📘 Artikel 1 – Springen naar getallen (Julie Menne)
Vragen 1 t/m 10
1. Wat is het hoofddoel van de activiteit "Springen naar getallen"?
a. Het aanleren van tafels door bewegend leren
b. Het ontwikkelen van getalbegrip door te werken met sprongen op getallenlijnen
c. Het oefenen met de plaats van getallen op de getallenlijn tot 1000
d. Het stimuleren van de motorische ontwikkeling tijdens de rekenles
2. Hoe worden de kralenkettingen in groep 3 gestructureerd?
a. Door afwisselend rode en blauwe kralen per 20 kralen
b. Door cijfers die elke 5 kralen aangeven waar ze zitten
c. Door kleuren die per vijf kralen wisselen
d. Door een 10-structuur met kleurwissel per 10 kralen
3. Wat is de functie van het "kort gespannen" ophangen van de kralenketting?
a. Het geeft leerlingen de kans om ermee te spelen
b. Het maakt tellen van individuele kralen makkelijker
c. Het zorgt voor overzicht en controle tijdens de sprongen
d. Het voorkomt verwarring door kralen op afstand
4. Wat symboliseert het springen met één been tijdens het bewegen op de denkbeeldige
getallenlijn?
a. Een hup van 1
b. Een sprong van 10
c. Een stap van 2
d. Een stap van 5
5. Waarom worden er posters met verschillende sprongen gebruikt in de klas?
a. Om decoratie te combineren met leerinhoud
b. Om de leerlijn visueel te maken voor leerlingen en leerkrachten
c. Om leerlingen zelfstandig getalkaarten te laten ophangen
d. Om de posters als beloningssysteem te gebruiken
6. Hoe wordt differentiatie toegepast in het werken met "Springen naar getallen"?
a. Door de kinderen te laten samenwerken met oudere leerlingen
b. Door de kleur van kralen aan te passen per niveau
c. Door verschillende spronggroottes en startgetallen te gebruiken
d. Door leerlingen zelf te laten kiezen met welke kralenketting ze werken
7. Wat wordt bedoeld met "voorbij springen"?
a. Sprongen waarbij een getal wordt overgeslagen met opzet
b. Sprongen waarbij je over het doelgetal heen springt
c. Sprongen die achteruit gemaakt worden
d. Sprongen waarbij leerlingen over de 100 gaan
,8. Hoe draagt het spel "Springen vanaf 0" bij aan rekenontwikkeling?
a. Het bevordert de motivatie voor rekenwerk door competitie
b. Het helpt leerlingen door repetitieve herhaling
c. Het laat leerlingen ontdekken hoe ze kunnen schatten
d. Het maakt het raden van getallen via rekenstrategieën mogelijk
9. Welke strategie komt aan bod bij het opdelen van 42 in sprongen?
a. 42 wordt afgetrokken vanuit 50 via sprongen van -2
b. 42 wordt gesplitst in 6 sprongen van 7
c. Er wordt gerekend met sprongen van 20 en restwaarde
d. 40 + 2 wordt verdeeld in 4 sprongen van 10 en een hup van 2
10. Wat is het effect van motorisch meedoen tijdens deze rekenactiviteit?
a. Het koppelt bewegen aan denkstrategieën, wat inzicht versterkt
b. Het maakt kinderen rustiger voor de rest van de les
c. Het stimuleert vooral kinderen die auditief zijn ingesteld
d. Het vermindert de cognitieve belasting door afleiding
📘 Artikel 2 – Rondje Rekenspel (Noteboom & Notten)
