Week 1 – Inleiding economie
Markten hebben alles te maken met kennis en verwachtingen. De waarde van aandelen wordt
bepaald door de verwachting over de waarde van het aandeel. Handelen wordt gestuurd door
informatie. De verwachting wordt bepaald door openbare kennis over het bedrijf, maar ook over
geen openbare kennis. De strafbare grens is handelen met voorwetenschap.
Economie, jaarrekeningrecht en rechten
De jaarrekening kan zowel een hulpmiddel in een aansprakelijkheidsprocedure zijn, bv. om
iemand persoonlijk aansprakelijk te stellen als bestuurder bij faillissement
Als een mikpunt in de aansprakelijkheidsprocedure
Verslaggeving zoals bv. de jaarrekening speelt ook een bredere rol, bijvoorbeeld bij Europese richtlijn
CSRD t.a.v. duurzaamheidsrapportages of diversiteitsrapportages. Hier kunnen claims uit
voortvloeien, omdat het niet juist is gerapporteerd, of niet is gerapporteerd, of waaruit voortvloeit
dat niet voldaan wordt aan duurzaamheidscriteria. Het kan dan ook invloed hebben op bv.
overnames, omdat je dan een bedrijf niet meer wil overnemen omdat het bedrijf enorm veel moet
verduurzamen.
Met betrekking tot het bestuursrecht is de jaarrekening ook relevant, bijvoorbeeld in het kader van
toezicht op de economie door de AFM, de DNB en de ECB. De toezichtsmaatregelen zijn
bestuursrechtelijk vormgegeven in Nederland. Je kunt accountants ook via het tuchtrecht
aangesproken worden, dit doet vaak de AFM maar dat hoeft niet.
Ook in het strafrecht heb je te maken met de jaarrekening, bijvoorbeeld in de pluk-ze wetgeving (36e
Sr), waarbij wederrechtelijk verkregen voordeel wordt teruggevorderd. Ook worden boetes soms
gebaseerd op de omzet die volgt uit de jaarrekening. Daarnaast is het te laat deponeren van de
jaarrekening een economisch delict via de WED.
Ook voor het financieel recht is de jaarrekening relevant, omdat bij een beursgang de prospectus
wordt opgesteld op basis van de cijfers uit de jaarrekening.
,Ook voor het arbeidsrecht is de jaarrekening relevant, omdat daaruit de topinkomens van de
bestuurders blijken
Week 2 en 3 – Economische beginselen
Menselijk gedrag is de grote gemene deler van recht en economie. Oikos (huishouding) en nomos
(regel/kunde). De wetenschap van de huishouding.
Hoofdlijnen economie
1. Studie naar (keuze)gedrag van mensen tussen middelen bij schaarste:
o keuzes tussen kapitaal, arbeid, grond/natuur, ondernemerschap
o Doel = optimale inzet van beperkte middelen
o Van origine een descriptieve wetenschap (hoe gedragen mensen zich onder
schaarste), inmiddels normatieve trekken (hoe moeten mensen zich onder schaarste
gedragen).
Normatief geworden omdat experimentele setting beperkingen kent
Normatief geworden omdat je voor modellen/theorieën assumpties gebruikt.
De werkelijkheid geven wij steeds meer weer middels abstracties.
2. Verschillende perspectieven:
o Algemene economie: studie naar economische realiteit (descriptieve wetenschap),
hoe gedragen mensen zich op verschillende niveaus
o Bedrijfseconomie: studie van keuzeproblemen van ondernemingen (toepassing)
3. Verschillende niveaus of schalen:
o Micro: wijze waarop individuele ‘huishoudens’ keuzes maken bij schaarste, gedrag
van mensen analyseren
o Macro: economie als organisch geheel en factoren die daarop van invloed zijn
Aggregaat van alle keuzes van huishoudens op microniveau: somvariabelen,
economische grootheden.
o Meso: studie naar in categorieën verenigde ‘huishoudens’ (sectoren, bedrijfstakken)
Hoofdlijnen macro-economie vanuit neoklassieke inhoud
1. Adam Smith:
o Er is een onzichtbare hand op de perfecte markt, de markt heeft een corrigerende
werking in de zin dat vraag en aanbod op elkaar reageren en elkaar in balans
brengen. Op het moment dat er aan de prijs wordt gedraaid, dan reageren vraag en
aanbod ook op elkaar. Dit worden wel prijsmechanismen genoemd.
