom
Parasympaticus: rust + vertering. Neurotransmitter: acetylcholine bindt op neuronale nicotine
receptoren (NnR) vervolgens weer acetylcholine vrij dat bindt op muscarinereceptoren.
Sympaticus: fight-or-flight. Neurotransmitters: adrenaline en noradrenaline die binden op a/b
receptoren komen van postganglionaire neuronen.
Enterisch zenuwstelsel: 200 neuronen die autonoom werken in de darm.
Parasympaticus heeft lange preganglionaire neuronen en korte postganglionaire neuronen +
schakelt dichtbij het doelwitorgaan
Sympaticus heeft korte preganglionaire neuronen en lange postganglionaire neuronen + schakelt
vaak in truncus sympaticus. Van prevertebrale ganglia ligt het schakelpunt niet in de truncus.
Muscarine agonisten = parasympaticomimetica
Werken stimulerend ter hoogte van muscarine receptor
Zorgt voor speekselen, diarree, bradycardie en hypotensie etc
Heterotrope inhibitie: parasympaticus en sympaticus werken elkaar tegen
Homotrope inhibitie: noradrenaline kan op doelwitorgaan binden maar ook op preganglionaire a2
receptor daling van NA vrijstelling dus auto-inhibitie van NA.
Vb. acetylcholine kan binden op muscarinereceptor auto-inhibitie. Acetylcholine kan binden op
endotheelcellen NO vrij vasodilatator indirecte manier voor hypotensie en stimuleert Ach
afgifte waardoor meer NO vrij etc.
Bethanechol: tegen blaas-darmatonie. Vb. ileus bij paard. Werkt enkel op muscarine receptoren en
dus GEEN effect op nicotine receptoren.
Pilocarpine: tegen glaucoom (= te hoge oogboldruk). Werkt op muscarine receptor. Effect: myosis
+ verminderde oogboldruk.
Muscarine agonisten hebben selectieve stimulatie van de muscarine receptor: HR en CO daling door
stimulatie van n. vagus. Indirecte vasodilatatie van de bloedvaten door NO. Secretie door exocriene
klieren wordt gestimuleerd. Ook is er myosis (pupilvernauwing) en verminderde intra-oculaire druk.
Muscarine antagonisten = anticholinergica = parasympaticolytica
Atropine: van de plant Atropa belladonna
Hyoscine: van de plant Datura stramonicum
Effecten: inhibitie n. vagus milde tachycardie, weinig effect op bloedvaten, inhibitie van de
secretie van exocriene klieren, inhibitie van de contractie van gladde spiercellenen zorgt voor
mydriasis en toename van de oogboldruk.
Indicaties: voor anesthesie als premedicatie om het cardiovasculair depressief effect tegen te gaan
en bij intubatie tegen laryngospasmen. Tegen asthma/COPD, tegen spasmen van GI (vb. koliek bij
Eq.) en tegen emesis of braken, voor oogonderzoek en bij intoxicatie met Acetylcholine esterase
inhibitoren.
Preparaten:
a. Buscopan
Werkzame stof: Hyoscine butylbromide
Tegen koliek bij Eq.
Atropine kan door bloed-hersen-barriere en hyoscine butylbromide kan dit niet want het is
geladen, dit geeft dus geen nevenwerking ter hoogte van het centraal zenuwstelsel.
b. Ipratropium (short acting MA enkele uren effect: 3-5 uur) / Tiotropium (long acting MA
langer effect: 8-12 uur)
Atrovent: bij jonge kinderen want zijn gevoelig voor luchtweginfectoes vaak icm andere
preparaten.
, c. Glycopyrrolaat: alternatief voor atropine in premedicatie
Kan niet door BHB geen zenuwstelsel effect
Kan niet door placenta dus bij keizersnede van een teef krijgen de pups geen anesthesie
middel binnen veilig.
Langere werkingsduur dan atropine.
Neuromusculaire blokkers
Ter hoogte van de neuromusculaire eindplaat: nicotine musculaire receptoren werken dus
perifeer. Spasmolytics gaan centraal werken spierrelaxatie.
Neurotransmitter: acetylcholine
GEEN anesthesie NOCH analgesie
Spieren van de patiënt zullen niet kunnen worden gebruikt maar pijn perceptie gaat nog wel door.
