LEGENDE:
1. Het beenderenstelsel heeft 5 belangrijke functies
2. Beenderen worden ingedeeld aan de hand van hun vorm en structuur
2.1. Macroscopische kenmerken van beenderen
2.2. Microscopische kenmerken van beenweefsel
3. Ossificatie en appositie zijn mechanismen van botvorming- en groei
3.1. Intramembraneuze botvorming
3.2. Enchondrale verbening
3.3. Botgroei en lichaamsverhoudingen
3.4. Vereisten voor een normale botgroei
4. Botgroei en -ontwikkeling zijn afhankelijk van een evenwicht tussen botvorming en botresorptie en van
de beschikbaarheid van calcium
4.1. De rol van remodellering bij de stevigheid
4.2. Het skelet en calciumopslag
4.3. Herstel van botbreuken of fracturen
5. Osteopenie heeft een sterk effect op ouder wordend beenweefsel
6. De beenderen van het skelet verschillen wat betreft botmarkering en worden in 2 groepen ingedeeld
6.1. Botmarkeringen (uitwendige kenmerken)
6.2. Indeling skelet
7. Het axiale skelet bestaat uit de beenderen van de schedel, de wervelkolom en de borstkas
7.1. De schedel
7.2. De wervelkolom en de borstkas
8. Het skelet van de ledematen bestaat uit de schoudergordel, de bekkengordel en uit de beenderen van
armen en benen
8.1. De schoudergordel
8.2. De armen
8.3. De bekkengordel
8.4. De benen
9. Gewrichten worden ingedeeld aan de hand van hun bewegingsmogelijkheden of van hun anatomische
organisatie
9.1. Onbeweeglijke botverbindingen (synartrosen)
9.2. Enigszins beweeglijke gewrichten (amfiartosen)
9.3. Vrij beweeglijke gewrichten (diartrose)
10. Dankzij de bouw en functies van synoviale gewrichten zijn verschillende bewegingen van het skelet
mogelijk
10.1. Typen beweging bij synoviale gewrichten
10.2. Typen synoviale gewrichten
11. Intervertebrale gewrichten en gewrichten van de ledematen verschillen in stevigheid en
bewegingsmogelijkheden
11.1. Gewrichten tussen de wervels
11.2. Gewrichten van de armen
11.3. Gewrichten van de benen
12. In het beenderenstelsel worden energie en mineralen opgeslagen voor andere stelsels in het lichaam
1
, 1. Het beenderenstelsel heeft 5 belangrijke functies:
Het beenderstelsel bestaat uit beenderen, kraakbeen, botverbindingen,
banden en bindweefsels die de beenderen stabiliseren of verbinden. Het
vervult 5 hoofdrollen:
- Ondersteuning: Het biedt structurele steun aan het lichaam, dient als
raamwerk voor zachte weefsels en organen.
- Opslag van mineralen en vet: Calciumzouten in het beenweefsel vormen
een mineraalreserves voor calcium en fosfaat. Vetopslag in het gele
beenmerg fungeert als energiereserve.
- Vorming van bloedcellen: Rode en witte bloedcellen worden in het rode
beenmerg gevormd, dat zich in de holten van veel beenderen bevindt.
- Bescherming: Skeletstructuren beschermen vitale organen; de schedel
beschermt de hersenen, ribben het hart en de longen, wervels het
ruggenmerg, en het bekken de buikorganen.
- Hefboomwerking: Beenderen functioneren als hefbomen, waardoor
spierkracht wordt omgezet in bewegingen, variërend van subtiele
vingerbewegingen tot grote lichaamsveranderingen.
2. Beenderen worden ingedeeld aan de hand van hun vorm en
structuur:
Beenweefsel is een steunweefsel dat bestaat uit gespecialiseerde cellen en een
matrix, bestaande uit extra cellulaire eiwitvezels en een grondsubstantie. De
structuur van bot wordt gekenmerkt door de afzetting van calciumzouten,
vooral calciumfosfaat (Ca3), dat bijna twee derde van het gewicht uitmaakt.
