H2: BABY- EN PEUTERTIJD (FYSIEKE ONTWIKKELING)
1. LICHAAMSGROEI
1.1 ALGEMEEN
In eerste 2 levensjaren gebeurt zeer veel:
Lengte neemt met 50% toe tot 1e verjaardag, 75% tot 2e verjaardag
Gewicht neemt toe
Groei in groeispurten (soms in periode van 24u paar mm groter)
→ blijft wel continue ontwikkeling, ook al gaat het heel snel
Nog steeds kwanitatieve veranderingen
Mollig: babyvet blijft toenemen
→ belangrijk voor lichaamstemperatuur te reguleren
Jongens meisjes
→ meisjes zijn Kleiner, minder mollig, etc
Etnische verschillen
Individuele verschillen
→ Skelet leeftijd: scan van botten kan verschillende fasen in ontwikkeling vastleggen
Meisjes staan voor op jongens:
- Voorsprong bij geboorte van 4-6 weken
- voorsprong van 2 jaar aan begin adolescentie
1.2 VERSCHUIVING IN LICHAAMSPROPORTIE
bij een pasgeboren baby is het hoofd ¼ van het
lichaam
→ bij volwassene 1/8
heeft te maken met de
groeitrends
,1.3 GROEITRENDS
CEPHALOCAUDAAL PROXIMODISTAAL
Van hoofd naar staart Van dicht naar ver
Onderste deel lichaam ontwikkelt minder De uitersten (bv. vingertoppen) groeien later
snel dan hoofd dan het hoofd en borst
1.4 BEÏNVLOEDENDE FACTOREN VAN LICHAAMSGROEI
Erfelijkheid (belangrijkste factor in fysieke ontwikkeling
→ als je niet in gedepriveerde omstandigheden woont is het bijna puur biologie
Lengte
Gewicht
Snelheid van groei
Zolang omgeving niet extreem negatief is
Snelle gewichtstoename babytijd
= lichte correlatie met kans op overgewicht op oudere leeftijd
Fruit, groenten
Beweging
2. ONTWIKKELING VAN DE HERSENEN
2.1 ONTWIKKELING OP MICROSCOPISCH NIVEAU
Reeds voor geboorte worden neuronen ontwikkeld: 100 à 200 miljard neuronen bij geboorte
→ niet allemaal nodig, reserve mocht iets fout lopen
Neuronen beginnen onmiddellijk na geboorte connecties te vormen met elkaar:
= Geprogrammeerde celsterfte
nutteloze neuronen beginnen na verloop van tijd af te sterven om ruimte te maken, ze zijn nooit
gebruikt
= Synaptisch snoeien
→ soms worden neuronen na een tijdje niet meer geprikkeld door de zintuigen
de connecties tussen neuronen en netwerk wordt losgeknipt
neuronen worden terug neutraal en kunnen voor andere functie ingezet worden
Omgeving is cruciaal: stimulatie is noodzakelijk
experience-expectant brain growth experience-dependent brain growth
, experience-expectant brain growth = je brein verwacht een bepaalde hoeveelheid basis
stimulatie
→ prikkels die we aalemaal nodig hebben
Bv het zien van beweging, geuren en kleuren als baby
experience-dependent brain growth: ervaringen uniek voor elk individu en zorgen voor
interindividuele
verschilllen in hersenontwikkeling
bv gamers of bepaalde sport beofenen
→ bepaalde netwerken zullen, gevormd worden en activeren die een ander niet per se heeft
hiervoor is de synaptische snoei van belang
waarom is stimulatie noodzakelijk?
