Hoofdstuk 2: de pijlers van het westerse denken in de Oudheid en
de Middeleeuwen
Subdomeinen filosofie:
- Kenleer (theoretische filosofie bv wat is wetenschap, wat is kennis--> onderscheid
tussen wetenschap en onzin)
- Handelingsfilosofie (wat is morele verantwoordelijkheid)
- Ethiek (wat is goed, wat is fout)
- Wijsgerige antropologie (wat is de mens, wat zijn wij in vergelijking met dieren of AI)
Socrates, Plato en Aristoteles
- Plato was leerling van Socrates (Socrates speelt hoofdrol in dialogen van Plato)
- Aristoteles was leerling van Plato
- Dialogen van Plato
o Dialoog tussen Socrates en Sofisten
o Socrates stel een ‘wat is’ vraag
o Sofist antwoord vaak met voorbeelden ipv definitie
o Socrates is op zoek naar een intentionele definitie
Soorten definities
- Lexicale (definitie over het gebruik van een term)
- Stipulatieve (hoe moet een begrip gebruikt worden)
- !! Ostensieve (voorbeeld aanwijzen)
- Intensioneel (voorwaarden voor ergens aan te voldoen)
- Extensioneel (opsomming van zaken die onder een begrip vallen)
Begripsanalyse van x
- Noodzakelijke en voldoende voorwaarde
- individueel noodzakelijk: als x dan vw1
- gezamenlijk voldoende: als (vw1 & vw2) dan x
- Voorbeeld: tekening = lijnen op papier die iets voorstellen
gemeenschappelijke eigenschappen van tekeningen
toch niet voldoende om definitie te vormen
o VW1 is niet individueel noodzakelijk (bepaalde tekeningen voldoen niet aan de
voorwaarde, maar zijn wel tekeningen)
Bv. abstracte tekeningen, niet op papier...
1
, o VW1 is niet gezamenlijk voldoende (kan ook iets anders zijn dan tekening, maar
wel voldoen aan de voorwaarde)
Bv. letters
= tegenvoorbeelden
zoeken naar mogelijke (tegen) voorbeelden voor abstracte begrippen te analyseren
Overtuiging nodig voor kennis, maar dit is niet voldoende
- Bv flatearthers of Religies
- overtuiging komt niet altijd overeen met de feiten
= schijnbare kennis (iemand denkt dat hij kennis heeft, maar het klopt niet)
- foute kennis bestaat niet (als het verkeerd is, is het geen kennis meer)
- je kan pas iets weten als het ook waar is
Bye bye waarheidsrelativisme
- Protagoras: "de mens is de maat van alle dingen"
Wat waar is voor de ene persoon hoeft niet waar te zijn voor iemand anders (de
waarheid is persoonlijk)
- Plato's argument:
o Moest het waarheidsrelativisme waar zijn, dan is communicatie onmogelijk (en
communicatie is niet onmogelijk --> waarheidsrelativisme is fout)
o Als waarheidsrelativisme absoluut waar is, dan inconsistent (dan zou er een
waarheid zijn die niet relatief is -> spreekt zichzelf tegen)
o Als waarheidsrelativisme relatief waar is, dan overtuigt ze niemand (dan zou
deze waarheid alleen waar zijn voor Protagoras)
het waarheidsrelativisme kan niet worden volgehouden
Volstaat ware overtuiging voor kennis ? nee
- VB1. Je gaat ervan uit dat het aantal zandkorrels op het strand even is en dit is ook zo
GEEN KENNIS geen bewijs
- VB2. Een man zegt elke dag dat hem iets verschrikkelijks zal overkomen, dit gebeurt
nooit tot 1 dag waarop het wel gebeurt
GEEN KENNIS, MAAR TOEVAL
= ‘epistemisch geluk’ --> een overtuiging die je hebt is toevallig waar
Kennis= verantwoorde ware overtuigingen
2
,MAAR ook hier tegenbewijs voor: bv. Russells klok
- klok is stil gevallen op 17.05
- iemand ziet de klok en vormt de overtuiging dat het 17.05 is
- heeft hier verantwoording voor (de klok)
- het is toevallig ook 17.05
weet deze persoon dat het 17.05 is? NEE (ondanks de overtuiging en het bewijs)
Kennis volgens Plato: De Meno
- Kennis= op een betrouwbare manier gevormde ware overtuiging
- MAAR stelt de vraag waarom is kennis belangrijker dan enkel ware overtuiging?
zorgt allebei voor dezelfde gevolgen MAAR de kans dat iets waar is, is groter bij kennis
dan bij ware overtuiging
Westerse antieke filosofie
- Presocratici (= natuurfilosofen): filosofen voor School van Athene (Rafael)
Links= Plato, Rechts= Aristoteles
Socrates
- Sofisten (vaak bekritiseerd door Socrates)
- SPA (Socrates, Plato en Aristoteles)
= Centrale antieke filosofen
- Hellenistische en Romeinse filosofen (vooral
filosoferen rond de zin van het leven)
1. Milesische natuurfilosofen (presocratici)
- Centraal probleem= identiteit en verandering (vooral
aan de hand van de natuur)
o wat ligt aan de grondslag van die verandering?
