Professionalisering en ethische aspecten
Hoofdstuk 1: proloog ethiek
1. Technische en normatieve professionaliteit
Technische professionaliteit: omgaan met technologische ontwikkelingen,
gespreksvaardigheden, kwalitatieve rapportage, omgaan met agressie … - je job kwaliteitsvol
uitoefenen
Weten wat je job inhoudt.
Doe ik de dingen goed?
Normatieve professionaliteit: ethische vragen stellen over (eigen) interventies – dragen ze
bij en op welke manier aan goed sociaal werk
Ethisch aspect.
Doe ik de goede dingen?
Metafoor: sociaal-agogisch werker als lantaarnpaal of als kampvuur
Lantaarnpaal: sociaal-agogisch werker die de weg belicht die samen met de cliënt wordt
bewandeld, om te zien waarheen gegaan moet worden, waar ijkpunten gelegd kunnen worden
of waar efficiënter gewerkt kan worden – technische professionaliteit
Lantaarnpaal wordt ‘centraal’ aangestuurd, vanuit een organisatie of de maatschappij.
Kampvuur: ‘autonomie’ of discretionaire ruimte – het hout in de omgeving en de manier
hoe de sociaal-agogisch werker het kampvuur bouwt, bepalen hoeveel licht en warmte er is
en hoelang het vuur zal branden; er is een zekere dynamiek en de uitkomst draagt een
bepaalde onvoorspelbaarheid in zich – normatieve professionaliteit
Kampvuur nodigt uit: stimuleert verbinding en maakt een gedeeld verhaal mogelijk
2. Het goede doen (integer handelen)
C.S. Lewis: integrity is doing the right thing even if no one is watching
Epictetus: als je ooit in de verleiding komt om te zoeken naar goedkeuring van buitenaf
realiseer je dan dat je de integriteit in gevaar hebt gebracht. Als je een getuige nodig hebt,
wees die dan zelf.
Integer handelen: zelf als er niemand kijkt doe je het goede vanuit de evidentie om het
goede te doen
Autonoom (vs heternoom) het goede doen: het goede doen los van eventuele zaken van
buitenaf die ons ten goede kunnen komen, we kunnen onszelf in alle vrijheid wetten opleggen
en zijn niet afhankelijk van anderen (geen goedkeuring van anderen nodig) – autonome,
rationele wezens
Moraal: hoe weten we wat goed is?
Moraal: geheel van waarden en normen die richting geven aan ons handelen en zin geven
aan wat we denken en doen
2.1 Hoe weten we wat goed is?
Vandaag: pluralisme binnen de samenleving – in onze samenleving zijn er veel variaties over
de invulling over wat het goede is
Moraliteit: waarden en normen die op een bepaalde plek op een bepaald moment in voege
zijn
Je krijgt ze mee via socialisatie en trial and error: opvoeding, sociale structuur, samenleving
1
, Ruimer dan regels en wetten: wetten zijn een morele consensus – wetten kunnen
onrechtvaardig zijn (natuurrecht en rechtspositivisme)
Intuïtief: scheidsrechter is ons geweten (gezond verstand)
Ethiek: neemt meer afstand van de moraal – bestudeert de moraal op verschillende
manieren; theoretische studie van de moraal, onderzoekt waarde- en normenstelsel en gaat
na welke argumenten bepaalde keuzes voor dat goede legitimeren
Beschrijvende ethiek: studie van de morele overwegingen van mensen
Normatieve ethiek: construeert theorieën waarbinnen morele problemen kunnen behandeld
worden
Toegepaste ethiek: bestudeert morele problemen op bepaalde domeinen
Wie bepaalt wat het goede is?
Bepalen we dat zelf als rationele en vrije individuen?
Aristoteles: als je weet wat goed is, kun je bijna niets anders doen
Gedachte-experiment 1: de vriendelijke buurtmoordenaar met de bijl
Ga je liegen of niet? – we vinden het principe ‘niet liegen’ belangrijk, maar vullen dit in
naargelang de context (subjectieve moraal is wankele basis
Oplossing: deonlogische code? – deontologie als ethisch perspectief (plichtenleer) vb.
liegen is immoreel
We kunnen uitzonderingen vinden op onze eigen regels.
Subjectief: we hebben regels, maar we laten hier vaak uitzonderingen op toe
Deontolgische code overstijgt het subjectieve.
