Les 1
Mens techniek en organisatie hebben te maken met veiligheid en psychologie.
Mens: gedrag
Techniek: goed werken van materialen zodat mensen er mee kunnen werken
Organisatie: hoe maken we de organisatie veilig en wat vinden mensen veilig in
de organisatie
!! Over het algemeen overschatten mensen de eigen mogelijkheden en
onderschatten de gevaren uit de omgeving.
Gebeurtenis: wanneer je iets waarneemt. (je wordt overvallen)
Gedachte: werking van de hersenen, hoe denken mensen? (wat kan ik doen?)
Gevoel: hoe voelen mensen? (bang)
Gedrag: waarom gedragen mensen zich zo? (wegrennen)
99% kan niet multi-tasken. Je kunt wel met twee dingen tegelijk bezig zijn maar
je kunt je niet focussen op 2 dingen.
Nature: aangeboren
Nurture: aangeleerd
Instinctief reageert een baby anders op bepaalde situaties zoals op bepaalde
dieren, storm, hitte, vuur, nieuwe omgeving
Zichtbaar: gedrag en kennis
Niet zichtbaar: persoonlijkheid, normen en waarden, innerlijke processen
Menselijke fouten:
Onbedoelde fouten: vergissen of vergeten van iets: hierdoor ontstaat een fout
Bedoelde fouten: overtredingen maken terwijl je het zelf wilt, het is bewust.
Hierdoor ontstaat een fout.
Les 2
Perceptie geeft betekenis aan sensatie. Door perceptie ontstaat een interpretatie
van de externe wereld. Perceptie is het proces waarbij de waarnemer prikkels
(stimuli) vanuit de omgeving selecteert, organiseert en interpreteert, zodat er
een betekenisvol beeld van de werkelijkheid ontstaat.
Wat je waarneemt, is afhankelijk van….
• Kenmerken van de prikkels zelf (bottom-up input)
1
, • Kenmerken van de waarnemer (top-down input)
• Kenmerken van de sociale omgeving (top-down input)
Bottum-up input = met prikkels. Prikkels zijn dingen van buitenaf.
Top-down input = vanuit de waarnemer en van de sociale omgeving.
Bijvoorbeeld een betekenis aan iets geven.
Bottum-up = je moet er goed over nadenken
Top-down = iets is al bekend; verwachtingspatronen; je bent niet anders gewend
Van belang voor veiligheid: Hoe sterk vallen veiligheidsmaatregelen op? bv
bordjes in het verkeer. Hoe sterk vallen risico’s op? bv iets onverwachts,
gewenning om op een bepaalde manier te fietsen.
Tunnelvisie = heel erg gericht op 1 ding (veel paraatheid)
Gestaltwetten = aangeboren neiging om de waarneming te organiseren.
• Proximity= nabijheid= je ziet de 7 lijnen als 3 paar en een extra lijn.
Groeperen.
• Similarity= gelijkheid/contrast= eerste plaatje zie je kolommen van
puntjes en niet horizontaal als afwisseling van puntjes en vierkantjes.
• Closure= geslotenheid= we negeren vaak info die niet compleet is, we
zien hele figuren ook als het niet zo is. Hier zie je eerder rechthoeken, dan
haakjes
• contiunuity-= goede voortgang= je ziet eerder een golvende lijn over een
vierkante lijn, maar het zou ook kunnen zijn zoals de onderste tekening.
Ander voorbeeld: rood blijft rood, ook als er ander licht op valt!
Les 3
Veldtheorie:
Hoe ontstaat gedrag? G = f (kxs) (karakter x situatie = gedrag)
Sociale impacttheorie:
De sociale invloed die we op onze omgeving uitoefenen is afhankelijk van de
sterkte = afspraken, de nabijheid = anderen en het aantal bronnen = grootte van
de groep.
We worden direct beïnvloed (gehoorzaamheid) en indirect (door conformering;
door anderen; je hoort ergens bij en je doet hun na)
Denk bij conformering aan het experiment van Asch; de groep beslist uiteindelijk
hetzelfde. Je wilt niet afwijken van een groep.
Omstandereffect = je ziet iets gebeuren maar doet niet omdat je bang bent om
de confrontatie aan te gaan
Denk bij gehoorzaamheid aan regels of gedragingen waar we ons aan moeten
houden. Maar ook aan als iemand met een hogere autoriteit iets tegen ons zegt.
Denk hierbij aan het experiment Millgram met de elektriciteit schokken. Of het
Stanford experiment in de gevangenis.
Self-seving bias = je doet wat jou het beste uitkomt
Fundamentele attributiefout = gedrag wordt bepaald door omstandigheden en
karakter
2