o Hier zijn een aantal assumpties op van toepassing: de markt is volmaakt competitief,
er is vrije toe- en uittreding, er is volledige informatiesymmetrie, het gaat om
homogene standaardproducten en iedereen is
een rationeel mens.
o Bij de prijs die hoort bij het marktevenwicht is er
sprake van een consumentensurplus en een
producentensurplus. Er zijn consumenten die
het product voor meer hadden willen kopen, en
er zijn producenten die het voor minder hadden
willen verkopen. Het totaal = welvaart
2. Marktfalen wordt onder andere veroorzaakt door:
o Geen competitieve markt (prijsafspraken,
kartelvorming, patenten) of sprake van een
beperkt aanbod (mono- of oligopolie)
, o Externe factoren (positief, freeriders, of negatief, tragedy of the commons), bv.
milieuschade
3. Oplossing overheidsingrijpen (bv. door regulering)
o Quota’s (vorm van subsidie), minimum- of maximumprijzen, importheffingen,
eigendomsrechten reguleren.
o Importheffingen van Trump zorgen ervoor dat de evenwichtsprijs uit evenwicht
wordt gebracht, door de prijs met 25% te verhogen. De aanbodlijn verschuift dan
omhoog, dus nieuwe kruising met bestaande vraagcurve. Beide surplus worden
daardoor kleiner (een driehoekje kleiner) = welvaartsverlies
Hoofdlijnen micro-economie vanuit neoklassieke invalshoek
Eenvoudig economisch model van individueel gedrag:
1. Mensen moeten keuzes maken en doen dat op basis van wat hen (zelf) gelukkig maakt
Utilitarisme: nutsfunctie – nut geldt als containerbegrip.
Een van die nutfuncties is het belang van afnemende (/afvlakkende)
meeropbrengsten, het nut van eentje meer neemt steeds iets minder toe
2. Beoordelen welke beperkingen (kosten) aan verschillende keuzes kleven
Schaarse middelen, dus je moet een keuze maken.
Kosten worden vaak uitgedrukt in de alternatieve kosten = waarde van het meest
aantrekkelijke alternatief dat is opgeofferd
3. Kiezen voor optie die uiteindelijk meeste nut oplevert
Maximum = nut > kosten
Optimum: marginaal nut (extra product) = marginale kosten (kosten extra product)
Enkele neoklassieke (micro-)economische beginselen
Er zitten enkele assumpties aan het economische model van hierboven.
1. Streven naar nutsmaximalisatie: utilitarisme, géén egoïsme
2. Rationeel: gebaseerd op een bepaalde logica, ≠ verstandig
Gezonken kosten: wat in het verleden is gebeurd, moet Homo economicus,
geen invloed hebben op je keuze in de toekomst. ook wel: econ
3. Volledig geïnformeerd: informatie-asymmetrie wordt weggedacht
4. Verdisconteren van onzekerheid en tijd
5. Stabiel en consistent in keuzes: o.b.v. nut en ongeacht tijd/plaats
Lemon’s theory: toepassing volledige informatie
Het gaat over de situatie dat er sprake is van informatie-asymmetrie tussen de koper en de verkoper
van de tweedehandsauto. George Akerlof maakt onderscheid tussen peren (goede auto’s) en
citroenen (slechte auto’s). De koper kan het onderscheid niet maken, de verkoper kan dit wel.
Op die peren en citroenen kun je een prijs plakken. De peren (de beste auto’s) worden bestempeld
als Pmax en de citroenen (de slechtste auto’s) als Pmin. Tussen deze twee uiteindes zitten auto’s die
ergens tussen de beste en de slechtste in zitten, waarop de prijs dienovereenkomstig is afgestemd.