Gedachte-experiment 2: trolley-probleem
Moreel dilemma: er is geen oplossing mogelijk – keuze impliceert dat er geen ‘perfecte’
oplossing zal zijn (er is niet 1 juiste handeling)
Er moet een keuze gemaakt worden en er moet verantwoordelijkheid genomen worden
voor die keuze.
3. Normatieve ethiek – theorie die een idee heeft van wat het goede is
Consequentialisme >< Deontologie:
Consequentialisme: handeling is goed als deze de best mogelijke gevolgen oplevert
Bentham: greatest happiness for the greatest number
Deontologie: handeling is goed als deze vertrekt vanuit de juiste intentie (principe)
Kant: goede wil (morele plicht om je goede wil uit te voeren geen uitzonderingen
mogelijk) + categorisch imperatief
3.1 Verwisselbaarheidsgedachte
Toetssteen normatieve ethiek: verwisselbaarheidsgedachte of principe van gelijkheid –
bepaalt of een theorie ethisch is
Verwisselbaarheid: bij het innemen van een standpunt hebben de eigen belangen niet meer
waarde dan die van anderen – egoïsme en handelen uit eigenbelang overstijgen
Eigen rol in moreel standpunt moet op de een of andere manier verwisselbaar zijn met de
rol van anderen – ik mag mijzelf niet anders behandelen dan de anderen en de anderen niet
onderling verschillend van elkaar, tenzij daar voldoende gronden voor bestaan.
2
, Verschillend invullingen mogelijk
vb. taart verdelen
Elke aanwezige krijgt een even groot stuk = principe van gelijkheid, iedereen hetzelfde
(verwisselbaar).
Principe afspreken volgens behoefte = ongelijke verdeling, maar we houden evenveel
rekening met ieders belangen (principe van gelijkheid)
Degene die jarig is krijgt een groter stuk = principe van gelijkheid (verwisselbaar)
telkens als er iemand jarig is geven we die een groter stuk dus iedereen krijgt ooit het grotere
stuk
Enkel de grootste en sterkste krijgen een groter stuk ≠ principe van gelijkheid
(verwisselbaar)
3.2 Het goede of het juiste doen? – de ingenieur en de rechter
Consequentialisme: invulling van het goede, het grootste geluk
Evalueert een handeling op basis van de toestand die die handeling veroorzaakt.
- Goede handeling: handeling die de best mogelijke gevolgen oplevert of de minst
schadelijke in het belang van iedereen of een zo groot mogelijke groep mensen
Drijfzand van het relativisme: iedereen heeft een andere invulling, subjectief nadenken
over ethiek
Onpersoonlijk: handeling wordt losgekoppelt van de persoon die de handeling stelt
Ethische handeling: handeling die na afweging meer ‘goed’ veroorzaakt en waarbij
iederene in dezelfde situatie dezelfde keuze zou maken
Deontologie: leeg, louter vormelijk – er wordt niet gezegd wat je moet doen
Kale woestijn van het dogmatisme: universele regels die altijd gevolgd moeten worden
Evalueert de handeling op basis van de achterliggende intenties.
- Goede handeling: handeling die vertrekt vanuit een juiste intentie – juiste intentie =
gebaseerd op een principe of beginsel
Het goede >< Het juiste:
Het goede geeft een invulling.
Het juiste = deontologie.
Dominantie deontolgisch perspectief: het juiste doen is belangrijker dan handelingen
stellen die enkel gebaseert zijn op het goede
Probleem met deontolgie: het kan heel star en strikt zijn
3.3 Kiezen is verliezen
Beide theorieën hebben sterktes en zwaktes – geen perfectie, maar zijn beide ethisch =
voldoen aan verwisselbaarheidsgedachte
Consequentialisme:
Sterkte: flexibel – er is geen vaste regel, afhankelijk van de situatie en gevolgen (context
Risicio: berekening – te veel ingenieur, berekeningen waar er eigenlijk geen berekeningen
mogelijk zijn (afhankelijk van de context = relatief) + geen glazenbol – willekeur, we kunnen
niet in de toekomst kijken (gevolgen zijn onvoorspelbaar)
Deontologie:
Sterkte: morele intuïtie – regels komen vaak overeen met wat mensen intuïtief aanvoelen,
moreel gevweten
Risico: dogmatisme en wereldvreemdheid – regel altijd volgen zelfs als je intuïtief aanvoelt
dat deze in strijdt is met wat je eigenlijk wil doen
3
Hoofdstuk 1: proloog ethiek
1. Technische en normatieve professionaliteit
Technische professionaliteit: omgaan met technologische ontwikkelingen,
gespreksvaardigheden, kwalitatieve rapportage, omgaan met agressie … - je job kwaliteitsvol
uitoefenen
Weten wat je job inhoudt.