Vragen 11 t/m 20
11. Wat is het belangrijkste kenmerk van een goed rekenspel volgens dit artikel?
a. Het kan als beloning ingezet worden in de weektaak
b. Het heeft een hoog competitiegehalte en vaste winnaar
c. Het leert kinderen spelenderwijs omgaan met rekeninhoud
d. Het werkt vooral goed als groepsopdracht onder toezicht
12. Waarom is een helder leerdoel essentieel bij een rekenspel?
a. Omdat het anders te veel tijd in beslag neemt
b. Omdat het dan beter past in een rekenmethode
c. Omdat het de effectiviteit van het spel vergroot
d. Omdat het leerlingen motiveert om te winnen
13. Welke rol speelt reflectie in het gebruik van rekenspellen?
a. Het helpt de leerkracht bij het invullen van het rapport
b. Het laat leerlingen stilstaan bij hun strategie en leren
c. Het zorgt voor afwisseling tussen spellen door
d. Het vervangt het toetsen van automatisering
14. Waarom is het spel "Geheim getal" effectief voor plaatswaardebesef?
a. Omdat het getallen visualiseert met materiaal
b. Omdat het kinderen leert logisch redeneren
c. Omdat het laat raden en rekenen combineren
d. Omdat het spelers laat werken met sprongen
,15. Hoe draagt het spelen van rekenspellen bij aan differentiatie in de klas?
a. Door het verschil in snelheid tussen leerlingen te vergroten
b. Door leerlingen te laten kiezen of ze meedoen
c. Door spellen op verschillende niveaus aan te bieden
d. Door zwakkere leerlingen uit te sluiten van de groep
16. Wat is een voordeel van het inzetten van rekenspellen in circuits?
a. De instructietijd wordt verdeeld over meerdere vakken
b. Er ontstaat ruimte voor de leraar om gerichte observaties te doen
c. Leerlingen maken meer fouten en leren daarvan
d. Ze hoeven minder schriftelijke opdrachten te maken
17. Waarom is spelplezier cruciaal in het ontwerp van rekenspellen?
a. Het bevordert sociale vaardigheden tussen leerlingen
b. Het helpt bij het leren van de spelregels
c. Het maakt leren onbewust en intrinsiek motiverend
d. Het zorgt voor minder behoefte aan uitleg van de leraar
18. Welke spelvoorwaarde hoort bij goede rekenspellen?
a. Elke ronde moet een andere winnaar opleveren
b. Het spel mag geen voorkennis vereisen
c. Het moet kort zijn en eenvoudig uit te leggen
d. Je moet het kunnen winnen door toeval
19. Wat maakt rekenspellen geschikt voor diagnostisch gebruik?
a. De leraar kan spelenderwijs analyseren wat leerlingen al beheersen
b. Er ontstaat competitie tussen leerlingen, waardoor motivatie stijgt
c. Het spel vervangt observatie en toetsmomenten
d. Leerlingen mogen zelf een toetsmoment kiezen
20. Waarom is het wenselijk dat rekenspellen niet te lang duren?
a. Dan kunnen ze vaker in een week worden gespeeld
b. Dan raken leerlingen niet gefrustreerd
c. Omdat het past bij de spanningsboog van jonge kinderen
d. Omdat het afhangt van de instructieduur per dag
📘 Artikel 3 – Juf, laat mij het mezelf maar leren! (Anneke Noteboom)
Vragen 21 t/m 30
21. Wat is het kernidee van de aanpak in dit artikel?
a. De leraar bepaalt welke stof leerlingen oefenen
b. De leerlingen maken zelfstandig oefenplannen en kiezen oefenvormen
c. De school gebruikt externe experts om doelen te bepalen
d. De toets bepaalt de volgende stap in de rekenlijn
, 22. Wat is een belangrijk effect van het zelf kiezen van oefenvormen door leerlingen?
