Les 4 en 5: Kenmerken voor sociaal werk
1 Vier basismethodieken
Bij de opdrachten van sociaal werkers kan je vier basismethodieken onderscheiden. De verschillen in
de methodieken hebben betrekking op de aard van het deelnemers-systeem (individuen, gezinnen,
groepen, gemeenschappen) maar ook op de doelen en hefbomen die de sociaal werker effectief acht
voor sociale verandering.
1. werken met individuen, gezinnen en nabije contexten
2. werken met groepen
3. werken aan en in organisaties
4. werken aan en in beleid
1.1 Werken met individuen, gezinnen en nabije contexten
Vergroten van de zelfredzaamheid van het individu of zijn nabije context met de hulpbronnen in de
context van de “cliënt”.
Het gaat hier in eerste instantie over hulp- en dienstverlening
1.2 Werken met groepen
Vertrekken van de mogelijkheid van de groep om in onderling samenspel tussen de groepsleden tot
oplossingen te komen voor problemen en persoonlijke en maatschappelijke uitdagingen.
De groep als experimenteerplaats voor sociale verandering.
Persoonlijke ontwikkeling, empowerment en emancipatieprocessen kunnen in een groep tot
ontwikkeling komen
1.3 Werken aan en in organisaties
Werken aan (verandering in) organisaties
Kan van:
Buitenaf (Vb. GRIP die advies geeft aan VDAB ifv het begeleiden van personen met een
beperking)
Binnenuit (Vb. Een diversiteitsmedewerkers die instaat voor het gelijkekansenbeleid in diens
organisatie)
, 1.4 Werken aan en in beleid
Vertrekkend van een sociaal-politieke analyse van problemen en uitdagingen zet de sow’er in op een
verandering in de maatschappelijke structuren. (wetten, beleid, aanbod, steunmaatregelen..)
Kan van:
Buitenaf: samen met een doelgroep, werken in een buurt, …
Binnenuit: als medewerker in een politieke partij, als medewerker van een lokaal bestuur, …
Voorbeeld:
Domein arbeid:
Werken met individuen, gezinnen en nabije context: VDAB die persoon X begeleidt naar
werk
Werken met groepen: Groep Intro (groepsvormingen…), een vakbond die een groep
werknemers begeleidt bij sluiting van een fabriek
Werken in en aan een organisatie: van binnenuit HR-medewerkers personeelsbeleid/
gelijkekansenbeleid/ - van buitenuit SAAMO tav CAW rond drempels
Werken aan en in Beleid: vakbond binnen sociaal overleg, werkers bij de Vlaamse dienst
speelpleinwerking
2 Drie methoden
De sociaal werker kan binnen die vier basismethodieken (individuen, groepen, organisaties, beleid)
met 3 methoden aan de slag gaan:
1. Probleemoplossend werken
2. Competentieverhogend werken
3. Structureel werken
2.1 Probleemoplossend werken
= het helpen oplossen van specifieke vragen en problemen die worden voorgelegd door individuen,
groepen en gemeenschappen.
Vb. formulieren helpen invullen, een noodwoning voorzien, psychosociale begeleiding, acuut
een terrein voorzien voor woonwagenbewoners openbaar, vertaling voorzien voor een
gemeenschap bij verkiezingen voorzien, zorgen dat mensen aan hun rechten komen…
2.2 Competentieverhogend werken
= in samenhang met de probleemoplossing werkt de sociaal werker aan de handelingscompetentie
van de betrokken personen, groepen en hun samenlevingsverbanden om zo in de toekomst hun
autonomie te vergroten.
1 Vier basismethodieken
Bij de opdrachten van sociaal werkers kan je vier basismethodieken onderscheiden. De verschillen in
de methodieken hebben betrekking op de aard van het deelnemers-systeem (individuen, gezinnen,
groepen, gemeenschappen) maar ook op de doelen en hefbomen die de sociaal werker effectief acht
voor sociale verandering.
1. werken met individuen, gezinnen en nabije contexten
2. werken met groepen
3. werken aan en in organisaties
4. werken aan en in beleid
1.1 Werken met individuen, gezinnen en nabije contexten
Vergroten van de zelfredzaamheid van het individu of zijn nabije context met de hulpbronnen in de
context van de “cliënt”.
Het gaat hier in eerste instantie over hulp- en dienstverlening
1.2 Werken met groepen
Vertrekken van de mogelijkheid van de groep om in onderling samenspel tussen de groepsleden tot
oplossingen te komen voor problemen en persoonlijke en maatschappelijke uitdagingen.
De groep als experimenteerplaats voor sociale verandering.
Persoonlijke ontwikkeling, empowerment en emancipatieprocessen kunnen in een groep tot
ontwikkeling komen
1.3 Werken aan en in organisaties
Werken aan (verandering in) organisaties
Kan van:
Buitenaf (Vb. GRIP die advies geeft aan VDAB ifv het begeleiden van personen met een
beperking)
Binnenuit (Vb. Een diversiteitsmedewerkers die instaat voor het gelijkekansenbeleid in diens
organisatie)
, 1.4 Werken aan en in beleid
Vertrekkend van een sociaal-politieke analyse van problemen en uitdagingen zet de sow’er in op een
verandering in de maatschappelijke structuren. (wetten, beleid, aanbod, steunmaatregelen..)
Kan van:
Buitenaf: samen met een doelgroep, werken in een buurt, …
Binnenuit: als medewerker in een politieke partij, als medewerker van een lokaal bestuur, …
Voorbeeld:
Domein arbeid:
Werken met individuen, gezinnen en nabije context: VDAB die persoon X begeleidt naar
werk
Werken met groepen: Groep Intro (groepsvormingen…), een vakbond die een groep
werknemers begeleidt bij sluiting van een fabriek
Werken in en aan een organisatie: van binnenuit HR-medewerkers personeelsbeleid/
gelijkekansenbeleid/ - van buitenuit SAAMO tav CAW rond drempels
Werken aan en in Beleid: vakbond binnen sociaal overleg, werkers bij de Vlaamse dienst
speelpleinwerking
2 Drie methoden
De sociaal werker kan binnen die vier basismethodieken (individuen, groepen, organisaties, beleid)
met 3 methoden aan de slag gaan:
1. Probleemoplossend werken
2. Competentieverhogend werken
3. Structureel werken
2.1 Probleemoplossend werken
= het helpen oplossen van specifieke vragen en problemen die worden voorgelegd door individuen,
groepen en gemeenschappen.
Vb. formulieren helpen invullen, een noodwoning voorzien, psychosociale begeleiding, acuut
een terrein voorzien voor woonwagenbewoners openbaar, vertaling voorzien voor een
gemeenschap bij verkiezingen voorzien, zorgen dat mensen aan hun rechten komen…
2.2 Competentieverhogend werken
= in samenhang met de probleemoplossing werkt de sociaal werker aan de handelingscompetentie
van de betrokken personen, groepen en hun samenlevingsverbanden om zo in de toekomst hun
autonomie te vergroten.