Observeren, registreren, rapporteren en interpreteren
Inleiding:
Dit zijn de basisvaardigheden. op deze basis w hulpverleningsplannen opgesteld, op basis van
rapportering worden beslissingen genomen die verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor
cliënten.
Hoofdstuk 1: Observeren
1.1 Inleiding en definitie
Als verschillende mensen observeren zul je verschillende observaties krijgen.
Observeren= bewust en doekgericht waarnemen.
Waarnemen= een continu proces waarbij verbanden worden gelegd en conclusies
worden getrokken. Er wordt dus ook geïnterpreteerd.
1.2 Soorten observaties
- Gedragsobservatie:
menselijk gedrag is complex want er gebeuren altijd veel zaken tegelijk.
- Dagelijkse Observatie:
Al de gedragingen en gebeurtenissen die we zien tijdens een dienst, dagelijks
leven. Er zijn geen afspraken waar op gelet zal worden. De beleving van de
observator staat centraalredelijk subjectief!
- Systematische observatie:
Bewust en doelgericht een bepaald persoon observeren.
“Wie, waar, wanneer, hoe lang” worden geobserveerd en in kaart gebracht! (turven,
meten!)
- Participerende observatie:
Meeste observaties zijn niet-participerend!
Wanneer de observator wel deelneemt aan de activiteit kan er invloed uitgeoefend
w op het gedrag tegelijk voor- en na deel van deze vorm!
- Zelfobservatie:
De observator + de geobserveerde=1!
een soort van helikopterview: je gaat jezelf van op een afstand bekijken.
Zo kun je nadien je eigen gedrag in vraag stellen en reflecteren. (gevolgen nagaan)
Zelfobservatie wordt ook gebuikt om gevoelens na te gaan (vragenlijst depressie)
Een eigen oordeel van iemand = altijd minder betrouwbaar want het zelfbeeld komt
niet altijd overeen met hoe anderen iemand ervaren.
1
, 1.3 Doelstelling van de observatie:
Doel?
Het observatiedoel moet eenduidig zijn (slechts op 1 manier te begrijpen)
Doel= onderzoeksvraag
Vraagstellingen?
Het doel w omgezet in een concrete vraagstelling, die ook eenduidig is.
Vaak is het het beste om de vraagstelling op te splitsen in verschillende deelvragen.-->
Het doel w uiteengerafeld tot versch. deelvragen.
Gedragingen?
De vraagstellingen w uiteengerafeld in versch. gedragingen. Let op om interpretaties en
belevingen niet als gedrag te bepalen. Gedrag moet meetbaar en zichtbaar zijn. Bv:
Nergens zin in hebben =geen gedrag ->Deed niet mee aan een bepaalde act =wel gedrag.
Vaak zijn gedragingen minder meetbaar en eenduidig als we denken. Sommige
gedragingen kunnen enkel door zelfobservatie tot uiting komen. Bv? Om hoe laat iemand
gaat slepen.
Nul-meting?
Als je veranderingen en/of evoluties in gedrag wil meten heb je een startpunt nodig= 0-
meting= base-rate= beginsit.
Soms/vaak al niet meer vast te stellen (te voorkomen door standaard meer systematische
observatie te doen)
Een nul-meting moet er zijn! Eventueel later vastgesteld.
In kaart brengen?
Best w er gebruik gemaakt van standaard formulieren om wildgroei te vermijden.
Concrete gedragingen, voortvloeiend uit gestelde vraagstellingen, moeten w vermeld.
Taal?
Belangrijk om eenduidige taal te gebruiken.
“soms, vaak, weinig, veel,..” (woorden van frequentie)
“erg, ernstig, zorgelijk,…”woorden van intensiteit)
zijn te mijden woorden omdat ze niet voldoende concreet zijn en op eigen wijze kunnen w
ingevuld of geïnterpreteerd. beter gebruik maken van concrete gedragingen (bv: 2xper
minuut)
2
Inleiding:
Dit zijn de basisvaardigheden. op deze basis w hulpverleningsplannen opgesteld, op basis van
rapportering worden beslissingen genomen die verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor
cliënten.
