Inleiding in de ecologie en evolutie (Katholieke Universiteit Leuven)
Scannen om te openen op Studocu
,Studocu wordt niet gesponsord of ondersteund door een hogeschool of universiteit
, Hoofdstuk 6: interacties tussen populaties
6.1. Terminologie
Individuen leven niet alleen, en kunnen met elkaar interageren. Interacties kunnen zowel tussen soortgenoten als
tussen organismen van verschillende soorten.
Symbiose:
- Vroeger: alle situaties waarbij organismen in sterke associatie met elkaar leven (zowel parasitair als
mutualistisch)
- Nu: gebruikt om enkel interacties aan te duiden die voor beide partners voordeel bieden
Mogelijke interacties
Type interactie wordt bepaald door het effect dat de interactie teweegbrengt bij interagerende partners
Aan de actie zelf, de oorzaak van het effect, wordt een andere term gegeven.
Alle mogelijke interacties tussen organismen weergegeven in functie van hun effect op
populatiedensiteit van de interagerende organismen → criterium ‘evenwichtspopulatiedensiteit’ gebruikt
om het effect van de interactie te meten.
Mutualisme (++): Bestuiving van planten door bijen, darmbacteriën in zoogdieren: beide
organismen halen er voordeel uit
Commensalisme (+0): orchidee die op boom groeit voor meer licht maar geen
voedingstoffen onttrekt: boom ervaart geen nadeel, orchidee wel een voordeel
Neutralisme: (00): afwezigheid van competitie, voordeel nog nadeel voor de 2 soorten die
interageren → is het dan wel een interactie?
Contramensalisme (+-): voordeel voor 1 organismen maar nadeel voor het andere: bv
parasitisme , predatie, begrazing (in sommige boeken wordt gewoon ‘predatie’ gebruikt)
Amensalisme (0-) : interactie waarbij nadeel is voor 1 soort, voordeel noch nadeel voor de
andere soort: vb koe vertrappelt een slak
Concurrentie (--): beide soorten ondervinden nadeel.