a. Leerlingen worden sneller in hoofdrekenen
b. Leerlingen ontwikkelen zelfstandig leren en eigenaarschap
c. Leerlingen worden beter in samenwerken
d. Leerlingen kiezen makkelijker moeilijke opdrachten
23. Welke rol speelt spel in deze aanpak?
a. Het dient als beloning voor goede prestaties
b. Het wordt gebruikt om motorische ontwikkeling te stimuleren
c. Het maakt het oefenen van doelen aantrekkelijk en doelgericht
d. Het vervangt het reguliere lesmateriaal
24. Waarom wordt peer tutoring ingezet in deze aanpak?
a. Omdat leerkrachten geen tijd hebben voor extra uitleg
b. Omdat oudere kinderen dan hun eigen niveau beter leren kennen
c. Omdat het zorgt voor minder werkdruk bij de leerkracht
d. Omdat het wederzijds leren bevordert tussen kinderen
25. Wat is een verantwoordelijkheid van de leerkracht in deze aanpak?
a. De voortgang van leerlingen klassikaal bijhouden
b. Feedback geven en ingrijpen bij stagnatie in leerproces
c. Het uitschrijven van alle doelen per leerling
d. Zelfstandig de toetsresultaten interpreteren
26. Hoe wordt de voortgang van leerlingen zichtbaar gemaakt?
a. Door inzet van groepsplannen
b. Door toetsen op vaste momenten
c. Door zelfgemaakte visuele overzichten van leerlingen
d. Door observaties van medeleerlingen
27. Waarom motiveert deze aanpak veel leerlingen meer dan klassikale instructie?
a. Omdat ze minder opdrachten hoeven te maken
b. Omdat ze sneller klaar zijn met oefenen
c. Omdat ze zich eigenaar voelen van hun leerproces
d. Omdat ze beloond worden met minder huiswerk
28. Welk voordeel heeft het laten kiezen van oefendoelen door leerlingen?
a. Het verhoogt hun gevoel van betrokkenheid
b. Het voorkomt dat ze fouten maken
c. Het versnelt het afnemen van toetsen
d. Het sluit differentiatie in de klas uit
29. Wat laat onderzoek zien over deze aanpak met zelfverantwoordelijk oefenen?
a. Dat vooral sterke leerlingen er baat bij hebben
b. Dat het meer tijd kost dan traditioneel onderwijs
c. Dat leerlingen sneller door de methode gaan
d. Dat meer leerlingen het referentieniveau 1S behalen
Vragen 1 t/m 10
1. Wat is het hoofddoel van de activiteit "Springen naar getallen"?
a. Het aanleren van tafels door bewegend leren
b. Het ontwikkelen van getalbegrip door te werken met sprongen op getallenlijnen
c. Het oefenen met de plaats van getallen op de getallenlijn tot 1000
d. Het stimuleren van de motorische ontwikkeling tijdens de rekenles
2. Hoe worden de kralenkettingen in groep 3 gestructureerd?
a. Door afwisselend rode en blauwe kralen per 20 kralen
b. Door cijfers die elke 5 kralen aangeven waar ze zitten
c. Door kleuren die per vijf kralen wisselen
d. Door een 10-structuur met kleurwissel per 10 kralen
3. Wat is de functie van het "kort gespannen" ophangen van de kralenketting?
a. Het geeft leerlingen de kans om ermee te spelen
b. Het maakt tellen van individuele kralen makkelijker
c. Het zorgt voor overzicht en controle tijdens de sprongen
d. Het voorkomt verwarring door kralen op afstand
4. Wat symboliseert het springen met één been tijdens het bewegen op de denkbeeldige
getallenlijn?
a. Een hup van 1
b. Een sprong van 10
c. Een stap van 2
d. Een stap van 5
5. Waarom worden er posters met verschillende sprongen gebruikt in de klas?
a. Om decoratie te combineren met leerinhoud
b. Om de leerlijn visueel te maken voor leerlingen en leerkrachten
c. Om leerlingen zelfstandig getalkaarten te laten ophangen
d. Om de posters als beloningssysteem te gebruiken
6. Hoe wordt differentiatie toegepast in het werken met "Springen naar getallen"?
a. Door de kinderen te laten samenwerken met oudere leerlingen
b. Door de kleur van kralen aan te passen per niveau
c. Door verschillende spronggroottes en startgetallen te gebruiken
d. Door leerlingen zelf te laten kiezen met welke kralenketting ze werken
7. Wat wordt bedoeld met "voorbij springen"?
a. Sprongen waarbij een getal wordt overgeslagen met opzet
b. Sprongen waarbij je over het doelgetal heen springt
c. Sprongen die achteruit gemaakt worden
d. Sprongen waarbij leerlingen over de 100 gaan
,8. Hoe draagt het spel "Springen vanaf 0" bij aan rekenontwikkeling?