Doe ik de dingen goed?
Normatieve professionaliteit: ethische vragen stellen over (eigen) interventies – dragen ze
bij en op welke manier aan goed sociaal werk
Ethisch aspect.
Doe ik de goede dingen?
Metafoor: sociaal-agogisch werker als lantaarnpaal of als kampvuur
Lantaarnpaal: sociaal-agogisch werker die de weg belicht die samen met de cliënt wordt
bewandeld, om te zien waarheen gegaan moet worden, waar ijkpunten gelegd kunnen worden
of waar efficiënter gewerkt kan worden – technische professionaliteit
Lantaarnpaal wordt ‘centraal’ aangestuurd, vanuit een organisatie of de maatschappij.
Kampvuur: ‘autonomie’ of discretionaire ruimte – het hout in de omgeving en de manier
hoe de sociaal-agogisch werker het kampvuur bouwt, bepalen hoeveel licht en warmte er is
en hoelang het vuur zal branden; er is een zekere dynamiek en de uitkomst draagt een
bepaalde onvoorspelbaarheid in zich – normatieve professionaliteit
Kampvuur nodigt uit: stimuleert verbinding en maakt een gedeeld verhaal mogelijk
2. Het goede doen (integer handelen)
C.S. Lewis: integrity is doing the right thing even if no one is watching
Epictetus: als je ooit in de verleiding komt om te zoeken naar goedkeuring van buitenaf
realiseer je dan dat je de integriteit in gevaar hebt gebracht. Als je een getuige nodig hebt,
wees die dan zelf.
Integer handelen: zelf als er niemand kijkt doe je het goede vanuit de evidentie om het
goede te doen
Autonoom (vs heternoom) het goede doen: het goede doen los van eventuele zaken van
buitenaf die ons ten goede kunnen komen, we kunnen onszelf in alle vrijheid wetten opleggen
en zijn niet afhankelijk van anderen (geen goedkeuring van anderen nodig) – autonome,
rationele wezens
Moraal: hoe weten we wat goed is?
Moraal: geheel van waarden en normen die richting geven aan ons handelen en zin geven
aan wat we denken en doen
2.1 Hoe weten we wat goed is?
Vandaag: pluralisme binnen de samenleving – in onze samenleving zijn er veel variaties over
de invulling over wat het goede is
Moraliteit: waarden en normen die op een bepaalde plek op een bepaald moment in voege
zijn
Je krijgt ze mee via socialisatie en trial and error: opvoeding, sociale structuur, samenleving
1
, Ruimer dan regels en wetten: wetten zijn een morele consensus – wetten kunnen
onrechtvaardig zijn (natuurrecht en rechtspositivisme)
Intuïtief: scheidsrechter is ons geweten (gezond verstand)
Ethiek: neemt meer afstand van de moraal – bestudeert de moraal op verschillende
manieren; theoretische studie van de moraal, onderzoekt waarde- en normenstelsel en gaat
na welke argumenten bepaalde keuzes voor dat goede legitimeren
Beschrijvende ethiek: studie van de morele overwegingen van mensen
Normatieve ethiek: construeert theorieën waarbinnen morele problemen kunnen behandeld
worden
Toegepaste ethiek: bestudeert morele problemen op bepaalde domeinen
Wie bepaalt wat het goede is?
Bepalen we dat zelf als rationele en vrije individuen?
Aristoteles: als je weet wat goed is, kun je bijna niets anders doen
Gedachte-experiment 1: de vriendelijke buurtmoordenaar met de bijl
Ga je liegen of niet? – we vinden het principe ‘niet liegen’ belangrijk, maar vullen dit in
naargelang de context (subjectieve moraal is wankele basis
Oplossing: deonlogische code? – deontologie als ethisch perspectief (plichtenleer) vb.
liegen is immoreel
We kunnen uitzonderingen vinden op onze eigen regels.
Subjectief: we hebben regels, maar we laten hier vaak uitzonderingen op toe
Deontolgische code overstijgt het subjectieve.