Als koper heb je de kans dat je ofwel een peer, ofwel een citroen koopt. De kans voor de koper om
een peer (goede auto) te kopen, is voor hem niet goed in te schatten. De kans dat de koper een
goede auto koopt = q. Dat betekent dat de kans op het kopen van een slechte auto = 1-q. Als de koper
niet weet hoeveel auto’s in de showroom peren/citroenen zijn, dan denken economen dat de kans als
volgt is:
Kans op een peer: P(q) =
50%
Kans op een citroen P(1-q) =
50%
, Wat is dan de gemiddelde prijs die de koper bereid is om te betalen, uitgaande van deze
kansverdeling?
Als P(q) = 50% en P(1-q) = 50%, dan is het logisch dat de koper bereid is om de prijs die precies tussen
Pmax en Pmin ligt te betalen; dat noemen we p* (=de evenwichtsprijs). Stel Pmax is €30.000,- en
Pmin is €0,- dan is de evenwichtsprijs dus €15.000,-.
Uitgaande van deze informatie, zal een verkoper die wéét dat de koper slechts bereid is om de
evenwichtsprijs te betalen, ook niet meer bereid zijn om auto’s aan te bieden, waarvan de
waarde/verkoopprijs boven p* ligt. Dat betekent dus dat de Pmax / peren niet meer worden
verkocht.
Dat betekent dat de Pmax zal verschuiven richting
Pmin. Er worden dan dus nieuwe citroenen en peren
ontwikkeld, waardoor de p* lager komt te liggen (bv.
€7.500,-). Dan gebeurt weer hetzelfde.
Dat betekent uiteindelijk dat alle goede producten
uit de markt gedreven worden vanwege de informatie-asymmetrie. Uiteindelijk wordt (P1-q) = 100%.
Dit noemt men adverse selectie = goede producten worden uit de markt gedrukt, omdat de koper de
producten niet goed kan waarderen.
Voorbeeld aanvullende verzekeringen
Een ander voorbeeld van adverse selectie doet zich voor bij de aanvullende verzekeringen:
over het algemeen zijn wij meer risico-avers dan noodzakelijk, en willen wij ons verzekeren
voor enige nadelige gebeurtenissen in de toekomst. De marge daartussen is vaak de
winstmarge van de verzekeringsmaatschappij.
Bij de verzekeringen ziet de Lemons theory er omgekeerd uit. Voor degenen die roekeloos
gedrag vertoont (citroenen) wil de verzekeringsmaatschappij de premie zo hoog mogelijk
maken (Pmax). Voor de mensen die risico-avers zijn kan de premie ook heel laag zijn (Pmin).
Verzekeraars weten niet hoe roekeloos/risicoavers iemand is (informatie-asymmetrie) en zal
uitgaan van P(q) = 50% en P(1-q) = 50%. De premie heeft dan een evenwichtsprijs van (p*).
Dat heeft tot gevolg dat de mensen die meer risico-avers zijn die eigenlijk een premie van
Pmin zouden kunnen hebben, niet meer bereid zijn om een premie van p* te betalen (en
neemt dus géén aanvullende verzekering). Dat betekent dat de mensen die risico-avers zijn
de markt uitgeduwd worden, en de premie moet worden opgedreven (adverse selectie).
Om te verzekeren dat adverse selectie niet optreedt bij de basisverzekering (en de premie
onbetaalbaar wordt) is in Nederland de basisverzekering wettelijk verplicht gesteld. Dit
marktingrijpen tegen het marktfalen heeft echter weer andere neveneffecten, namelijk moral hazard
gedrag
Men gaat zich risicovoller gedragen, omdat hij weet dat hij tóch verzekerd is
Hoe voorkom je Moral Hazard-gedrag? eigen risico
Principaal-agent theorie: toepassing nutmaximalisatie en volledige informatie
Agenten moeten handelen in het belang van de principalen.
Bv. bestuur kapitaalvennootschap (agent) – aandeelhouders (principaal)
Bv. volmachtnemer (agent) – volmachtgever (principaal)
De principaal en de agent streven allebei naar eigen nutsmaximalisatie, onder asymmetrische
informatie. Zo kan de principaal niet altijd meekijken met de agent en andersom. Daarin is een risico
op marktfalen gelegen, wanneer de nutsfuncties van de principaal en de agent van elkaar afwijken.
Over het algemeen zal de nutsfunctie van de principaal niet geheel overeenkomen met de agent.