Indicaties: anesthesie bij intubatie tegen laryngospasme en mechanische beademing ADH-spieren
lam leggen zodat je zelf de parameters als tidal volume etc kan bepalen. Bij thoraco-abdominale
chirurgie, bij orthopedische chirurgie (repositie gaat gemakkelijker) en in cocktail-anesthesie
(meerdere anesthetica zullen elkaars effect versterken daling toxiciteit want dosis lager)
2 types:
1. Niet-depolariserend:
Rocuronium
Antagonisten van de nicotinereceptor in competitie met acetylcholine
Hoge affiniteit dus Ach verdringen van receptor
GEEN intrinsieke activiteit dus geen activatie van 2nd messengers etc.
Geeft neuromusculaire blokkade: slappe paralyse
Langere werkzaamheid hogere kans op intoxicatie
2. Depolariserend
Suxamethonium
Effect verloopt in 2 fasen:
Fase 1: depolarisatie (molecuul bindt aan receptor depolarisatie spier contractie)
Fase 2: vertraagde repolarisatie + membraan desensitisatie
Receptor wordt ongevoelig voor acetylcholine
Worden het meest gebruikt vanwege korte werkduur (dus makkelijk bijgeven betere
controle) en dit komt door effect van hydrolyse door plasma choline-esterase.
Klinische interacties:
1. Depolariserende en niet-depolariserende neuromusculaire blokkers nooit samen geven. Er is pas een
synergie in de 2e fase en zijn antagonisten in fase 1.
2. Aminoglycosiden (AB) in competitie met Ca2+ thv neuromusculaire eindplaat. Dus daling van de Ach
uitstorting waardoor minder Ach in synaptische spleet.
3. Inhalatie anesthetica: verminderde prikkeloverdracht van zenuwstelsel
4. Lokale anesthetica: potentialiserend effect inhibitie Na+ kanaal
Noradrenerge transmissie
Neurotransmitters: noradrenaline (thv
synaps) en adrenaline (thv bijniermerg)
Postsynaptische neuron bevat a en b
receptoren
Presynaptische a2 receptor: inhibitie van
noradrenaline vrijstelling: gonotrope
inhibitie
Plaatje:
NE op a2 auto-inhibitie
NE op a1 bloedvat VC toename
bloeddruk
, NE op a2 bloedvat vasoconstrictie toename bloeddruk
E op b1 hartspier CO stijgt. B1 is gevoelig voor circulerend adrenaline.
E op b2 thv bronchiolen bronchdilatatie
E op b2 thv skeletspier vasodilatatie BV thv dwarsgestreepte spier
Niet-selectieve a- en b-agonisten
- Noradrenaline heeft vnl a1 en a2 affiniteit
VC stijging bloeddruk
baroreceptorreflex: detector mechanisme thv aortaboog via 9e/10e kopzenuw krijg je
bradycardie (HR daalt) ter compensatie van de gestegen bloeddruk.
- Adrenaline heeft vnl b1 en b2 affiniteit in lage dosis
b1 op hartspier: stijging HR, stijging impulsgeleiding, stijging slagvolume toename CO
nadeel adrenaline bij langdurige toediening: nuteffect daalt. Nuteffect = geleverde arbeid /
gebruikte energie. Er is namelijk veel meer O2 nodig om HR zo hoog te houden.
Bloedvaten
NA a1/a2 VC BD stijgt en door baroreceptorreflex daalt HR.
A
in lage dosis zal vooral beta-receptoren gaan binden hartspier (b1) en DWG (b2) stimuleren, dus
meer bloed hierheen
in hoge dosis zullen naast de b-receptoren ook de a-receptoren worden gestimuleerd VC BD
stijgt. Is gunstig bij anafylactische shock. Er is geen baroreceptorreflex omdat de beta-receptoren
worden gestimuleerd hart blijft gestimuleerd en CO blijft dus hoog.
Gladde spiercellen
Uterus: vnl b2 receptoren targetten relaxatie
Bronchiolen: relaxatie dus bronchodilatatie door b2-receptor b2 agonisten gebruiken
Indicaties adrenaline
- Anafylaxie
- Combi met lokale anesthetica: verhinderen dat lokaal anestheticum wordt geabsorbeerd minder
neveneffecten en geeft verlengde werkingsduur.