a. Het bevordert de motivatie voor rekenwerk door competitie
b. Het helpt leerlingen door repetitieve herhaling
c. Het laat leerlingen ontdekken hoe ze kunnen schatten
d. Het maakt het raden van getallen via rekenstrategieën mogelijk
9. Welke strategie komt aan bod bij het opdelen van 42 in sprongen?
a. 42 wordt afgetrokken vanuit 50 via sprongen van -2
b. 42 wordt gesplitst in 6 sprongen van 7
c. Er wordt gerekend met sprongen van 20 en restwaarde
d. 40 + 2 wordt verdeeld in 4 sprongen van 10 en een hup van 2
10. Wat is het effect van motorisch meedoen tijdens deze rekenactiviteit?
a. Het koppelt bewegen aan denkstrategieën, wat inzicht versterkt
b. Het maakt kinderen rustiger voor de rest van de les
c. Het stimuleert vooral kinderen die auditief zijn ingesteld
d. Het vermindert de cognitieve belasting door afleiding
📘 Artikel 2 – Rondje Rekenspel (Noteboom & Notten)
Vragen 11 t/m 20
11. Wat is het belangrijkste kenmerk van een goed rekenspel volgens dit artikel?
a. Het kan als beloning ingezet worden in de weektaak
b. Het heeft een hoog competitiegehalte en vaste winnaar
c. Het leert kinderen spelenderwijs omgaan met rekeninhoud
d. Het werkt vooral goed als groepsopdracht onder toezicht
12. Waarom is een helder leerdoel essentieel bij een rekenspel?
a. Omdat het anders te veel tijd in beslag neemt
b. Omdat het dan beter past in een rekenmethode
c. Omdat het de effectiviteit van het spel vergroot
d. Omdat het leerlingen motiveert om te winnen
13. Welke rol speelt reflectie in het gebruik van rekenspellen?
a. Het helpt de leerkracht bij het invullen van het rapport
b. Het laat leerlingen stilstaan bij hun strategie en leren
c. Het zorgt voor afwisseling tussen spellen door
d. Het vervangt het toetsen van automatisering
14. Waarom is het spel "Geheim getal" effectief voor plaatswaardebesef?
a. Omdat het getallen visualiseert met materiaal
b. Omdat het kinderen leert logisch redeneren
c. Omdat het laat raden en rekenen combineren
d. Omdat het spelers laat werken met sprongen
,15. Hoe draagt het spelen van rekenspellen bij aan differentiatie in de klas?