Markten hebben alles te maken met kennis en verwachtingen. De waarde van aandelen wordt
bepaald door de verwachting over de waarde van het aandeel. Handelen wordt gestuurd door
informatie. De verwachting wordt bepaald door openbare kennis over het bedrijf, maar ook over
geen openbare kennis. De strafbare grens is handelen met voorwetenschap.
Economie, jaarrekeningrecht en rechten
De jaarrekening kan zowel een hulpmiddel in een aansprakelijkheidsprocedure zijn, bv. om
iemand persoonlijk aansprakelijk te stellen als bestuurder bij faillissement
Als een mikpunt in de aansprakelijkheidsprocedure
Verslaggeving zoals bv. de jaarrekening speelt ook een bredere rol, bijvoorbeeld bij Europese richtlijn
CSRD t.a.v. duurzaamheidsrapportages of diversiteitsrapportages. Hier kunnen claims uit
voortvloeien, omdat het niet juist is gerapporteerd, of niet is gerapporteerd, of waaruit voortvloeit
dat niet voldaan wordt aan duurzaamheidscriteria. Het kan dan ook invloed hebben op bv.
overnames, omdat je dan een bedrijf niet meer wil overnemen omdat het bedrijf enorm veel moet
verduurzamen.
Met betrekking tot het bestuursrecht is de jaarrekening ook relevant, bijvoorbeeld in het kader van
toezicht op de economie door de AFM, de DNB en de ECB. De toezichtsmaatregelen zijn
bestuursrechtelijk vormgegeven in Nederland. Je kunt accountants ook via het tuchtrecht
aangesproken worden, dit doet vaak de AFM maar dat hoeft niet.
Ook in het strafrecht heb je te maken met de jaarrekening, bijvoorbeeld in de pluk-ze wetgeving (36e
Sr), waarbij wederrechtelijk verkregen voordeel wordt teruggevorderd. Ook worden boetes soms
gebaseerd op de omzet die volgt uit de jaarrekening. Daarnaast is het te laat deponeren van de
jaarrekening een economisch delict via de WED.
Ook voor het financieel recht is de jaarrekening relevant, omdat bij een beursgang de prospectus
wordt opgesteld op basis van de cijfers uit de jaarrekening.
,Ook voor het arbeidsrecht is de jaarrekening relevant, omdat daaruit de topinkomens van de
bestuurders blijken
Week 2 en 3 – Economische beginselen
Menselijk gedrag is de grote gemene deler van recht en economie. Oikos (huishouding) en nomos
(regel/kunde). De wetenschap van de huishouding.
Hoofdlijnen economie
1. Studie naar (keuze)gedrag van mensen tussen middelen bij schaarste:
o keuzes tussen kapitaal, arbeid, grond/natuur, ondernemerschap
o Doel = optimale inzet van beperkte middelen
o Van origine een descriptieve wetenschap (hoe gedragen mensen zich onder
schaarste), inmiddels normatieve trekken (hoe moeten mensen zich onder schaarste
gedragen).
Normatief geworden omdat experimentele setting beperkingen kent
Normatief geworden omdat je voor modellen/theorieën assumpties gebruikt.
De werkelijkheid geven wij steeds meer weer middels abstracties.
2. Verschillende perspectieven:
o Algemene economie: studie naar economische realiteit (descriptieve wetenschap),
hoe gedragen mensen zich op verschillende niveaus
o Bedrijfseconomie: studie van keuzeproblemen van ondernemingen (toepassing)
3. Verschillende niveaus of schalen:
o Micro: wijze waarop individuele ‘huishoudens’ keuzes maken bij schaarste, gedrag
van mensen analyseren
o Macro: economie als organisch geheel en factoren die daarop van invloed zijn
Aggregaat van alle keuzes van huishoudens op microniveau: somvariabelen,
economische grootheden.
o Meso: studie naar in categorieën verenigde ‘huishoudens’ (sectoren, bedrijfstakken)
Hoofdlijnen macro-economie vanuit neoklassieke inhoud
1. Adam Smith:
o Er is een onzichtbare hand op de perfecte markt, de markt heeft een corrigerende
werking in de zin dat vraag en aanbod op elkaar reageren en elkaar in balans
brengen. Op het moment dat er aan de prijs wordt gedraaid, dan reageren vraag en
aanbod ook op elkaar. Dit worden wel prijsmechanismen genoemd.