- Fenylefrine en efedrine: in anti-rhinitis vnl a1-effect thv neusmucosa.
Niet-selectieve B-agonisten
- Isoprenaline: stimulatie van B1 en B2 receptoren B1 stijging HR en B2 daling perifere
weerstand daling bloeddruk
- Dobutamine: B1 werking hartfunctie stimuleren. Indicatie: cardiogene shock en
myocardinsufficiëntie. Echter wordt wel het nuteffect verlaagd dus niet chronisch geven.
B2-selectieve agonisten
- Relaxatie GSC thv ADH-stelsel en uterus (myometrium)
- Bronchiaal: asthma/COPD buikspieren sterk ontwikkeld want er is extra spierkracht nodig voor
de bemoeilijkte expiratie
- SABA’s: terbutaline en salbutamol werking 3-5 uur
LABA’s: clenbuterol, salmeterol en formoterol werking 8-12 uur
- Vaak combinatie preparaten:
Met anticholinergica: SABA met ipratropium en LABA met tiotropium
Met glucocorticoïden : onderhoudstherapie, anti-inflammatoir, chronische fase: budesonide,
fluticasone (kat) en ciclesonide (paard). Er is synergie tuseen B2 agonist en
glucocorticoïden. Glucocorticoïden zorgen dat expressie van B2 receptoren verhoogd,
, hebben anti-inflammatoir effect, zorgen op epitheelcellen voor minder IL-1B en IL-6
productie.
Cortisone werken in op receptoren genomisch (traag) vs niet-genomisch effect (snel)
Genomisch effect: glucocorticoïd bindt aan intracellulaire receptor, wordt verplaatst naar
celkern en daar bindt het aan GRE waardoor uiteindelijk eiwitsynthese. B2 receptoren
faciliteren de translocatie van de glucocorticoïden versterken elkaar.
- Clenbuterol IV myometrium relaxatie. Bij keizersnede en uterusprolaps makkelijkere repositie
als myometrium niet contraheert.
Selectieve A2-antagonisten
- Atipamezole sedatie
B-antagonisten / B-blokkers
- Niet-selectief op B1 + B2: propranolol, timolol, oxprenolol en pindolol
Contra-indicatie: asthma
- Selectief op B1: atenolol en metoprolol
- B-antagonisten zorgen voor verlaging onder de basale activiteit. HR daalt door partiële inverse
agonist = carazolol en door full inverse agonist: propranolol ( contra-indicatie: bradycardie)
- B-blokker effect op hart (B1) daling CO, daling HR, daling O2 gebruik, daling renine vrijstelling
waardoor daling BD en daling prikkelbaarheid (aritmie) en prikkelgeleiding, maar wel verbeterd
nuteffect.
- B-blokker effect op vasculair stelsel: verminderde VD, nadien toch daling BD door B1 effect op
hartspier
- B-blokker bij diabetes mellitus: hypoglycemie sympatcius B2-receptor: spiertremor
(herkenningsteken). Niet selectieve: miskennen hypoglycemie
- Indicaties B-blokker: cardiale ritmestoornissen, systemische hypertensie (daling CO), hypertrofische
cardiomyopathie, hypertensie geassocieerd met thyrotoxicose (toename B-receptoren waardoor
hartspier sterker gaat werken) en pheochromocytoma (tumor van bijniermerg met toename van
adrenaline als gevolg) en na myocard infarct/angina pectoris (beklemmend gevoel op de borst)
- Contra-indicaties: asthma, sinus bradycardie, hartinsufficiëntie, diabetes mellitus en
inspanningstolerantie
Pijnsystemen
- Hyperalgesie: verhoogde pijnsensatie door pijnlijke stimulus.
- Allodynie: pijnsensatie bij iets wat normaal niet pijn doet maar door letsel doet het wel pijn.
- Somatische (vb. huid) en viscerale (vb. ingewanden) nociceptoren
- Soorten pijn:
Neuropathische pijn: door trauma/letsel aan zenuw moeilijke behandeling. Perifeer en
centraal neuropathisch
Functionele pijn: geen morfologische kenmerken van pijn, maar patiënt voelt het wel
Perifeer zenuwstelsel
Somatisch dwarsgestreepte spieren. Neurotransmitter: acetylcholine bindt op nicotine
receptoren (NmR) contractie.