a. Door het verschil in snelheid tussen leerlingen te vergroten
b. Door leerlingen te laten kiezen of ze meedoen
c. Door spellen op verschillende niveaus aan te bieden
d. Door zwakkere leerlingen uit te sluiten van de groep
16. Wat is een voordeel van het inzetten van rekenspellen in circuits?
a. De instructietijd wordt verdeeld over meerdere vakken
b. Er ontstaat ruimte voor de leraar om gerichte observaties te doen
c. Leerlingen maken meer fouten en leren daarvan
d. Ze hoeven minder schriftelijke opdrachten te maken
17. Waarom is spelplezier cruciaal in het ontwerp van rekenspellen?
a. Het bevordert sociale vaardigheden tussen leerlingen
b. Het helpt bij het leren van de spelregels
c. Het maakt leren onbewust en intrinsiek motiverend
d. Het zorgt voor minder behoefte aan uitleg van de leraar
18. Welke spelvoorwaarde hoort bij goede rekenspellen?
a. Elke ronde moet een andere winnaar opleveren
b. Het spel mag geen voorkennis vereisen
c. Het moet kort zijn en eenvoudig uit te leggen
d. Je moet het kunnen winnen door toeval
19. Wat maakt rekenspellen geschikt voor diagnostisch gebruik?
a. De leraar kan spelenderwijs analyseren wat leerlingen al beheersen
b. Er ontstaat competitie tussen leerlingen, waardoor motivatie stijgt
c. Het spel vervangt observatie en toetsmomenten
d. Leerlingen mogen zelf een toetsmoment kiezen
20. Waarom is het wenselijk dat rekenspellen niet te lang duren?
a. Dan kunnen ze vaker in een week worden gespeeld
b. Dan raken leerlingen niet gefrustreerd
c. Omdat het past bij de spanningsboog van jonge kinderen
d. Omdat het afhangt van de instructieduur per dag
📘 Artikel 3 – Juf, laat mij het mezelf maar leren! (Anneke Noteboom)
Vragen 21 t/m 30
21. Wat is het kernidee van de aanpak in dit artikel?
a. De leraar bepaalt welke stof leerlingen oefenen
b. De leerlingen maken zelfstandig oefenplannen en kiezen oefenvormen
c. De school gebruikt externe experts om doelen te bepalen
d. De toets bepaalt de volgende stap in de rekenlijn
, 22. Wat is een belangrijk effect van het zelf kiezen van oefenvormen door leerlingen?
a. Leerlingen worden sneller in hoofdrekenen
b. Leerlingen ontwikkelen zelfstandig leren en eigenaarschap
c. Leerlingen worden beter in samenwerken
d. Leerlingen kiezen makkelijker moeilijke opdrachten
23. Welke rol speelt spel in deze aanpak?
a. Het dient als beloning voor goede prestaties
b. Het wordt gebruikt om motorische ontwikkeling te stimuleren
c. Het maakt het oefenen van doelen aantrekkelijk en doelgericht
d. Het vervangt het reguliere lesmateriaal
24. Waarom wordt peer tutoring ingezet in deze aanpak?
a. Omdat leerkrachten geen tijd hebben voor extra uitleg
b. Omdat oudere kinderen dan hun eigen niveau beter leren kennen
c. Omdat het zorgt voor minder werkdruk bij de leerkracht
d. Omdat het wederzijds leren bevordert tussen kinderen
25. Wat is een verantwoordelijkheid van de leerkracht in deze aanpak?
a. De voortgang van leerlingen klassikaal bijhouden
b. Feedback geven en ingrijpen bij stagnatie in leerproces
c. Het uitschrijven van alle doelen per leerling
d. Zelfstandig de toetsresultaten interpreteren
26. Hoe wordt de voortgang van leerlingen zichtbaar gemaakt?
a. Door inzet van groepsplannen
b. Door toetsen op vaste momenten
c. Door zelfgemaakte visuele overzichten van leerlingen
d. Door observaties van medeleerlingen
27. Waarom motiveert deze aanpak veel leerlingen meer dan klassikale instructie?
a. Omdat ze minder opdrachten hoeven te maken
b. Omdat ze sneller klaar zijn met oefenen
c. Omdat ze zich eigenaar voelen van hun leerproces
d. Omdat ze beloond worden met minder huiswerk
28. Welk voordeel heeft het laten kiezen van oefendoelen door leerlingen?
a. Het verhoogt hun gevoel van betrokkenheid
b. Het voorkomt dat ze fouten maken
c. Het versnelt het afnemen van toetsen
d. Het sluit differentiatie in de klas uit
29. Wat laat onderzoek zien over deze aanpak met zelfverantwoordelijk oefenen?
a. Dat vooral sterke leerlingen er baat bij hebben
b. Dat het meer tijd kost dan traditioneel onderwijs
c. Dat leerlingen sneller door de methode gaan
d. Dat meer leerlingen het referentieniveau 1S behalen