o Hier zijn een aantal assumpties op van toepassing: de markt is volmaakt competitief,
er is vrije toe- en uittreding, er is volledige informatiesymmetrie, het gaat om
homogene standaardproducten en iedereen is
een rationeel mens.
o Bij de prijs die hoort bij het marktevenwicht is er
sprake van een consumentensurplus en een
producentensurplus. Er zijn consumenten die
het product voor meer hadden willen kopen, en
er zijn producenten die het voor minder hadden
willen verkopen. Het totaal = welvaart
2. Marktfalen wordt onder andere veroorzaakt door:
o Geen competitieve markt (prijsafspraken,
kartelvorming, patenten) of sprake van een
beperkt aanbod (mono- of oligopolie)
, o Externe factoren (positief, freeriders, of negatief, tragedy of the commons), bv.
milieuschade
3. Oplossing overheidsingrijpen (bv. door regulering)
o Quota’s (vorm van subsidie), minimum- of maximumprijzen, importheffingen,
eigendomsrechten reguleren.
o Importheffingen van Trump zorgen ervoor dat de evenwichtsprijs uit evenwicht
wordt gebracht, door de prijs met 25% te verhogen. De aanbodlijn verschuift dan
omhoog, dus nieuwe kruising met bestaande vraagcurve. Beide surplus worden
daardoor kleiner (een driehoekje kleiner) = welvaartsverlies
Hoofdlijnen micro-economie vanuit neoklassieke invalshoek
Eenvoudig economisch model van individueel gedrag:
1. Mensen moeten keuzes maken en doen dat op basis van wat hen (zelf) gelukkig maakt
Utilitarisme: nutsfunctie – nut geldt als containerbegrip.
Een van die nutfuncties is het belang van afnemende (/afvlakkende)
meeropbrengsten, het nut van eentje meer neemt steeds iets minder toe
2. Beoordelen welke beperkingen (kosten) aan verschillende keuzes kleven
Schaarse middelen, dus je moet een keuze maken.
Kosten worden vaak uitgedrukt in de alternatieve kosten = waarde van het meest
aantrekkelijke alternatief dat is opgeofferd
3. Kiezen voor optie die uiteindelijk meeste nut oplevert
Maximum = nut > kosten
Optimum: marginaal nut (extra product) = marginale kosten (kosten extra product)
Enkele neoklassieke (micro-)economische beginselen
Er zitten enkele assumpties aan het economische model van hierboven.
1. Streven naar nutsmaximalisatie: utilitarisme, géén egoïsme
2. Rationeel: gebaseerd op een bepaalde logica, ≠ verstandig
Gezonken kosten: wat in het verleden is gebeurd, moet Homo economicus,
geen invloed hebben op je keuze in de toekomst. ook wel: econ
3. Volledig geïnformeerd: informatie-asymmetrie wordt weggedacht
4. Verdisconteren van onzekerheid en tijd
5. Stabiel en consistent in keuzes: o.b.v. nut en ongeacht tijd/plaats
Lemon’s theory: toepassing volledige informatie
Het gaat over de situatie dat er sprake is van informatie-asymmetrie tussen de koper en de verkoper
van de tweedehandsauto. George Akerlof maakt onderscheid tussen peren (goede auto’s) en
citroenen (slechte auto’s). De koper kan het onderscheid niet maken, de verkoper kan dit wel.
Op die peren en citroenen kun je een prijs plakken. De peren (de beste auto’s) worden bestempeld
als Pmax en de citroenen (de slechtste auto’s) als Pmin. Tussen deze twee uiteindes zitten auto’s die
ergens tussen de beste en de slechtste in zitten, waarop de prijs dienovereenkomstig is afgestemd.