Autonoom
Parasympaticus: rust + vertering. Neurotransmitter: acetylcholine bindt op neuronale nicotine
receptoren (NnR) vervolgens weer acetylcholine vrij dat bindt op muscarinereceptoren.
Sympaticus: fight-or-flight. Neurotransmitters: adrenaline en noradrenaline die binden op a/b
receptoren komen van postganglionaire neuronen.
Enterisch zenuwstelsel: 200 neuronen die autonoom werken in de darm.
Parasympaticus heeft lange preganglionaire neuronen en korte postganglionaire neuronen +
schakelt dichtbij het doelwitorgaan
Sympaticus heeft korte preganglionaire neuronen en lange postganglionaire neuronen + schakelt
vaak in truncus sympaticus. Van prevertebrale ganglia ligt het schakelpunt niet in de truncus.
Muscarine agonisten = parasympaticomimetica
Werken stimulerend ter hoogte van muscarine receptor
Zorgt voor speekselen, diarree, bradycardie en hypotensie etc
Heterotrope inhibitie: parasympaticus en sympaticus werken elkaar tegen
Homotrope inhibitie: noradrenaline kan op doelwitorgaan binden maar ook op preganglionaire a2
receptor daling van NA vrijstelling dus auto-inhibitie van NA.
Vb. acetylcholine kan binden op muscarinereceptor auto-inhibitie. Acetylcholine kan binden op
endotheelcellen NO vrij vasodilatator indirecte manier voor hypotensie en stimuleert Ach
afgifte waardoor meer NO vrij etc.
Bethanechol: tegen blaas-darmatonie. Vb. ileus bij paard. Werkt enkel op muscarine receptoren en
dus GEEN effect op nicotine receptoren.
Pilocarpine: tegen glaucoom (= te hoge oogboldruk). Werkt op muscarine receptor. Effect: myosis
+ verminderde oogboldruk.
Muscarine agonisten hebben selectieve stimulatie van de muscarine receptor: HR en CO daling door
stimulatie van n. vagus. Indirecte vasodilatatie van de bloedvaten door NO. Secretie door exocriene
klieren wordt gestimuleerd. Ook is er myosis (pupilvernauwing) en verminderde intra-oculaire druk.
Muscarine antagonisten = anticholinergica = parasympaticolytica
Atropine: van de plant Atropa belladonna
Hyoscine: van de plant Datura stramonicum
Effecten: inhibitie n. vagus milde tachycardie, weinig effect op bloedvaten, inhibitie van de
secretie van exocriene klieren, inhibitie van de contractie van gladde spiercellenen zorgt voor
mydriasis en toename van de oogboldruk.
Indicaties: voor anesthesie als premedicatie om het cardiovasculair depressief effect tegen te gaan
en bij intubatie tegen laryngospasmen. Tegen asthma/COPD, tegen spasmen van GI (vb. koliek bij
Eq.) en tegen emesis of braken, voor oogonderzoek en bij intoxicatie met Acetylcholine esterase
inhibitoren.
Preparaten:
a. Buscopan
Werkzame stof: Hyoscine butylbromide
Tegen koliek bij Eq.
Atropine kan door bloed-hersen-barriere en hyoscine butylbromide kan dit niet want het is
geladen, dit geeft dus geen nevenwerking ter hoogte van het centraal zenuwstelsel.
b. Ipratropium (short acting MA enkele uren effect: 3-5 uur) / Tiotropium (long acting MA
langer effect: 8-12 uur)
Atrovent: bij jonge kinderen want zijn gevoelig voor luchtweginfectoes vaak icm andere
preparaten.
, c. Glycopyrrolaat: alternatief voor atropine in premedicatie
Kan niet door BHB geen zenuwstelsel effect
Kan niet door placenta dus bij keizersnede van een teef krijgen de pups geen anesthesie
middel binnen veilig.
Langere werkingsduur dan atropine.
Neuromusculaire blokkers
Ter hoogte van de neuromusculaire eindplaat: nicotine musculaire receptoren werken dus
perifeer. Spasmolytics gaan centraal werken spierrelaxatie.
