Bijleveld, C.C.J.H. & Van der Geest, V.R. (2021) Methoden en Technieken van
onderzoek in de Criminologie (8e druk) Den Haag: Boom Juridische uitgevers.
Inhoudsopgave
H1 inleiding 2
H2 Onderzoek naar criminaliteit en aanverwante zaken 6
H3 Planning en uitvoering 15
H4 Onderzoeksopzetten voor causale samenhang 20
H5 Selectie van analyse-eenheden 33
H6 Dataverzameling en bevraging 38
H7 Bestaande gegevensbronnen 47
H8 Beschrijving en analyse van gegevens 53
H9 Evaluatieonderzoek 60
, 2
Methoden en Technieken van Onderzoek in de Criminologie
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Waar gaat dit boek over?
Criminologie houdt zich bezig met allerlei verklaringen van één en hetzelfde soort fenomeen:
criminaliteit.
1.2 Criminaliteit en criminologie
De wisselende definitie van criminaliteit bemoeilijkt de internationale vergelijkingen. Wat
strafbaar wordt gesteld, wisselt per tijd. Wetten veranderen.
Victimologie is ook een interessant deel van het onderzoek. Je hebt twee delen:
1. Slachtofferstudie an sich: de studie naar de gevolgen van een bepaald delict voor het
slachtoffer.
2. Instrumentele studie: gebruiken de studies om meer te weten te komen over het totale
aantal gepleegde delicten in Nederland.
→ Slachtofferstudies zijn in zijn algemeenheid beter dan politiecijfers om het volume van
criminaliteit in te schatten.
1.3 Een veelkleurig en fluïde onderzoeksobject
Verschillende typen criminaliteit hebben verschillende verklaringen.
1.3.1 Standaardclassificatie
Als onderzoekers voor hun onderzoek diverse typen of soorten criminaliteit onderscheiden, is
het gebruikelijk om daarvoor een standaardclassificatie te gebruiken. De belangrijkste reden
daarvoor is vergelijkbaarheid: als verschillende onderzoekers dezelfde definities gebruiken,
worden hun resultaten vergelijkbaar.
→ Een veelvoudig gebruikte classificatie is de CBS-standaardclassificatie.
→ Op grond van artikelen uit het wetboek van strafrecht ontstaan er negen hoofdgroepen van
crimineel gedrag met daaronder weer subgroepen van delicten.
1.3.2 Andere indelingen
Buiten door groeperingen aan de hand van wetsartikelen, kun je ook andere onderscheidingen
maken, zoals:
- Heeft het delict een duidelijk aanwijsbaar slachtoffer (bekend of niet) of is het
slachtoffer slechts een diffuse categorie (de maatschappij of verkeersgebruikers)?
- Groepscriminaliteit of individuele gepleegde criminaliteit.
- Wel of niet georganiseerde misdaad.
- Indelingen naar kenmerken van de dader of het slachtoffer.
- Leeftijd, geslacht, etniciteit en activiteit zijn ook interessante scheidingen.
- Hoogrisicogroepen.
, 3
1.4 Kenmerken en doelen
Wetenschappelijke bevindingen beïnvloeden ons dagelijks leven en de manier waarop de
maatschappij om ons heen is ingericht.
1.4.1 Wetenschapsopvattingen in vogelvlucht
Fenomenologie = de mens wordt in relatie tot de omgeving onderzocht. Dat is het
enige wat zinvolle informatie oplevert.
Symbolisch interactionisme = het draait volledig om de interactie tussen mensen en de
kennis van symbolen die bij iedereen bekend zijn.
Neopositivisme = door wetenschappelijke theorieën hebben mensen een basis
gevormd en daardoor hebben ze voor zichzelf een kader gecreërd waarmee ze kunnen
bepalen wat wel of niet waar is.
Kritisch rationalisme = absolute kennis bestaat niet. Je weet alleen wat niet waar is.
Ook wel falsificationisme. Het draait om het falsificiëren van opgebouwde theorieën.
Alle kennis is voorlopig, tot ontkracht.
