Hoofdstuk 3: Hoe wij waarnemen
3.1 Inleiding
❖ Als we naar iets kijken of naar iets luisteren, gebruiken we onze ogen en oren
❖ Maar… we gebruiken ook onze hersenen
❖ Hersenen veranderen door wat en hoe we waarnemen = plasticiteit
➢ Bv. blinden hebben een sterkere tast- en hoorzin < ‘de blinde jongen die zichzelf
leerde zien’
❖ Andersom beïnvloeden onze hersenen ook wat en hoe we waarnemen
❖ Zintuigen leveren informatie aan onze hersenen → hersenen worden georganiseerd
➢ We nemen hetgeen waar wat belangrijk is voor ons functioneren
❖ Evolutie: de mens ontwikkelt die zintuigen die van belang zijn bij het overleven in de
omgeving
➢ Verandering van omgeving → verandering werking van zintuigen
▪ Bv. als je blind wordt, verandert de werking van tast en reuk
3.2 Verschil tussen gewaarwording en waarneming
❖ Gewaarwording of perceptie = we worden iets gewaar door prikkels uit onze
omgeving/ons lichaam → prikkels opgevangen door zintuigen en doorgestuurd naar
hersenen
➢ Waarneming van de binnenwereld: prikkels uit het lichaam
▪ Bv. pijn voelen
▪ Bv. je evenwicht kunnen houden
➢ Waarneming van de buitenwereld: prikkels uit onze omgeving
▪ Bv. een afgrond zien en terugdeinzen
▪ Bv. iets glibberigs voelen en uit de zee stappen
❖ Waarneming = interpretatie, herkenning, betekenisgeving… van de informatie in de
hersenen
➢ Om iets te kunnen waarnemen: eerst gewaarworden
▪ Bv. om een gebouw te zien, moeten onze ogen eerst geprikkeld worden door
licht
➢ We gebruiken zintuigen om iets waar te nemen (parfum ruiken → reuk, een klap
horen → gehoor…)
Samenvatting algemene didactiek 2 1
,Wat is een zintuig?
❖ Zintuigen bestaan uit receptoren = cellen die gevoelig zijn voor specifieke prikkels
➢ Bv. visuele receptoren in het oog, tastreceptoren in de vingertopjes
❖ Elk zintuig wordt door de hersenen aangestuurd
❖ 5 verschillende zintuigsystemen:
➢ Gezicht (ogen)
➢ Gehoor (oren)
➢ Tast (huid)
➢ Reuk (neus)
➢ Smaak (tong)
➢ + waarnemen van pijn, temperatuur, evenwicht…
Sociale betekenis van tast
❖ De tast: enige zintuig dat bij geboorte al volledig ontwikkeld is
❖ Baby die niet wordt aangeraakt, gestreeld → minder goed ontwikkelen
➢ Baby heeft nood aan aanrakingen, strelingen → hechting
3.3 Wat is waarnemen?
❖ Eerste instantie: we zien enkel zwarte vlekken op een witte achtergrond
❖ Langer kijken: witte hond met zwarte vlekken
➢ We interpreteren de vlekken = betekenisvolle waarneming
➢ Betekenisvolle waarneming: we verbinden een woord met iets dat we zien
❖ Blijven kijken naar prent: we zien enkel nog hond, onmogelijk om iets anders te zien
➢ ! opgelet: opgegroeid in omgeving waarbij je nooit van hond hoorde → je ziet geen
hond
➢ Dus: culturele achtergrond vh individu speelt grote rol
❖ Relatie tussen het geleerde en de waarneming: als we iets waarnemen → we leren →
het geleerde beïnvloedt onze waarneming
➢ Bv. een geschoold muzikant zal bij een liedje beter de goede en minder goede
delen kunnen onderscheiden dan iemand die weinig weet van muziek.
Samenvatting algemene didactiek 2 2
, 3.3.1 De spiegeltheorie
= wat we waarnemen is een afspiegeling (correcte weergave) van de werkelijkheid
❖ De waarnemer is passief = hij registreert
❖ Wat je waarneemt is waar → dus objectief
❖ Impliceert dat iedereen hetzelfde ziet
❖ Onjuistheid van deze theorie:
➢ Wat we waarnemen, is geen exacte afspiegeling van de werkelijkheid (bv. bij
dronkenschap)
➢ Onze behoeften en motieven vervormen wat we zien
3.3.2 De sleuteltheorie
= de interpretatie van de buitenwereld door de waarnemer staat centraal (><
spiegeltheorie)
❖ Dus: niet alleen het waargenome (de werkelijkheid) bepaalt wat we waarnemen,
maar ook de kenmerken van de waarnemer spelen een rol
➢ De waarnemer is actief = hij interpreteert
➢ Waarneming = subjectief
❖ Bv. je ziet een ouder en jonger persoon samen staan → je interpreteert: ofwel vader
met dochter, ofwel lkr met lln, ofwel een koppel
3.4 Welke processen spelen een rol bij onze waarneming?
❖ Selectiviteit = ons vermogen om binnenkomende prikkels te ordenen en al
naargelang het belang, er aandacht aan te besteden of juist te negeren
❖ Adaptatie = manier om te selecteren ts alle prikkels die onze zintuigen bereiken
➢ Zintuigen passen zich aan aan prikkels die stabiel blijven
➢ Die nemen we na enige tijd niet meer waar (= ze trekken onze aandacht niet)
❖ Relativiteit = wij kunnen geen ‘objectieve’ aspecten vd werkelijkheid waarnemen,
maar altijd vergelijkingen tussen objecten/situaties
➢ Bv: de buitentemperatuur is warmer, kouder of hetzelfde als gisteren → we
nemen geen graden Celsius waar
Samenvatting algemene didactiek 2 3
, Hoofdstuk 4: Hoe wij leren door directe ervaring en door nadoen
4.1 Inleiding
Associatief leren
❖ = het leggen van en onthouden van relaties tussen 2 gebeurtenissen
➢ Bv. het verband tussen het eten van een bepaald voedsel en de misselijkheid op
een later tijdstip
❖ Vormen:
➢ Klassiek conditioneren
➢ Operant conditioneren
▪ Klassiek en operant conditioneren → gedragstheorie
➢ Sociaal leren
▪ Mensen en dieren
Mensen: intelligentere vormen van leren:
❖ Observeren
❖ Van elkaar leren
❖ Experimenteren
❖ Leren a.d.h.v. een theorie → bv. a.d.h.v. een handboek
❖ Reflecteren → leren door over jezelf na te denken
4.1.1 Instinct (of soortspecifiek gedrag)
❖ = een aangeboren patroon van handelingen dat specifiek is voor een bepaalde
diersoort
➢ Vinden niet zomaar plaats, maar verschijnen onder specifieke omstandigheden
➢ Worden opgewerkt door een prikkel van buitenaf
❖ Leren of ervaring speelt geen rol → universele gedragingen
❖ Doel: overlevingskansen vergroten
➢ Bv. een egel rolt zich op als hij wordt aangevallen
❖ Ook mensen hebben instincten
➢ Bv. moederinstinct → moeder beschermt en ontfermt zich over baby → baby
dichtbij moeder leggen, naar baby kijken…
Samenvatting algemene didactiek 2 4