- Veelgebruikte termen in onderzoek en de rol van cijfermatige analyse binnen een onderzoek of rapportage te
herkennen en te benoemen
- Op de juiste manier (weergaves van) kwantitatieve gegevens te interpreteren
- Op de juiste manier kwantitatieve gegevens weer te geven in tabellen en grafieken
- In SPSS beschrijvende tabellen en grafieken te produceren;
- Belangrijke bevindingen te formuleren op basis van zelf uitgevoerde analyses
- Zelfstandig gegevens (een databestand) te beschrijven en analyseren voor een onderzoek of rapport.
Samenvatting lessen en PowerPoints
Les 1
Likert scale = 5 of 6 mogelijkheden (helemaal mee eens, mee eens, niet mee eens, helemaal
niet mee eens) zijn gradaties van meningen.
Statistiek wordt gezien als de wetenschap die zich bezighoudt met het verzamelen, bewerken,
interpreteren en presenteren van kwantitatieve gegevens door:
- Beschrijvende statistiek
- Kansberekening
- Toetsende (inferentiële statistiek)
Fasen in onderzoek die steeds terugkomen:
Verzamelen, analyseren, evalueren, ontwerpen
Je kan een code/waarde geven aan bepaalde antwoorden. (Man = 1, vrouw = 2)
Variabele = geslacht
Waardes = 2
Variabele = een element dat een bepaalde waarde aan kan nemen (man, MBO, leeftijd)
Waardes = tot aan hoeveel codes aan een variabel gegeven wordt
Een meetniveau is de aard (het type) van een antwoordschaal. Het meetniveau geeft aan in
welke mate je de waarden die je aan de categorieën zijn toegekend, kunt gebruiken om ermee
te rekenen.
Continu en kwantitatief = zijn er gelijke verhoudingen, is er een natuurlijk nulpunt?
GETALLEN
Ja = Ratio (cijfers) (vergelijken, lager of hoger, optellen aftrekken en delen en
vermenigvuldigen)
Nee = Interval (tempratuur of IQ BIJNA NIETS IS INTERVAL) (vergelijken, lager of
hoger, optellen of aftrekken)
Discreet en kwalitatief = is er een volgorde in de waarden? GEEN AUTOMATISCHE
GETALLEN
1
, Ja = Ordinaal (ORDE, VOLGORDE) (opleidingsniveau) (vergelijken en lager of hoger)
Nee = Nominaal (NO ORDE, NO VOLGORDE) (geslacht, geen volgorde) (vergelijken)
Diersoorten = nominaal
Rangen in het leger = ordinaal
Aantal uren per week werken = ratio
Seizoen = nominaal
Inwonersaantal = ratio
Windrichting = nominaal
Salaris in euro per maand = ratio
Gewicht = ratio
Mening over een station = ordinaal
Nationaliteit = nominaal
Totaalaantal behandelde patiënten = ratio
Hoogst genoten opleiding = ordinaal
Haarkleur = nominaal
Onderscheid is bij nominaal, ordinaal, interval en ratio.
Ordening is bij ordinaal, interval en ratio.
Gelijke verschillen is bij interval en ratio.
De verhoudingen kloppen bij ratio.
Frequentieverdelingen = je laat zien welke kenmerken gemeten zijn, hoeveel geldige
waarnemingen er zijn en hoeveel waarnemingen per categorie door:
- Absolute frequenties (tellen)
- Relatieve frequentie (procenten)
- Geldige frequentie (iemand is een vraag vergeten en daarvan haal je het percentage)
- Cumulatieve frequentie (percentage doorgeteld)
Bij een frequentietabel geef je bijvoorbeeld bij toets cijfers de cijfers aan en daarbij de
absolute getallen (hoeveel personen hebben dat cijfer gehaald) en de relatieve frequentie
(hoeveel procent van het geheel hebben dit cijfer gehaald)
Percent = hoeveel mensen het zijn in werkelijkheid
Valid percent = hoeveel mensen er op hebben beantwoord
Diagrammen = getallen in figuren zetten
- Cirkeldiagram = geeft verhoudingen tussen categorieën, nominaal/ordinaal, kan voor
slechts enkele categorieën.
- Staafdiagram = verhoudingen tussen categorieën, nominaal/ordinaal, kan voor
slechts enkele categorieën.
- Geclusterd staafdiagram = geclusterd naast elkaar of gestapeld op elkaar
- Histogram = vorm van de verdeling, grote groepen mensen/snelheidsmetingen,
interval/ratio.
- Lijngrafiek = trendontwikkelingen, interval/ratio, veel categorieën.
- Boxdiagram/ boxplot= interval/ratio, uitschieters worden zichtbaar, middelste
mediaan.
- Spreidingsdiagram = scatterplot/puntenwolk, je kunt ieder individu zien in de
boxplot, interval/ratio, je ziet het verband tussen de y en x as.
Les 2
2
, Waarden bij geslacht = 2 (man en vrouw)
Numeriek bij geslacht = geen getallen
Meetniveau bij geslacht = nominaal
Waarden bij opleidingsniveau = ligt eraan waar je begint, mbo, hbo, universiteit
Numeriek bij opleidingsniveau = geen getallen
Meetniveau bij opleidingsniveau = ordinaal
Waarden bij IQ = tot het maximale
Numeriek bij IQ = ja, er zijn getallen
Meetniveau bij IQ = interval
Waarden bij leeftijd = 0 – 125
Numeriek bij leeftijd = ja het is met cijfers
Meetniveau bij leeftijd = ratio
Frequentietabellen:
Cijfer + absolute aantallen (hoeveel van de cijfers heeft dat cijfer) + relatieve frequentie (het
percentage van het totaal) onderin het totaal.
3:22x100 = relatieve frequentie FREQUENTIEABSOTULTEAANTALLEN:TOTAALX100
Variabelen zijn één of twee woorden van de vraag, de kern. In welke klas zit je = klas.
Waarden zijn uit hoeveel je kunt kiezen dus bij man en vrouw is de waarde 2, A B C D is
waarde 4.
Coderen: man, 1 vrouw, 2. ABCD, 4.
3