1.5 De empirische cyclus
De cyclus gaat ervan uit dat ieder empirisch onderzoek een aantal fasen in een bepaalde
volgorde doorloopt.
a) Theorie
De cyclus begint met een observatie wat uitmondt in een idee, iets wat men wil onderzoeken.
Door middel van literatuurstudie wordt gekeken wat en al bestaat aan onderzoek over het
onderwerp.
b) Inductie
In de inductiefase wordt van het algemene idee over wat onderzocht dient te worden, een
abstracte onderzoeksvraag geformuleerd.
c) Deductie
In de deductiefase wordt precies aangegeven hoe we al die abstracties denken vast te
stellen. Er wordt duidelijk hoe de te gebruiken ‘constructen’ gemeten gaan worden, bij
welk resultaat de hypothese als bevestigd beschouwd kan worden etc.
d) Toetsing
De toetsingsfase is de uitvoering van het eigenlijke onderzoek in het veld. Hier worden de
gegevens verzameld en de hypothese getoetst. Door standaardisatie wordt het onderzoek
betrouwbaar. De onderzoeker mag ook geen rol spelen binnen het onderzoek.
e) Evaluatie
In deze fase worden de resultaten tegen het licht van bestaande kennis gehouden, wordt
bezien of het onderzoek van voldoende kwaliteit is geweest en de gegevens voldoende
zeggingskracht hebben om überhaupt wijzigingen in theorieën aan te kunnen brengen, en
, 4
wordt bezien in hoeverre bestaande theorieën vervolgens standhouden of dat zij aangepast
dienen te worden. Ook wordt naar de ontstane theorie kritisch gekeken.
Parsimonie = bij twee theorieën die beiden een fenomeen verklaren, kies je voor de
eenvoudigste.
Compatibiliteit = Bij twee theorieën kies je degene die aansluit bij eerdere (correcte)
denkbeelden van een theorie.
→ Bij kwantitatief onderzoek wordt dit stramien gevolgd, bij kwalitatief juist niet.
1.5.1 Theorieën en modellen
Model = heeft als functie om de belangrijkste structuren van het fenomeen in kwestie weer te
geven, de kern, of het wezen van datgene wat het model beoogt voor te stellen.
→ Modellen hebben dus structuurovereenkomst met de werkelijkheid die zij vertellen.
→ Een theorie is ook een soort model. Maar waar een model klein en beperkt is, is een
theorie vaak veelomvattender.
1.6 Soorten vragen
Een bepaald soort vraag kan een bepaald soort onderzoeksmethode dicteren.
1.6.1 Macro, meso en micro
- Het microniveau is het niveau van de kleinste analyse-eenheid, oftewel in veel
gevallen het individu.
- Van mesoniveau is sprake bij kenmerken van een bepaald conglomeraat, door de
oorspronkelijke micro-eenheden gevormd, zoals een wijk of een groep jongeren.
- Het macroniveau gaat om het onderzoeken van processen op een hoog
aggregatieniveau, processen die zich op een niveau boven het individu afspelen, zoals
de staat.
1.6.2 Hoeveelheid versus aard
Je kunt nog twee indelingen maken: naar de hoeveelheid of naar de aard. Ook wel kwalitatief
of kwantitatief.
1.6.3 Verklarend versus beschrijvend
Beschrijvend onderzoek geeft een opsomming van het voorkomen van bepaalde
verschijnselen, maar geeft geen verklaring (mannen plegen vaker criminaliteit dan vrouwen is
onderzocht, maar geeft geen verklaring).
→ Veel onderzoek in de criminaliteit is beschrijvend.
Verklarend onderzoek gaat over de ‘waarom-vraag’ beantwoorden.
Experimenteel onderzoek = de factor waarvan men denkt dat die het te onderzoeken
fenomeen verklaart niet meet zoals die voorkomt in de werkelijkheid, maar dat men in het
onderzoekslaboratorium zelf bepaalt bij wie van de te onderzoeken personen die oorzaak
voorkomt.