Als koper heb je de kans dat je ofwel een peer, ofwel een citroen koopt. De kans voor de koper om
een peer (goede auto) te kopen, is voor hem niet goed in te schatten. De kans dat de koper een
goede auto koopt = q. Dat betekent dat de kans op het kopen van een slechte auto = 1-q. Als de koper
niet weet hoeveel auto’s in de showroom peren/citroenen zijn, dan denken economen dat de kans als
volgt is:
Kans op een peer: P(q) =
50%
Kans op een citroen P(1-q) =
50%
, Wat is dan de gemiddelde prijs die de koper bereid is om te betalen, uitgaande van deze
kansverdeling?
Als P(q) = 50% en P(1-q) = 50%, dan is het logisch dat de koper bereid is om de prijs die precies tussen
Pmax en Pmin ligt te betalen; dat noemen we p* (=de evenwichtsprijs). Stel Pmax is €30.000,- en
Pmin is €0,- dan is de evenwichtsprijs dus €15.000,-.
Uitgaande van deze informatie, zal een verkoper die wéét dat de koper slechts bereid is om de
evenwichtsprijs te betalen, ook niet meer bereid zijn om auto’s aan te bieden, waarvan de
waarde/verkoopprijs boven p* ligt. Dat betekent dus dat de Pmax / peren niet meer worden
verkocht.
Dat betekent dat de Pmax zal verschuiven richting
Pmin. Er worden dan dus nieuwe citroenen en peren
ontwikkeld, waardoor de p* lager komt te liggen (bv.
€7.500,-). Dan gebeurt weer hetzelfde.
Dat betekent uiteindelijk dat alle goede producten
uit de markt gedreven worden vanwege de informatie-asymmetrie. Uiteindelijk wordt (P1-q) = 100%.
Dit noemt men adverse selectie = goede producten worden uit de markt gedrukt, omdat de koper de
producten niet goed kan waarderen.
Voorbeeld aanvullende verzekeringen
Een ander voorbeeld van adverse selectie doet zich voor bij de aanvullende verzekeringen:
over het algemeen zijn wij meer risico-avers dan noodzakelijk, en willen wij ons verzekeren
voor enige nadelige gebeurtenissen in de toekomst. De marge daartussen is vaak de
winstmarge van de verzekeringsmaatschappij.
Bij de verzekeringen ziet de Lemons theory er omgekeerd uit. Voor degenen die roekeloos
gedrag vertoont (citroenen) wil de verzekeringsmaatschappij de premie zo hoog mogelijk
maken (Pmax). Voor de mensen die risico-avers zijn kan de premie ook heel laag zijn (Pmin).
Verzekeraars weten niet hoe roekeloos/risicoavers iemand is (informatie-asymmetrie) en zal
uitgaan van P(q) = 50% en P(1-q) = 50%. De premie heeft dan een evenwichtsprijs van (p*).
Dat heeft tot gevolg dat de mensen die meer risico-avers zijn die eigenlijk een premie van
Pmin zouden kunnen hebben, niet meer bereid zijn om een premie van p* te betalen (en
neemt dus géén aanvullende verzekering). Dat betekent dat de mensen die risico-avers zijn
de markt uitgeduwd worden, en de premie moet worden opgedreven (adverse selectie).
Om te verzekeren dat adverse selectie niet optreedt bij de basisverzekering (en de premie
onbetaalbaar wordt) is in Nederland de basisverzekering wettelijk verplicht gesteld. Dit
marktingrijpen tegen het marktfalen heeft echter weer andere neveneffecten, namelijk moral hazard
gedrag
Men gaat zich risicovoller gedragen, omdat hij weet dat hij tóch verzekerd is
Hoe voorkom je Moral Hazard-gedrag? eigen risico
Principaal-agent theorie: toepassing nutmaximalisatie en volledige informatie
Agenten moeten handelen in het belang van de principalen.
Bv. bestuur kapitaalvennootschap (agent) – aandeelhouders (principaal)
Bv. volmachtnemer (agent) – volmachtgever (principaal)
De principaal en de agent streven allebei naar eigen nutsmaximalisatie, onder asymmetrische
informatie. Zo kan de principaal niet altijd meekijken met de agent en andersom. Daarin is een risico
op marktfalen gelegen, wanneer de nutsfuncties van de principaal en de agent van elkaar afwijken.
Over het algemeen zal de nutsfunctie van de principaal niet geheel overeenkomen met de agent.