o wat blijft hetzelfde tijdens deze veranderingen (=Archè, beginsel, oorsprong)?
o Bv. Een blad is groen in de lente, maar wordt bruin in de herfst
vergaat verandering, maar is hetzelfde blad
wat blijft gelijk?
o Bv. Ben je dezelfde persoon als 7 jaar geleden? (Zelfde mens, maar veel
fundamentele veranderingen + alle cellen van het lichaam zijn in deze tijd
veranderd)
3
, - Thales: (eerste Griekse wiskundige)
o Alles bestaat uit water (=oerstof) en verandering is de toestand van water die
verandert (ijs, water & gas andere toestanden en combinaties liggen aan de
basis van alles wat bestaat)
o Deze theorie is vrij simpel, maar geeft aan dat verklaringen gebeuren door kritiek
en argumentatie ipv procreatie en relatie met de goden
- Anaximander: (leerling Thales)
o Aan de grond van alles ligt een onbepaalde oerstof (apeiron)
o abstracte oerstof i.p.v. bepaalde oerstof volgens boek ‘stap verder’
- Anaximenes:
o Lucht als oerstof die verdunt of verdicht (zet stap terug volgens boek)
- Pythagoras
o Hypothese: wat begrijpelijk is aan de wereld/ de kosmos heeft ene wiskundige
structuur (bv. lengte vd snaren van een muziekinstrument zijn eenvoudige
getalsverhoudingen)
o Wiskunde is eeuwig en onveranderlijk en gaat boven de zintuigelijke
werkelijkheid
o Wiskunde (onbepaalde stof) ligt aan de basis vd wereld
<-> vorige filosofen die bepaalde stoffen als basis van de wereld ziet
- Herakleitos
o Oerstof= vluchtig en ongrijpbaar vuur
o Panta rei: alles vloeit, alles is voortdurend in beweging
er is geen identiteit over de tijd geen, alles verandert voortdurend
‘men kan niet 2 keer in dezelfde rivier staan’
ander water dan de eerste keer + ook de persoon is een klein beetje
veranderd
- Cambridge verandering: eigenschappen in relatie tot anderen
o Er is geen echte verandering, maar toch krijg je een nieuwe eigenschap
o Bv. ‘oudste vrouw ter wereld sterft’ kan niet, want op het moment dat ze
overlijdt is iemand anders de oudste ter wereld
4
de Middeleeuwen
Subdomeinen filosofie:
- Kenleer (theoretische filosofie bv wat is wetenschap, wat is kennis--> onderscheid
tussen wetenschap en onzin)
- Handelingsfilosofie (wat is morele verantwoordelijkheid)
- Ethiek (wat is goed, wat is fout)
- Wijsgerige antropologie (wat is de mens, wat zijn wij in vergelijking met dieren of AI)
Socrates, Plato en Aristoteles
- Plato was leerling van Socrates (Socrates speelt hoofdrol in dialogen van Plato)
- Aristoteles was leerling van Plato
- Dialogen van Plato
o Dialoog tussen Socrates en Sofisten
o Socrates stel een ‘wat is’ vraag
o Sofist antwoord vaak met voorbeelden ipv definitie
o Socrates is op zoek naar een intentionele definitie
Soorten definities
- Lexicale (definitie over het gebruik van een term)
- Stipulatieve (hoe moet een begrip gebruikt worden)
- !! Ostensieve (voorbeeld aanwijzen)
- Intensioneel (voorwaarden voor ergens aan te voldoen)
- Extensioneel (opsomming van zaken die onder een begrip vallen)
Begripsanalyse van x
- Noodzakelijke en voldoende voorwaarde
- individueel noodzakelijk: als x dan vw1
- gezamenlijk voldoende: als (vw1 & vw2) dan x
- Voorbeeld: tekening = lijnen op papier die iets voorstellen
gemeenschappelijke eigenschappen van tekeningen
toch niet voldoende om definitie te vormen
o VW1 is niet individueel noodzakelijk (bepaalde tekeningen voldoen niet aan de
voorwaarde, maar zijn wel tekeningen)
Bv. abstracte tekeningen, niet op papier...