Hoofdstuk 1: Observeren
1.1 Inleiding en definitie
Als verschillende mensen observeren zul je verschillende observaties krijgen.
Observeren= bewust en doekgericht waarnemen.
Waarnemen= een continu proces waarbij verbanden worden gelegd en conclusies
worden getrokken. Er wordt dus ook geïnterpreteerd.
1.2 Soorten observaties
- Gedragsobservatie:
menselijk gedrag is complex want er gebeuren altijd veel zaken tegelijk.
- Dagelijkse Observatie:
Al de gedragingen en gebeurtenissen die we zien tijdens een dienst, dagelijks
leven. Er zijn geen afspraken waar op gelet zal worden. De beleving van de
observator staat centraalredelijk subjectief!
- Systematische observatie:
Bewust en doelgericht een bepaald persoon observeren.
“Wie, waar, wanneer, hoe lang” worden geobserveerd en in kaart gebracht! (turven,
meten!)
- Participerende observatie:
Meeste observaties zijn niet-participerend!
Wanneer de observator wel deelneemt aan de activiteit kan er invloed uitgeoefend
w op het gedrag tegelijk voor- en na deel van deze vorm!
- Zelfobservatie:
De observator + de geobserveerde=1!
een soort van helikopterview: je gaat jezelf van op een afstand bekijken.
Zo kun je nadien je eigen gedrag in vraag stellen en reflecteren. (gevolgen nagaan)
Zelfobservatie wordt ook gebuikt om gevoelens na te gaan (vragenlijst depressie)
Een eigen oordeel van iemand = altijd minder betrouwbaar want het zelfbeeld komt
niet altijd overeen met hoe anderen iemand ervaren.
1
, 1.3 Doelstelling van de observatie:
Doel?
Het observatiedoel moet eenduidig zijn (slechts op 1 manier te begrijpen)
Doel= onderzoeksvraag
Vraagstellingen?
Het doel w omgezet in een concrete vraagstelling, die ook eenduidig is.
Vaak is het het beste om de vraagstelling op te splitsen in verschillende deelvragen.-->
Het doel w uiteengerafeld tot versch. deelvragen.
Gedragingen?
De vraagstellingen w uiteengerafeld in versch. gedragingen. Let op om interpretaties en
belevingen niet als gedrag te bepalen. Gedrag moet meetbaar en zichtbaar zijn. Bv:
Nergens zin in hebben =geen gedrag ->Deed niet mee aan een bepaalde act =wel gedrag.
Vaak zijn gedragingen minder meetbaar en eenduidig als we denken. Sommige
gedragingen kunnen enkel door zelfobservatie tot uiting komen. Bv? Om hoe laat iemand
gaat slepen.
Nul-meting?
Als je veranderingen en/of evoluties in gedrag wil meten heb je een startpunt nodig= 0-
meting= base-rate= beginsit.
Soms/vaak al niet meer vast te stellen (te voorkomen door standaard meer systematische
observatie te doen)
Een nul-meting moet er zijn! Eventueel later vastgesteld.
In kaart brengen?
Best w er gebruik gemaakt van standaard formulieren om wildgroei te vermijden.
Concrete gedragingen, voortvloeiend uit gestelde vraagstellingen, moeten w vermeld.
Taal?
Belangrijk om eenduidige taal te gebruiken.
“soms, vaak, weinig, veel,..” (woorden van frequentie)
“erg, ernstig, zorgelijk,…”woorden van intensiteit)
zijn te mijden woorden omdat ze niet voldoende concreet zijn en op eigen wijze kunnen w
ingevuld of geïnterpreteerd. beter gebruik maken van concrete gedragingen (bv: 2xper
minuut)
2