Samenvatting fonetiek
Hoofdstuk 1: Inleiding
1.0OVERZICHT
Fonetiek en fonologie = klankniveau
-> belangrijk bij taalontwikkeling (verwerven klanksysteem 0-6j)
-> ook fonetisch schrift heel belangrijk
1.1AUDITIEVE EN VISUELE COMMUNICATIE
Functie van talen = communicatie tussen mensen mogelijk maken
-> van latijnse communis (=meedelen/gemeenschappelijk)
AUDIOVISUEEL COMMUNICATIEMODEL
Horizontale opsplitsing
-> abstract mentaal = alles wat zich in je hoofd afspeelt (je ziet/hoort nog niks)
-> concreet fysisch = zintuiglijk waarneembaar
Essentie van communicatie = de zender stuurt een boodschap naar de ontvanger
-> zender/ontvanger = menselijk of niet menselijk (bv. computer)
-> pragmatiek (context): is hierbij belangrijk
Zender en ontvanger
1
, -> zender = degene die de boodschap verstuurd (bv. woordvoerder)
-> bron = wie verantwoordelijk is voor de boodschap (namens wie)
-> ontvanger = degene die de boodschap ontvangt (bv. telefoniste)
-> doel = voor wie de boodschap bedoeld is
Boodschap: context nodig voor het begrijpen
-> communicatie = geslaagd als de ontvanger begrijpt wat de zender bedoelt
(betekenis)
-> bv. je zus heeft me gister opgebeld
-> je, me, … = deiktische elementen (pragmatiek/context)
Statisch en dynamisch deel van audiovisueel communicatiemodel
-> grijze T = statisch (ligt vast/zijn bouwstenen)
-> wit = dynamisch (dingen die gebeuren/acties)
Vorm + betekenis = voorbereiden hoe we gaan communiceren
-> = mentaal
-> coderen of formuleren = zender kiest voor een bepaalde code of verbaal
systeem
-> = afspraken
-> abstracte betekenis wordt gekoppeld aan een concrete vorm
Vorm: zender kiest om boodschap visueel of auditief over te brengen
-> kiest een medium
-> de boodschap wordt fysiek tastbaar als beelden of geluiden
-> ontvanger kan deze zien/horen
-> verbaal systeem: geschreven of gesproken vorm
-> overlapping: je kan ook met beide strategieën werken (bv. spreken met
gebaren erbij)
-> ontvanger: analoge overlapping (bv. liplezen en luisteren)
-> maakt het gemakkelijker
Vorm + betekenis: de ontvanger koppelt de concrete vorm aan een abstracte betekenis
-> niet automatisch dat je de boodschap verstaat
-> je moet code of taalsysteem kennen (decoderen)
Betekenis = uiteindelijke interpretatie = begrijpen
-> ontvanger begrijpt boodschap van zender
Verticale opsplitsing
-> productie = alles van de zender
-> transmissie = bv geluidsgolven (overgang tussen de 2)
-> perceptie = alles van ontvanger
CODES
2
,Codes: niet enkel verbaal
-> verbaal communicatiesysteem = fonologie (klankleer), morfologie
(woordleer), syntaxis (zinsleer), semantiek (woord- en zinsbetekenis) en
pragmatiek (taalgebruik)
-> weinig flexibiliteit
-> paraverbaal communicatiesysteem (naast het verbale) = deel fonologie
-> prosodische kenmerken: toonhoogte, luidheid, duur, pauze
-> prosodische componenten: intonatie, klemtoon, tempo, ritme
-> klemtoon = extra aandacht schenken aan één onderdeel
-> heeft te maken met alle kenmerken (hoger, luider, trager, korte
pauze ervoor)
-> veel flexibiliteit
-> extraverbaal of non-verbaal communicatiesysteem = houding,
bewegingen, gebaren, blik, mimiek, afstand, aanraking, toewending
-> = lichaamstaal (niets meer te maken met spraak/geluid)
-> aanraking, afstand, … = cultuurafhankelijk
-> veel flexibiliteit
SAMENHANG TUSSEN SOORTEN CODES
Taal (verbaal systeem): ofwel spraak ofwel schrift nodig
-> anders kan je niet spreken van taal
Spraak en schrift: extra mogelijkheden die niet gekoppeld zijn aan taal (uitstekend
stukje)
-> bv nonsense-woorden, graffiti soms (lijkt op schrift, maar is niet altijd aan iets
taligs gekoppeld)
Stem/klank nodig om van spraak te spreken en beeld nodig om van schrift te spreken
-> ook hier weer mogelijkheden die niet aan spraak gekoppeld zijn (bv.
