1.1 De kandidaat benoemt tot welke kostencategorie (kosten van grond, kosten van grond- en
hulpstoffen, kosten van arbeid, kosten van diensten van derden, kosten van vaste activa, kosten
van belastingen, kosten van financiering) een kostenpost hoort.
Kosten van grond: vast, variabel
Kosten van grond- en hulpstoffen: variabel, direct
Kosten van arbeid: vast, variabel, direct, indirect
Kosten van diensten van derden: indirect, variabel assurantiekosten
Kosten van vaste activa: vast
Kosten van belastingen: direct, indirect
Kosten van financiering: indirect, variabel
Variabel indirect
Constant/vast direct
Direct:
Energiekosten
1.2 De kandidaat stelt voor een gegeven situatie vast welke kosten variabel en weke vast zijn
Variabel:
Grondstofkosten bij een productiebedrijf
De inkoopwaarde van de omzet van een detaillist
Verbruik van verpakkingsmateriaal
Energiekosten
Vast:
Gebouwen
Machines
1.3 De kandidaat stelt voor een gegeven situatie vast of de variabele kosten een proportioneel,
porgressief of degressief verloop hebben
, V : W = Variabel : afzet/werkelijk
Proportioneel: kosten die evenredig met de productie/omzet stijgen of dalen
Progressief: kosten die meer dan evenredig toenemen als de productie/omzet stijgt en meer dan
evenredig afnemen bij een dalende productie/omzet
Degressief: kosten die minder dan evenredig toenemen als de productie/omzet stijgt en minder
dan evenredig afnemen bij een dalende productie/omzet
Uitrekenen welke lijn: afname : €