Op een bepaald tijdstip in de ontwikkeling van een bedektzadige plant gaat een vegetatieve
meristematische eindtop over in de reproductiefase en groeit uit tot een bloem of een bloeiwijze. De
bloem is de meest opvallende structuur van bedektzadigen of angiospermen, die daarom ook wel
bloemplanten genoemd worden, en heeft een belangrijke functie bij de geslachtelijke voortplanting.
5.1. biologische rol van geslachtelijke voortplanting
Leven = het vermogen om zich voort te planten
Ongeslachtelijke voortplanting (vegetatieve vermenigvuldiging) leidt tot het ontstaan van een aantal
individuen die genetisch identiek zijn. Planten doen dit bijvoorbeeld wanneer ze zich voortplanten
door middel van uitlopers. Dat zijn ondergronds groeiende wortelstokken, waarop zijtakken ontstaan,
met bijwortels, die tot nieuwe individuen kunnen uitgroeien. Dit is gunstig in een heel stabiele
omgeving, die niet wijzigt
Geslachtelijke voortplanting: alle nakomelingen zijn genetisch verschillend, deze variatie komt tot
stand doordat:
- De genetische informatie van twee individuen wordt bijeengebracht
- Het genetisch materiaal tijdens de meiose willekeurig wordt gerecombineerd, zodat de
gameten of sporen de vaderlijke en moederlijke chromosomen in wisselende verhouding
zullen bezitten.
- Nieuwe chromosomencombinaties ontstaan door crossing-over
Zo komen er individuen tot stand die voor bepaalde kenmerkcombinaties de ouders overtreffen,
andere zijn gelijkwaardig en nog andere minderwaardig
Deze variatie bij de afstammelingen is van groot belang voor het overleven van de soort → in
wisselende omstandigheden van het milieu biedt de geslachtelijke voortplanting een permanente
mogelijkheid tot aanpassing → praktisch alle hogere organismen bezitten geslachtelijke voortplanting
door het selectievoordeel.
Hermafrodiet = diersoorten die zowel mannelijk als vrouwelijk zijn, meestal dieren die vastgehecht
leven (steenkoralen) of weinig beweeglijk zijn (slakken, aardwormen) → voordeel: wederzijdse
bevruchting is altijd mogelijk met twee willekeurige individuen.
Bij de meeste zaadplanten levert één individu indirect zowel mannelijke als vrouwelijke gameten →
planten zijn ook als hermafrodiet te beschouwen → centraal in de tweeslachtige bloem bevindt zich
het vrouwelijke voortplantingsorgaan, de stamper (gynoecium) en daarrond zitten de mannelijke
voortplantingsorganen of meeldraden (vormen samen het androecium). De voortplantingsstructuren
worden vaak omhuld door één of twee kransen gewijzigde bladeren met een beschermende en/of
aanlokkende functie.
Zelfbevruchting is dus in principe mogelijk, maar is niet voordelig omwille van afwezigheid van
variatie → planten hebben daarom verschillende mechanismen ontwikkeld om zelfbevruchting tegen
te gaan.
, Sommige plantensoorten kunnen zich zowel geslachtelijk als ongeslachtelijk voortplanten. Door
ongeslachtelijke vermenigvuldiging (bv. het enorm aantal sporen van schimmels) kunnen deze
organismen in een bepaald milieu zich zeer snel vermenigvuldigen. Het feit dat ook geslachtelijke
voortplanting voorkomt, is een aanduiding dat deze voortplantingswijze voordeel oplevert.
5.2. De bloeiwijze
Voortplantingsorganen bij hogere planten (Angiospermen of bloemplanten) bevinden zich een
speciale structuur, de bloem
- Deze kan verspreid voorkomen over de stengel, waarbij de bloem gevormd wordt in de oksel
van bladeren.
- Vaker zullen bloemen gegroepeerd zijn in bloeiwijzen aan de top van de hoofdstengel of aan
de zijstengels. Stengeldelen waar geen gewone bladeren staan tussen de bloemen, noemt
men bloeistengels of inflorescenties.
Normaal worden bij houtige bomen de bloemen bijna altijd gevormd op nieuwe jonge takken.
Maar in sommige gevallen ontwikkelt de bloem op de houtige stam. Dat wordt cauliflorie genoemd.
Wat is daarvan het voordeel? Bij sommige bomen met cauliflorie zijn de vruchten zo groot en zwaar
dat ze bijna niet kunnen gedragen worden door dunne takken. Bij cauliflorie zullen de vruchten vaak
verspreid worden door grotere, zwaardere dieren. Bijvoorbeeld bij cacao: hoewel de bestuiving van
de bloemen door een mug of motjes gebeurt, vallen de vruchten niet van de boom wanneer ze
rijpen, maar worden ze verspreid door kleine zoogdieren en apen, die het zoete vruchtvlees eten,
maar de zaden via hun spijsverteringsstelsel te verspreiden.
Gesloten en open bloeiwijze:
- Gesloten bloeiwijzen: de hoofdas en de zijassen eindigen op een bloem (de eindmeristemen
worden helemaal omgevormd tot een bloem)
- Open bloeiwijzen: de eindmeristemen van de hoofdas en primaire zijassen ontwikkelen zich
niet meer verder, maar worden niet afgesloten door een terminale bloem
- Soms zullen de hoofdas en/of de primaire zijassen zich wel verder ontwikkelen maar enkel
vegetatieve organen vormen = prolifererende bloeiwijzen
Racemeuse en cymeuse bloeiwijzen
- Racemeuze bloeiwijzen: de hoofdas is gewoonlijk duidelijk ontwikkeld en de zijassen
herhalen de vertakking van de hoofdas. De bloemen ontluiken van onder naar boven (en van
buiten naar binnen = centripetaal)
- Cymeuze bloeiwijzen: met een korte hoofdas, meestal afgesloten met een bloem die vroeger
ontluikt dan de andere (centrifugaal)
- Gemengde bloeiwijze: de zijassen herhalen de vertakking van de hoofdas niet