neuriën/pictogrammen -> auditieve/visuele tekens maar geen spraak/schrift)
3
, RUIS EN FEEDBACK
U-vorm schema: pijlen/communicatiecyclus zijn een soort van vertaaloperaties
-> vertaling = niet eenvoudig (kunnen dingen foutlopen = ruis)
Drie
dimensies ruis
-> plaats: - intern = op mentaal niveau
- extern = omzetting code naar taal, taal naar horen/zien en
horen/zien naar verstaan
-> duur: - inherent = permanent
- situationeel = tijdelijk
-> graad: - lichte problemen
- ernstige problemen
Lichte vormen: komen regelmatig voor in dagelijks leven
-> ironie of humor niet inzien = de ontvanger begrijpt de bedoeling van de spreker
niet
-> ruis op luidsprekers = bv last van oorsuizen na blootstelling aan harde geluiden
-> je weet niet hoe je iets moet verwoorden (bv. uitleggen wat oorlog is aan kind)
-> probleem omzetten bedoeling naar formulering
-> klanken niet uitgesproken krijgen (bv. na extreme kou)
-> probleem omzetten formulering naar uitspraak
Ernstige vormen: voorbeelden
-> zware woordvindingsproblemen (afasie): goed taalbegrip maar problemen met
taalproductie
-> veelvuldige articulatieproblemen (bv kind 6-7j): logopedische hulp inschakelen
Mogelijke oplossingen voor ruis = feedback
-> = het bijsturen van de communicatie
-> kan op 3 manieren (op alle niveaus en omzettingen)
Zender ontvanger
4
Hoofdstuk 1: Inleiding
1.0OVERZICHT
Fonetiek en fonologie = klankniveau
-> belangrijk bij taalontwikkeling (verwerven klanksysteem 0-6j)
-> ook fonetisch schrift heel belangrijk
1.1AUDITIEVE EN VISUELE COMMUNICATIE
Functie van talen = communicatie tussen mensen mogelijk maken
-> van latijnse communis (=meedelen/gemeenschappelijk)
AUDIOVISUEEL COMMUNICATIEMODEL
Horizontale opsplitsing
-> abstract mentaal = alles wat zich in je hoofd afspeelt (je ziet/hoort nog niks)
-> concreet fysisch = zintuiglijk waarneembaar
Essentie van communicatie = de zender stuurt een boodschap naar de ontvanger
-> zender/ontvanger = menselijk of niet menselijk (bv. computer)
-> pragmatiek (context): is hierbij belangrijk
Zender en ontvanger
1
, -> zender = degene die de boodschap verstuurd (bv. woordvoerder)
-> bron = wie verantwoordelijk is voor de boodschap (namens wie)
-> ontvanger = degene die de boodschap ontvangt (bv. telefoniste)
-> doel = voor wie de boodschap bedoeld is
Boodschap: context nodig voor het begrijpen
-> communicatie = geslaagd als de ontvanger begrijpt wat de zender bedoelt
(betekenis)
-> bv. je zus heeft me gister opgebeld
-> je, me, … = deiktische elementen (pragmatiek/context)
Statisch en dynamisch deel van audiovisueel communicatiemodel
-> grijze T = statisch (ligt vast/zijn bouwstenen)
-> wit = dynamisch (dingen die gebeuren/acties)
Vorm + betekenis = voorbereiden hoe we gaan communiceren
-> = mentaal
-> coderen of formuleren = zender kiest voor een bepaalde code of verbaal
systeem
-> = afspraken
-> abstracte betekenis wordt gekoppeld aan een concrete vorm
Vorm: zender kiest om boodschap visueel of auditief over te brengen
-> kiest een medium
-> de boodschap wordt fysiek tastbaar als beelden of geluiden
-> ontvanger kan deze zien/horen
-> verbaal systeem: geschreven of gesproken vorm
-> overlapping: je kan ook met beide strategieën werken (bv. spreken met