Gedachte-experiment 2: trolley-probleem
Moreel dilemma: er is geen oplossing mogelijk – keuze impliceert dat er geen ‘perfecte’
oplossing zal zijn (er is niet 1 juiste handeling)
Er moet een keuze gemaakt worden en er moet verantwoordelijkheid genomen worden
voor die keuze.
3. Normatieve ethiek – theorie die een idee heeft van wat het goede is
Consequentialisme >< Deontologie:
Consequentialisme: handeling is goed als deze de best mogelijke gevolgen oplevert
Bentham: greatest happiness for the greatest number
Deontologie: handeling is goed als deze vertrekt vanuit de juiste intentie (principe)
Kant: goede wil (morele plicht om je goede wil uit te voeren geen uitzonderingen
mogelijk) + categorisch imperatief
3.1 Verwisselbaarheidsgedachte
Toetssteen normatieve ethiek: verwisselbaarheidsgedachte of principe van gelijkheid –
bepaalt of een theorie ethisch is
Verwisselbaarheid: bij het innemen van een standpunt hebben de eigen belangen niet meer
waarde dan die van anderen – egoïsme en handelen uit eigenbelang overstijgen
Eigen rol in moreel standpunt moet op de een of andere manier verwisselbaar zijn met de
rol van anderen – ik mag mijzelf niet anders behandelen dan de anderen en de anderen niet
onderling verschillend van elkaar, tenzij daar voldoende gronden voor bestaan.
2
, Verschillend invullingen mogelijk
vb. taart verdelen
Elke aanwezige krijgt een even groot stuk = principe van gelijkheid, iedereen hetzelfde
(verwisselbaar).
Principe afspreken volgens behoefte = ongelijke verdeling, maar we houden evenveel
rekening met ieders belangen (principe van gelijkheid)
Degene die jarig is krijgt een groter stuk = principe van gelijkheid (verwisselbaar)
telkens als er iemand jarig is geven we die een groter stuk dus iedereen krijgt ooit het grotere
stuk
Enkel de grootste en sterkste krijgen een groter stuk ≠ principe van gelijkheid
(verwisselbaar)
3.2 Het goede of het juiste doen? – de ingenieur en de rechter
Consequentialisme: invulling van het goede, het grootste geluk
Evalueert een handeling op basis van de toestand die die handeling veroorzaakt.
- Goede handeling: handeling die de best mogelijke gevolgen oplevert of de minst
schadelijke in het belang van iedereen of een zo groot mogelijke groep mensen
Drijfzand van het relativisme: iedereen heeft een andere invulling, subjectief nadenken
over ethiek
Onpersoonlijk: handeling wordt losgekoppelt van de persoon die de handeling stelt
Ethische handeling: handeling die na afweging meer ‘goed’ veroorzaakt en waarbij
iederene in dezelfde situatie dezelfde keuze zou maken
Deontologie: leeg, louter vormelijk – er wordt niet gezegd wat je moet doen
Kale woestijn van het dogmatisme: universele regels die altijd gevolgd moeten worden
Evalueert de handeling op basis van de achterliggende intenties.
- Goede handeling: handeling die vertrekt vanuit een juiste intentie – juiste intentie =
gebaseerd op een principe of beginsel
Het goede >< Het juiste:
Het goede geeft een invulling.
Het juiste = deontologie.
Dominantie deontolgisch perspectief: het juiste doen is belangrijker dan handelingen
stellen die enkel gebaseert zijn op het goede
Probleem met deontolgie: het kan heel star en strikt zijn
3.3 Kiezen is verliezen
Beide theorieën hebben sterktes en zwaktes – geen perfectie, maar zijn beide ethisch =
voldoen aan verwisselbaarheidsgedachte
Consequentialisme:
Sterkte: flexibel – er is geen vaste regel, afhankelijk van de situatie en gevolgen (context
Risicio: berekening – te veel ingenieur, berekeningen waar er eigenlijk geen berekeningen
mogelijk zijn (afhankelijk van de context = relatief) + geen glazenbol – willekeur, we kunnen
niet in de toekomst kijken (gevolgen zijn onvoorspelbaar)
Deontologie:
Sterkte: morele intuïtie – regels komen vaak overeen met wat mensen intuïtief aanvoelen,
moreel gevweten
Risico: dogmatisme en wereldvreemdheid – regel altijd volgen zelfs als je intuïtief aanvoelt
dat deze in strijdt is met wat je eigenlijk wil doen
3