Neurotransmitter: acetylcholine
GEEN anesthesie NOCH analgesie
Spieren van de patiënt zullen niet kunnen worden gebruikt maar pijn perceptie gaat nog wel door.
Indicaties: anesthesie bij intubatie tegen laryngospasme en mechanische beademing ADH-spieren
lam leggen zodat je zelf de parameters als tidal volume etc kan bepalen. Bij thoraco-abdominale
chirurgie, bij orthopedische chirurgie (repositie gaat gemakkelijker) en in cocktail-anesthesie
(meerdere anesthetica zullen elkaars effect versterken daling toxiciteit want dosis lager)
2 types:
1. Niet-depolariserend:
Rocuronium
Antagonisten van de nicotinereceptor in competitie met acetylcholine
Hoge affiniteit dus Ach verdringen van receptor
GEEN intrinsieke activiteit dus geen activatie van 2nd messengers etc.
Geeft neuromusculaire blokkade: slappe paralyse
Langere werkzaamheid hogere kans op intoxicatie
2. Depolariserend
Suxamethonium
Effect verloopt in 2 fasen:
Fase 1: depolarisatie (molecuul bindt aan receptor depolarisatie spier contractie)
Fase 2: vertraagde repolarisatie + membraan desensitisatie
Receptor wordt ongevoelig voor acetylcholine
Worden het meest gebruikt vanwege korte werkduur (dus makkelijk bijgeven betere
controle) en dit komt door effect van hydrolyse door plasma choline-esterase.
Klinische interacties:
1. Depolariserende en niet-depolariserende neuromusculaire blokkers nooit samen geven. Er is pas een
synergie in de 2e fase en zijn antagonisten in fase 1.
2. Aminoglycosiden (AB) in competitie met Ca2+ thv neuromusculaire eindplaat. Dus daling van de Ach
uitstorting waardoor minder Ach in synaptische spleet.
3. Inhalatie anesthetica: verminderde prikkeloverdracht van zenuwstelsel
4. Lokale anesthetica: potentialiserend effect inhibitie Na+ kanaal
Noradrenerge transmissie
Neurotransmitters: noradrenaline (thv
synaps) en adrenaline (thv bijniermerg)
Postsynaptische neuron bevat a en b
receptoren
Presynaptische a2 receptor: inhibitie van
noradrenaline vrijstelling: gonotrope
inhibitie
Plaatje:
NE op a2 auto-inhibitie
NE op a1 bloedvat VC toename
bloeddruk
, NE op a2 bloedvat vasoconstrictie toename bloeddruk
E op b1 hartspier CO stijgt. B1 is gevoelig voor circulerend adrenaline.
E op b2 thv bronchiolen bronchdilatatie
E op b2 thv skeletspier vasodilatatie BV thv dwarsgestreepte spier
Niet-selectieve a- en b-agonisten
- Noradrenaline heeft vnl a1 en a2 affiniteit
VC stijging bloeddruk
baroreceptorreflex: detector mechanisme thv aortaboog via 9e/10e kopzenuw krijg je
bradycardie (HR daalt) ter compensatie van de gestegen bloeddruk.
- Adrenaline heeft vnl b1 en b2 affiniteit in lage dosis
b1 op hartspier: stijging HR, stijging impulsgeleiding, stijging slagvolume toename CO
nadeel adrenaline bij langdurige toediening: nuteffect daalt. Nuteffect = geleverde arbeid /
gebruikte energie. Er is namelijk veel meer O2 nodig om HR zo hoog te houden.
Bloedvaten
NA a1/a2 VC BD stijgt en door baroreceptorreflex daalt HR.
A
in lage dosis zal vooral beta-receptoren gaan binden hartspier (b1) en DWG (b2) stimuleren, dus
meer bloed hierheen
in hoge dosis zullen naast de b-receptoren ook de a-receptoren worden gestimuleerd VC BD
stijgt. Is gunstig bij anafylactische shock. Er is geen baroreceptorreflex omdat de beta-receptoren
worden gestimuleerd hart blijft gestimuleerd en CO blijft dus hoog.
Gladde spiercellen
Uterus: vnl b2 receptoren targetten relaxatie
Bronchiolen: relaxatie dus bronchodilatatie door b2-receptor b2 agonisten gebruiken
Indicaties adrenaline
- Anafylaxie
- Combi met lokale anesthetica: verhinderen dat lokaal anestheticum wordt geabsorbeerd minder
neveneffecten en geeft verlengde werkingsduur.
