- Simone Antangana Bekono, Amsterdam, 2020 [221 pag.] 3 –
Samenvatting
Salomé, een 16-jarig meisje met een Kameroense vader en Nederlandse moeder, groeit op in een
Brabants dorp. Als kind voelt ze zich verbonden met Kameroen, maar in Nederland wordt ze steeds
vaker geconfronteerd met racisme. Haar vader leert haar om niet te reageren, maar zelf verliest hij
zijn beheersing als Salomé wordt uitgescholden. Thuis ontstaan spanningen: haar vader wordt
werkloos en ziek, haar ouders ruziën, en haar zus verwijt haar een bevoorrechte positie.
Op school wordt Salomé ernstig gepest, wat haar agressief maakt. Ze sloopt fietsen en telefoons,
wat uiteindelijk leidt tot haar plaatsing bij jeugdzorg. De situatie escaleert wanneer twee pesters,
Paul en Salvatore, haar aanvallen en ze een van hen verwondt (ze slaat Paul met een tak op zijn oog).
Ze wordt veroordeeld tot zes maanden cel.
In de gevangenis worstelt ze met haar identiteit en de gevolgen van haar daad. Ze krijgt therapie,
vindt steun bij medegedetineerde Marissa en leest veel. Haar moeder bezoekt haar regelmatig, haar
vader niet. Haar tante Céleste, inmiddels in Barcelona, stuurt brieven die haar inspireren om haar
woede om te zetten in iets constructiefs.
Na haar straf wil Salomé zichzelf terugvinden. In een symbolische daad confronteert ze haar
verleden door zich bij het huis van haar vroegere pester te laten zien en luid haar naam uit te
spreken.
Interpretatie
Thematiek
Identiteit en racisme
Salomé worstelt met haar identiteit. Ze vraagt zich af wie ze werkelijk is: de slimme, ambitieuze meid
met een toekomst of het meisje dat na een geweldsdelict in de gevangenis zit. Haar zoektocht wordt
beïnvloed door haar gemengde afkomst en de racistische houding van haar omgeving.
Als donkergekleurd meisje in een overwegend witte maatschappij wordt ze geconfronteerd met
discriminatie. Haar klasgenoten behandelen haar als een minderwaardig lid van een groep, wat haar
dwingt hard te werken—zoals haar vader haar heeft geleerd. Tegelijkertijd voelt ze een innerlijke
verscheurdheid tussen haar Nederlandse en Kameroense achtergrond. Haar bezoek aan Kameroen
versterkt dit: eerst voelt ze zich er niet thuis, maar uiteindelijk idealiseert ze het land. Dat beeld
kantelt wanneer vluchtelingen in haar Brabantse dorp worden behandeld als buitenstaanders—net
als zijzelf.
In de gevangenis ontdekt Salomé dat ze haar identiteit niet kan vormen door te zwijgen of met
geweld te reageren. Ze moet haar eigen weg vinden, los van de verwachtingen en oordelen van
anderen.
Titel en Motto’s
De roman draait om confrontaties, zowel fysiek als emotioneel. De belangrijkste confrontatie—
tussen Salomé en haar belagers—komt pas aan het einde. Andere confrontaties spelen zich eerder
af: tussen schoolkinderen en een asielzoeker, tussen Salomés vader en de buurman, en tussen
Salomé en haar therapeut Frits. In de gevangenis wordt ze vooral met zichzelf geconfronteerd. Al