1
, o VW1 is niet gezamenlijk voldoende (kan ook iets anders zijn dan tekening, maar
wel voldoen aan de voorwaarde)
Bv. letters
= tegenvoorbeelden
zoeken naar mogelijke (tegen) voorbeelden voor abstracte begrippen te analyseren
Overtuiging nodig voor kennis, maar dit is niet voldoende
- Bv flatearthers of Religies
- overtuiging komt niet altijd overeen met de feiten
= schijnbare kennis (iemand denkt dat hij kennis heeft, maar het klopt niet)
- foute kennis bestaat niet (als het verkeerd is, is het geen kennis meer)
- je kan pas iets weten als het ook waar is
Bye bye waarheidsrelativisme
- Protagoras: "de mens is de maat van alle dingen"
Wat waar is voor de ene persoon hoeft niet waar te zijn voor iemand anders (de
waarheid is persoonlijk)
- Plato's argument:
o Moest het waarheidsrelativisme waar zijn, dan is communicatie onmogelijk (en
communicatie is niet onmogelijk --> waarheidsrelativisme is fout)
o Als waarheidsrelativisme absoluut waar is, dan inconsistent (dan zou er een
waarheid zijn die niet relatief is -> spreekt zichzelf tegen)
o Als waarheidsrelativisme relatief waar is, dan overtuigt ze niemand (dan zou
deze waarheid alleen waar zijn voor Protagoras)
het waarheidsrelativisme kan niet worden volgehouden
Volstaat ware overtuiging voor kennis ? nee
- VB1. Je gaat ervan uit dat het aantal zandkorrels op het strand even is en dit is ook zo
GEEN KENNIS geen bewijs
- VB2. Een man zegt elke dag dat hem iets verschrikkelijks zal overkomen, dit gebeurt
nooit tot 1 dag waarop het wel gebeurt
GEEN KENNIS, MAAR TOEVAL
= ‘epistemisch geluk’ --> een overtuiging die je hebt is toevallig waar
Kennis= verantwoorde ware overtuigingen
2
,MAAR ook hier tegenbewijs voor: bv. Russells klok
- klok is stil gevallen op 17.05
- iemand ziet de klok en vormt de overtuiging dat het 17.05 is
- heeft hier verantwoording voor (de klok)
- het is toevallig ook 17.05
weet deze persoon dat het 17.05 is? NEE (ondanks de overtuiging en het bewijs)
Kennis volgens Plato: De Meno
- Kennis= op een betrouwbare manier gevormde ware overtuiging
- MAAR stelt de vraag waarom is kennis belangrijker dan enkel ware overtuiging?
zorgt allebei voor dezelfde gevolgen MAAR de kans dat iets waar is, is groter bij kennis
dan bij ware overtuiging
Westerse antieke filosofie
- Presocratici (= natuurfilosofen): filosofen voor School van Athene (Rafael)
Links= Plato, Rechts= Aristoteles
Socrates
- Sofisten (vaak bekritiseerd door Socrates)
- SPA (Socrates, Plato en Aristoteles)
= Centrale antieke filosofen
- Hellenistische en Romeinse filosofen (vooral
filosoferen rond de zin van het leven)
1. Milesische natuurfilosofen (presocratici)
- Centraal probleem= identiteit en verandering (vooral
aan de hand van de natuur)
o wat ligt aan de grondslag van die verandering?
o wat blijft hetzelfde tijdens deze veranderingen (=Archè, beginsel, oorsprong)?
o Bv. Een blad is groen in de lente, maar wordt bruin in de herfst
vergaat verandering, maar is hetzelfde blad
wat blijft gelijk?
o Bv. Ben je dezelfde persoon als 7 jaar geleden? (Zelfde mens, maar veel
fundamentele veranderingen + alle cellen van het lichaam zijn in deze tijd
veranderd)
3
, - Thales: (eerste Griekse wiskundige)
o Alles bestaat uit water (=oerstof) en verandering is de toestand van water die
verandert (ijs, water & gas andere toestanden en combinaties liggen aan de
basis van alles wat bestaat)
o Deze theorie is vrij simpel, maar geeft aan dat verklaringen gebeuren door kritiek
en argumentatie ipv procreatie en relatie met de goden
- Anaximander: (leerling Thales)
o Aan de grond van alles ligt een onbepaalde oerstof (apeiron)
o abstracte oerstof i.p.v. bepaalde oerstof volgens boek ‘stap verder’
- Anaximenes:
o Lucht als oerstof die verdunt of verdicht (zet stap terug volgens boek)
- Pythagoras
o Hypothese: wat begrijpelijk is aan de wereld/ de kosmos heeft ene wiskundige
structuur (bv. lengte vd snaren van een muziekinstrument zijn eenvoudige
getalsverhoudingen)
o Wiskunde is eeuwig en onveranderlijk en gaat boven de zintuigelijke
werkelijkheid
o Wiskunde (onbepaalde stof) ligt aan de basis vd wereld
<-> vorige filosofen die bepaalde stoffen als basis van de wereld ziet
- Herakleitos
o Oerstof= vluchtig en ongrijpbaar vuur
o Panta rei: alles vloeit, alles is voortdurend in beweging
er is geen identiteit over de tijd geen, alles verandert voortdurend
‘men kan niet 2 keer in dezelfde rivier staan’
ander water dan de eerste keer + ook de persoon is een klein beetje
veranderd
- Cambridge verandering: eigenschappen in relatie tot anderen
o Er is geen echte verandering, maar toch krijg je een nieuwe eigenschap
o Bv. ‘oudste vrouw ter wereld sterft’ kan niet, want op het moment dat ze
overlijdt is iemand anders de oudste ter wereld
4