gebaren erbij)
-> ontvanger: analoge overlapping (bv. liplezen en luisteren)
-> maakt het gemakkelijker
Vorm + betekenis: de ontvanger koppelt de concrete vorm aan een abstracte betekenis
-> niet automatisch dat je de boodschap verstaat
-> je moet code of taalsysteem kennen (decoderen)
Betekenis = uiteindelijke interpretatie = begrijpen
-> ontvanger begrijpt boodschap van zender
Verticale opsplitsing
-> productie = alles van de zender
-> transmissie = bv geluidsgolven (overgang tussen de 2)
-> perceptie = alles van ontvanger
CODES
2
,Codes: niet enkel verbaal
-> verbaal communicatiesysteem = fonologie (klankleer), morfologie
(woordleer), syntaxis (zinsleer), semantiek (woord- en zinsbetekenis) en
pragmatiek (taalgebruik)
-> weinig flexibiliteit
-> paraverbaal communicatiesysteem (naast het verbale) = deel fonologie
-> prosodische kenmerken: toonhoogte, luidheid, duur, pauze
-> prosodische componenten: intonatie, klemtoon, tempo, ritme
-> klemtoon = extra aandacht schenken aan één onderdeel
-> heeft te maken met alle kenmerken (hoger, luider, trager, korte
pauze ervoor)
-> veel flexibiliteit
-> extraverbaal of non-verbaal communicatiesysteem = houding,
bewegingen, gebaren, blik, mimiek, afstand, aanraking, toewending
-> = lichaamstaal (niets meer te maken met spraak/geluid)
-> aanraking, afstand, … = cultuurafhankelijk
-> veel flexibiliteit
SAMENHANG TUSSEN SOORTEN CODES
Taal (verbaal systeem): ofwel spraak ofwel schrift nodig
-> anders kan je niet spreken van taal
Spraak en schrift: extra mogelijkheden die niet gekoppeld zijn aan taal (uitstekend
stukje)
-> bv nonsense-woorden, graffiti soms (lijkt op schrift, maar is niet altijd aan iets
taligs gekoppeld)
Stem/klank nodig om van spraak te spreken en beeld nodig om van schrift te spreken
-> ook hier weer mogelijkheden die niet aan spraak gekoppeld zijn (bv.
neuriën/pictogrammen -> auditieve/visuele tekens maar geen spraak/schrift)
3
, RUIS EN FEEDBACK
U-vorm schema: pijlen/communicatiecyclus zijn een soort van vertaaloperaties
-> vertaling = niet eenvoudig (kunnen dingen foutlopen = ruis)
Drie
dimensies ruis
-> plaats: - intern = op mentaal niveau
- extern = omzetting code naar taal, taal naar horen/zien en
horen/zien naar verstaan
-> duur: - inherent = permanent
- situationeel = tijdelijk
-> graad: - lichte problemen
- ernstige problemen
Lichte vormen: komen regelmatig voor in dagelijks leven
-> ironie of humor niet inzien = de ontvanger begrijpt de bedoeling van de spreker
niet
-> ruis op luidsprekers = bv last van oorsuizen na blootstelling aan harde geluiden
-> je weet niet hoe je iets moet verwoorden (bv. uitleggen wat oorlog is aan kind)
-> probleem omzetten bedoeling naar formulering
-> klanken niet uitgesproken krijgen (bv. na extreme kou)
-> probleem omzetten formulering naar uitspraak
Ernstige vormen: voorbeelden
-> zware woordvindingsproblemen (afasie): goed taalbegrip maar problemen met
taalproductie
-> veelvuldige articulatieproblemen (bv kind 6-7j): logopedische hulp inschakelen
Mogelijke oplossingen voor ruis = feedback
-> = het bijsturen van de communicatie
-> kan op 3 manieren (op alle niveaus en omzettingen)
Zender ontvanger
4