1. Soorten zinnen
o Mededelende zin
• Nadia heeft de diamanten gevonden.
• Je moet gewoon heel veel oefenen.
o Vragende zin
• Had je me niet gezien?
• Waar heb je die schoenen gekocht?
o Bevelende zin
• Geef dat onmiddellijk terug!
• Toets uw pincode in.
o Uitroepende zin
• Wat een ellende!
• Proficiat!
2. Actief en passief
Actief
o Het onderwerp verricht de handeling
• Ollie deed zijn bergschoenen aan en ging op weg om een paard te zoeken.
• De Schorpioensekte heeft 5 meisjes ontvoerd.
Passief
o Het onderwerp ondergaat de handeling
o LV in actieve zin → ond in passieve zin
o (soms) HV
o Huww: worden of zijn
• 5 meisjes werden ontvoerd.
• De meisjes zijn ontvoerd.
Samenvatting Nederlands: zins- en woordleer 1
, 3. Enkelvoudige en samengestelde zinnen
Enkelvoudige zin: 1 PV
o De eerste sneeuwvlokken dwarrelen neer.
Samengestelde zin: meer dan 1 PV
o Hoe vinden: zet zin in verleden tijd → tijden die veranderen → PV’s
o De eerste sneeuwvlokken dwarrelen neer en bedekken alles met een dik tapijt
sneeuw.
4. Nevenschikking en onderschikking
→ Enkel bij samengestelde zinnen
Nevenschikking
o 2x (of meer) hoofdzin
o Verbonden door…
• Nevenschikkend voegwoord (en, of, maar, want…)
• Voegwoordelijk bijwoord (bovendien, dus, toch…)
• Leesteken (, ; :)
o Lizy sloot even haar ogen en wierp zich in de leegte; haar gewaad fladderde in de
lucht en van bovenaf was ze net een vleermuis.
Onderschikking
o Hoofdzin + bijzin
o Verbonden door…
• Betrekkelijk vnw (die, dat…)
• Voornamelijk bw (waarmee, waaraan…)
• Leestekens
o Alexander was blij dat hij zijn boterhammen en cola had meegenomen.
Samenvatting Nederlands: zins- en woordleer 2