→ Gestimuleerde neuronen vormen verbindingen en synapsen
→ Niet-gestimuleerde neuronen verliezen synapsen en keren terug naar ongedifferentieerde
staat
Overstimulatie kan ook cognitieve schade toebrengen
Experimenten met dieren & weeshuiskinderen: Roemeense weeskinderen in zeer gedepriveerde
omstandigheden opgegroeid
- Roemeense weeshuiskinderen vs Britse adoptiekidneren
- Als Roemeense kinderen minder dan 6 maanden in het weeshuis verbleven hadden, was er niet
veel verschil met de britse adoptiekinderen
= cathing-up
- Hoe langer je er verblijft, hoe erger de gevolgen
- Hersenen hebben heel wat plasticiteit, maar er zijn grenzen
Myelinisatie = op een bepaald moment schaft van gliacellen rond axonen
hersenen werken sneller en efficiënter
→ volume en gewicht van hersenen neemt toe
2.2 ONTWIKKELING OP CORTEXNIVEAU
Cortex = hersenschors
Timing:
Eerste ontwikkeling in visuele, auditieve en motorische gebieden
Later: taal en frontale cortex (hogere-orde denken)
Niet alle hersengebieden ontwikkelen aan zelfde tempo of op zelfde moment
Hersengebieden voor visuele, auditieve en motorische functies eerst
, → prioriteiten: zintuigelijke waarnemingen en in beweging komen
Hersengebieden die instaan voor taal: jonge kinderen kunnen goed talen oppikken
Frontale cortex → tot diep in adolescentie myelinisatieprocessen
=> levenslooptheorie: multidimensionaliteit & multidirectionaliteit ( Initieel: hoge mate van plasticteit)
Lateralizatie: 2 hemisferen van de hersenen krijgen elk een aparte set functies
→ onze hersenen als baby nog niet gelateraliseerd
Zo kunnen problemen bij ene hemisfeer opgevangen worden (fucnties kunnen
overgenomen worden) door andere hemisfeer
Links: verbaal, sequentieel denken, positieve emoties
Rechts: spatiaal, parallel en holistisch denken, negatieve emoties
Slaappatroon verschuift naar dag-nacht ritme tijdens eerste levensjaar
behoefte aan slaap daalt van 18 tot 12 uren per dag tegen 2e jaar
→ in het begin veel remslaap = ondiepe fase van slap (dromen)
Theorie: hersenen willen zichzelf prikkelen en stimuleren tijdens de slap om de
‘architectuur’ van het brein verder vorm te geven
3. LEERVERMOGEN
3.1 KLASSIEKE CONDITIONERING
Mama ondervindt dat altijd als ze borstvoeding geeft ze aait over het hoofdje van haar baby
→ zodra iemand over het hoofd aait van de baby begint die te zuigen
volgens de klassieke conditionering
Neutrale stimulus: het aaien
Ongeconditioneerde stimulus: borstvoeding (zorgt automatisch voor zuigreflex)
Ongeconditioneerde reactie: zuigen
3.2 OPERANTE CONDITIONERING
Bekrachtiging: beloning, frequentie van gedrag stijgt
Straf: frequentie van gedrag daalt
→ kan gebruikt worden om na te gaan welke visuele stimuli baby’s interessant vinden:
bv. met mobiel boven bed
- Mobiek hangt met touw aan voet van baby
1. LICHAAMSGROEI
1.1 ALGEMEEN
In eerste 2 levensjaren gebeurt zeer veel:
Lengte neemt met 50% toe tot 1e verjaardag, 75% tot 2e verjaardag
Gewicht neemt toe
Groei in groeispurten (soms in periode van 24u paar mm groter)
→ blijft wel continue ontwikkeling, ook al gaat het heel snel
Nog steeds kwanitatieve veranderingen
Mollig: babyvet blijft toenemen
→ belangrijk voor lichaamstemperatuur te reguleren
Jongens meisjes
→ meisjes zijn Kleiner, minder mollig, etc
Etnische verschillen
Individuele verschillen
→ Skelet leeftijd: scan van botten kan verschillende fasen in ontwikkeling vastleggen
Meisjes staan voor op jongens:
- Voorsprong bij geboorte van 4-6 weken
- voorsprong van 2 jaar aan begin adolescentie
1.2 VERSCHUIVING IN LICHAAMSPROPORTIE
bij een pasgeboren baby is het hoofd ¼ van het
lichaam
→ bij volwassene 1/8
heeft te maken met de
groeitrends
,1.3 GROEITRENDS
CEPHALOCAUDAAL PROXIMODISTAAL
Van hoofd naar staart Van dicht naar ver
Onderste deel lichaam ontwikkelt minder De uitersten (bv. vingertoppen) groeien later
snel dan hoofd dan het hoofd en borst
1.4 BEÏNVLOEDENDE FACTOREN VAN LICHAAMSGROEI
Erfelijkheid (belangrijkste factor in fysieke ontwikkeling
→ als je niet in gedepriveerde omstandigheden woont is het bijna puur biologie
Lengte
Gewicht
Snelheid van groei
Zolang omgeving niet extreem negatief is
Snelle gewichtstoename babytijd
= lichte correlatie met kans op overgewicht op oudere leeftijd
Fruit, groenten
Beweging
2. ONTWIKKELING VAN DE HERSENEN
2.1 ONTWIKKELING OP MICROSCOPISCH NIVEAU
Reeds voor geboorte worden neuronen ontwikkeld: 100 à 200 miljard neuronen bij geboorte
→ niet allemaal nodig, reserve mocht iets fout lopen
Neuronen beginnen onmiddellijk na geboorte connecties te vormen met elkaar:
= Geprogrammeerde celsterfte
nutteloze neuronen beginnen na verloop van tijd af te sterven om ruimte te maken, ze zijn nooit
gebruikt
= Synaptisch snoeien
→ soms worden neuronen na een tijdje niet meer geprikkeld door de zintuigen
de connecties tussen neuronen en netwerk wordt losgeknipt
neuronen worden terug neutraal en kunnen voor andere functie ingezet worden
Omgeving is cruciaal: stimulatie is noodzakelijk
experience-expectant brain growth experience-dependent brain growth
, experience-expectant brain growth = je brein verwacht een bepaalde hoeveelheid basis
stimulatie
→ prikkels die we aalemaal nodig hebben
Bv het zien van beweging, geuren en kleuren als baby
experience-dependent brain growth: ervaringen uniek voor elk individu en zorgen voor
interindividuele
verschilllen in hersenontwikkeling
bv gamers of bepaalde sport beofenen
→ bepaalde netwerken zullen, gevormd worden en activeren die een ander niet per se heeft
hiervoor is de synaptische snoei van belang
waarom is stimulatie noodzakelijk?