- Fenylefrine en efedrine: in anti-rhinitis vnl a1-effect thv neusmucosa.
Niet-selectieve B-agonisten
- Isoprenaline: stimulatie van B1 en B2 receptoren B1 stijging HR en B2 daling perifere
weerstand daling bloeddruk
- Dobutamine: B1 werking hartfunctie stimuleren. Indicatie: cardiogene shock en
myocardinsufficiëntie. Echter wordt wel het nuteffect verlaagd dus niet chronisch geven.
B2-selectieve agonisten
- Relaxatie GSC thv ADH-stelsel en uterus (myometrium)
- Bronchiaal: asthma/COPD buikspieren sterk ontwikkeld want er is extra spierkracht nodig voor
de bemoeilijkte expiratie
- SABA’s: terbutaline en salbutamol werking 3-5 uur
LABA’s: clenbuterol, salmeterol en formoterol werking 8-12 uur
- Vaak combinatie preparaten:
Met anticholinergica: SABA met ipratropium en LABA met tiotropium
Met glucocorticoïden : onderhoudstherapie, anti-inflammatoir, chronische fase: budesonide,
fluticasone (kat) en ciclesonide (paard). Er is synergie tuseen B2 agonist en
glucocorticoïden. Glucocorticoïden zorgen dat expressie van B2 receptoren verhoogd,
, hebben anti-inflammatoir effect, zorgen op epitheelcellen voor minder IL-1B en IL-6
productie.
Cortisone werken in op receptoren genomisch (traag) vs niet-genomisch effect (snel)
Genomisch effect: glucocorticoïd bindt aan intracellulaire receptor, wordt verplaatst naar
celkern en daar bindt het aan GRE waardoor uiteindelijk eiwitsynthese. B2 receptoren
faciliteren de translocatie van de glucocorticoïden versterken elkaar.
- Clenbuterol IV myometrium relaxatie. Bij keizersnede en uterusprolaps makkelijkere repositie
als myometrium niet contraheert.
Selectieve A2-antagonisten
- Atipamezole sedatie
B-antagonisten / B-blokkers
- Niet-selectief op B1 + B2: propranolol, timolol, oxprenolol en pindolol
Contra-indicatie: asthma
- Selectief op B1: atenolol en metoprolol
- B-antagonisten zorgen voor verlaging onder de basale activiteit. HR daalt door partiële inverse
agonist = carazolol en door full inverse agonist: propranolol ( contra-indicatie: bradycardie)
- B-blokker effect op hart (B1) daling CO, daling HR, daling O2 gebruik, daling renine vrijstelling
waardoor daling BD en daling prikkelbaarheid (aritmie) en prikkelgeleiding, maar wel verbeterd
nuteffect.
- B-blokker effect op vasculair stelsel: verminderde VD, nadien toch daling BD door B1 effect op
hartspier
- B-blokker bij diabetes mellitus: hypoglycemie sympatcius B2-receptor: spiertremor
(herkenningsteken). Niet selectieve: miskennen hypoglycemie
- Indicaties B-blokker: cardiale ritmestoornissen, systemische hypertensie (daling CO), hypertrofische
cardiomyopathie, hypertensie geassocieerd met thyrotoxicose (toename B-receptoren waardoor
hartspier sterker gaat werken) en pheochromocytoma (tumor van bijniermerg met toename van
adrenaline als gevolg) en na myocard infarct/angina pectoris (beklemmend gevoel op de borst)
- Contra-indicaties: asthma, sinus bradycardie, hartinsufficiëntie, diabetes mellitus en
inspanningstolerantie
Pijnsystemen
- Hyperalgesie: verhoogde pijnsensatie door pijnlijke stimulus.
- Allodynie: pijnsensatie bij iets wat normaal niet pijn doet maar door letsel doet het wel pijn.
- Somatische (vb. huid) en viscerale (vb. ingewanden) nociceptoren
- Soorten pijn:
Neuropathische pijn: door trauma/letsel aan zenuw moeilijke behandeling. Perifeer en
centraal neuropathisch
Functionele pijn: geen morfologische kenmerken van pijn, maar patiënt voelt het wel