Vragen over de objectiviteit van gegevens:
1. Doel van het geschrevene?
2. Hoe zijn woorden en afbeeldingen gekozen?
3. Journalistieke principes: hoor en wederhoor, scheiding van feiten en
commentaar, streven naar objectiviteit, juiste weergave van feiten, citaten
en het checken van bronnen.
Methodes bij sociale wetenschappen
1. Interview: persoonlijk, genuanceerd, kwalitatief
2. Enquête: Algemeen, Gestructureerd, Kwantitatief
3. Observatie: Onpersoonlijk, waarnemend, Gestructureerd, Interpretatief,
diepgaand
4. Experiment: Hypothesetoetsing in Laboratoriumsituatie met proefpersonen
Zes typen onderzoek: beschrijvend onderzoek, empirisch onderzoek, kwalitatief
onderzoek, kwantitatief onderzoek, theoretisch onderzoek en verklarend
onderzoek
Hoofdvraag: in hoeverre... in welke mate... hoe... (moet meetbaar en
eenduidig zijn)
Hypothese: als de mate van x (onafhankelijke variabele) dan ... de mate van y
(afhankelijke variabele)
Informatie moet getoetst worden aan de volgende eisen:
Betrouwbaarheid:
Van een onderzoek: overeenkomst tussen meerdere metingen? Een groter
aantal gegevens de invloed -> verkleint de kans op willekeurige
meetfouten.
Van een bron: gedegenheid (hoe degelijk is het), kwaliteitscontrole en
controleerbaarheid en bevestiging (ook ergens anders te vinden?)
Interne validiteit: is de onderzoeksmethode geschikt geweest, is er sprake
geweest van andere invloeden etc.
Representativiteit: als iets de beoogde populatie daadwerkelijk bespiegelt
(en niet alleen een deel ervan)
Externe validiteit: is het generaliseerbaar -> toe te passen op
andere/grotere groep mensen en op een andere plaats of tijdstip?
Variabelen
Onafhankelijke variabele: de oorzaak van de afhankelijke variabele
Afhankelijke variabele: noodzakelijk gevolg van de onafhankelijke variabele
Bijvoorbeeld: de kou (onafhankelijke variabele) die leidt tot de bevriezing van
water (afhankelijke variabele)
Interveniërende variabele: een variabele die het verband tussen twee variabelen
beïnvloedt/verklaart.
Bijvoorbeeld: etniciteit heeft invloed op de kans dat je een bepaald diploma
haalt. Maar: betekent niet dat mensen van bepaalde etniciteit dommer zijn, maar
,er zijn interveniërende variabelen zoals racisme en discriminatie.
Variabelen zijn vaak niet waarneembaar. Door variabelen te operationaliseren
wordt het wel waarneembaar, zichtbaar en meetbaar. Aan de hand van
indicatoren kan je zien in hoeverre er sprake is van de te onderzoeken
variabele.
Causaliteit: de onafhankelijke variabele is een oorzaak voor de afhankelijke
variabele. Causaliteit heeft drie eisen:
Uit onderzoek blijkt dat de onafhankelijke en afhankelijke variabele
correleren (correlatie)
De onafhankelijke variabele gaat in tijd vooraf aan de afhankelijke
variabele
Het is gecontroleerd op verstorende variabelen
Correlatie: Als er sprake is van samenhang tussen variabelen. Dus niet
noodzakelijk sprake van causaliteit.
Stappenplan onderzoek:
Fase 1: vraagstelling en opzet hypothese (als…dan-structuur)
Fase 2 – Onderzoeksmethode kiezen
Fase 3 – Informatie verzamelen
Fase 4 – Analyseren en concluderen (terugkoppelen naar hypothese, variabelen
en verbanden)
Absolute cijfers: Eén concreet getal
Relatieve cijfers: Een percentage in verhouding
Modus: De waarneming/het getal dat het meest voorkomt
Mediaan: Middelste getal in een rij
Domein A2: Paradigma’s (wetenschappelijke referentiekaders)
Dimensie 1: Actor <---> Structuur
Wie of wat bepaalt hoe mensen zich gedragen? Zijn dat actoren (zichtbare
mensen, overheden en instellingen) of structuren (verzorgingsstaten of
taalsystemen)
Dimensie 2: Consensus <---> Conflict
Is de samenleving gericht op evenwicht en vormen conflicten een uitzondering?
Consensus: de samenleving gebaat is bij en zich ontwikkelt richting stabiliteit en
continuïteit. Conflicten zijn uitzonderlijk en bewijzen ook dat men inderdaad
gebaat is bij deze stabiliteit.
Conflict: er blijven altijd tegenstrijdige belangen en waarden. De samenleving
gaat om constante strijd, conflict en overheersing.
Functionalisme-paradigma:
Samenleving als organisme, elk onderdeel ervan (mensen en instituties)
heeft erin een belangrijke functie -> dragen bij aan maatschappelijke orde
, Orde/evenwicht/sociale cohesie is belangrijk voor het functioneren van
de samenleving.
Conflict/verandering-> zoek naar nieuw evenwicht met behulp van
sociale stabilisatoren: gemeenschappelijke normen en waarden en
instituties.
Omdat iedereen noodzakelijk een andere functie heeft met een
andere waardering, is sociale ongelijkheid onvermijdelijk.
(Politieke) socialisatie: door socialisatie past het individu zich aan
volgens de dominante regels, waardoor de cultuur voort blijft bestaan.
Identiteit = product van proces van overdracht
Macht en gezag: positief en functioneel, instituties die goed op elkaar
zijn afgestemd zorgen voor hetzelfde waardensysteem onder verschillende
mensen
Conflict: niet goed, schaden continuïteit en samenwerking. Ontstaan bij
niet goed functioneren van relaties en moet worden vermeden.
Binding: bindingen zijn belangrijk voor het voortbestaan van systemen
Rationalisering: -> functiedifferentiatie/arbeidsindeling -> efficiëntie ->
kapitalisme -> materiële welvaart = goed.
Durkheim: vroeger was er mechanische solidariteit: individu is
ondergeschikt aan de gemeenschap, men doet ongeveer hetzelfde werk
en deelt dezelfde normen en waarden (gelijkvormigheid). In de moderne
tijd is er organische solidariteit: elk individu kent een eigen functie en is zo
afhankelijk van elkaar.
Globalisering: de vraag is in hoeverre globalisering leidt tot meer
wereldwijde wederzijdse afhankelijkheid en of dit leidt tot één
wereldsysteem of meerdere afzonderlijke deelsystemen.
Conflictparadigma:
Samenleving kent altijd ongelijkheid door machtstverschillen
Ongelijkheid -> tegenstellingen -> conflict
Conflicten -> maatschappelijke verandering -> mogelijk een tijdelijke
gelijkheid
-> nieuwe ongelijkheden ontstaan -> nieuwe conflicten etc.
Socialisatie: economisch, sociaal en cultureel kapitaal wordt
doorgegeven. Ongelijkheid wordt door socialisatie meegegeven en wordt
ook veroorzaakt door sociale klasse, gender, religie, etniciteit etc.
Macht en gezag: welke actoren meeste macht en hoe loopt conflict om
die macht?
Marx (sociaaleconomisch): klassenconflicten tussen bezittende en
bezitloze is oorsprong van conflict. Te herleiden tot geld,
productiemiddelen en andere belangen.
Huntington (sociaal-cultureel): aard van conflict ligt bij verschil tussen
culturen
Conflict: maatschappij is arena, conflicten zijn motor van verandering.