→ Gestimuleerde neuronen vormen verbindingen en synapsen
→ Niet-gestimuleerde neuronen verliezen synapsen en keren terug naar ongedifferentieerde
staat
Overstimulatie kan ook cognitieve schade toebrengen
Experimenten met dieren & weeshuiskinderen: Roemeense weeskinderen in zeer gedepriveerde
omstandigheden opgegroeid
- Roemeense weeshuiskinderen vs Britse adoptiekidneren
- Als Roemeense kinderen minder dan 6 maanden in het weeshuis verbleven hadden, was er niet
veel verschil met de britse adoptiekinderen
= cathing-up
- Hoe langer je er verblijft, hoe erger de gevolgen
- Hersenen hebben heel wat plasticiteit, maar er zijn grenzen
Myelinisatie = op een bepaald moment schaft van gliacellen rond axonen
hersenen werken sneller en efficiënter
→ volume en gewicht van hersenen neemt toe
2.2 ONTWIKKELING OP CORTEXNIVEAU
Cortex = hersenschors
Timing:
Eerste ontwikkeling in visuele, auditieve en motorische gebieden
Later: taal en frontale cortex (hogere-orde denken)
Niet alle hersengebieden ontwikkelen aan zelfde tempo of op zelfde moment
Hersengebieden voor visuele, auditieve en motorische functies eerst
, → prioriteiten: zintuigelijke waarnemingen en in beweging komen
Hersengebieden die instaan voor taal: jonge kinderen kunnen goed talen oppikken
Frontale cortex → tot diep in adolescentie myelinisatieprocessen
=> levenslooptheorie: multidimensionaliteit & multidirectionaliteit ( Initieel: hoge mate van plasticteit)
Lateralizatie: 2 hemisferen van de hersenen krijgen elk een aparte set functies
→ onze hersenen als baby nog niet gelateraliseerd
Zo kunnen problemen bij ene hemisfeer opgevangen worden (fucnties kunnen
overgenomen worden) door andere hemisfeer
Links: verbaal, sequentieel denken, positieve emoties
Rechts: spatiaal, parallel en holistisch denken, negatieve emoties
Slaappatroon verschuift naar dag-nacht ritme tijdens eerste levensjaar
behoefte aan slaap daalt van 18 tot 12 uren per dag tegen 2e jaar
→ in het begin veel remslaap = ondiepe fase van slap (dromen)
Theorie: hersenen willen zichzelf prikkelen en stimuleren tijdens de slap om de
‘architectuur’ van het brein verder vorm te geven
3. LEERVERMOGEN
3.1 KLASSIEKE CONDITIONERING
Mama ondervindt dat altijd als ze borstvoeding geeft ze aait over het hoofdje van haar baby
→ zodra iemand over het hoofd aait van de baby begint die te zuigen
volgens de klassieke conditionering
Neutrale stimulus: het aaien
Ongeconditioneerde stimulus: borstvoeding (zorgt automatisch voor zuigreflex)
Ongeconditioneerde reactie: zuigen
3.2 OPERANTE CONDITIONERING
Bekrachtiging: beloning, frequentie van gedrag stijgt
Straf: frequentie van gedrag daalt
→ kan gebruikt worden om na te gaan welke visuele stimuli baby’s interessant vinden:
bv. met mobiel boven bed
- Mobiek hangt met touw aan voet van baby