Het resterende derde deel bestaat voornamelijk uit collageenvezels. Botcellen
en andere celtypen vormen slechts ongeveer 2% van het totale gewicht van
een bot.
2.1. Macroscopische kenmerken van beenderen:
2
,Het menselijke skelet bestaat uit 206 beenderen, die in vier hoofdtypen
worden ingedeeld: lang, kort, plat en onregelmatig. Lange beenderen, zoals het
humerus en femur, hebben een centrale schacht (diafyse) met een mergholte
(medullaire holte) die beenmerg bevat, en brede uiteinden (epifysen) die met
gewrichtskraakbeen bedekt zijn. Korte beenderen, zoals hand- en
voetwortelbeentjes, zijn ongeveer even lang en breed. Platte beenderen, zoals
de schedel en ribben, zijn dun en breed, terwijl onregelmatige beenderen, zoals
wervels en bepaalde schedelbeenderen, een complexe vorm hebben.
Lange beenderen bestaan uit compact beenweefsel (substantia compacta), dat
de wand van de diafyse vormt, en spongieus beenweefsel (substantia
spongiosa) in de epifysen, dat uit een netwerk van benige balkjes bestaat. Het
buitenoppervlak van het bot is bedekt met het periost, een vezelig en cellulair
beenvlies dat pezen en ligamenten verbindt, en een rol speelt in groei, herstel
en de toevoer van bloedvaten en zenuwen. Aan de binnenkant ligt het endost,
dat de mergholte en binnenoppervlakken bekleedt en actief is tijdens botgroei
en remodellering.
Kortom, het skelet en de botstructuur zijn opgebouwd uit verschillende typen
beenderen en weefsels, met specifieke functies en kenmerken die bijdragen
aan het functioneren en de groei van het menselijke lichaam.
2.2. Microscopische kenmerken van beenweefsel:
3
, Beenweefsel is een ondersteunend bindweefsel dat bestaat uit twee
hoofdtypen: compact en spongieus beenweefsel. In beide types bevinden zich
botcellen, de osteocyten, die in kleine groepen, lacunen, liggen tussen lamellen
—dunne lagen van calciümrijke matrix. Kanalen, canaliculi, lopen radiërend
door de matrix en verbinden lacunen met elkaar en met bloedvaten, waardoor
voedingsstoffen en afvalstoffen kunnen diffunderen.
De substantia compacta bestaat uit osteonen, die functionele eenheden
vormen. Elk osteon heeft concentrische lamellen rond een centraal kanaal
(Havers), dat bloedvaten bevat. Verbindingen tussen osteonen worden
verzorgd door Volkmann-kanalen, die bloedvaten en zenuwen verbinden met
de periost en mergholte. Compact bot ligt vooral op plaatsen die slechts in één
richtingsbelasting worden belast, zoals de schacht van lange botten, en biedt
grote draagkracht. Spongieus bot, met een netwerk van botbalkjes
(trabeculae), bevindt zich op plaatsen waar krachten uit verschillende
richtingen komen, zoals de epifysen, en is lichter van gewicht. Dit bevordert
beweging en biedt bescherming aan het rode beenmerg, dat bloedcellen
produceert.
De cellen in beenweefsel omvatten osteoblasten, osteocyten en osteoclasten.
Osteoblasten zijn verantwoordelijk voor botvorming (ossificatie) door nieuwe
matrix te vormen en calciumzouten af te zetten. Als osteoblasten volledig
omgeven raken door de matrix, worden ze osteocyten, die de botstructuur
handhaven. Osteoclasten zijn grote, meercellige cellen die door resorptie van
de matrix mineralen vrijmaken, onder andere voor de regulatie van calcium- en
fosfaatniveaus in het lichaam.
Het periost bestaat uit twee lagen: een buitenste vezelige bindweefsellaag, die
het bot insluit en aanhechtingsplaatsen biedt voor pezen en ligamenten, en
een binnenste cellulaire laag met osteoblasten en osteoclasten, die groei en
herstel van het bot mogelijk maken. Het botoppervlak wordt beschermd door
gewrichtskraakbeen. Over het algemeen wordt compact bot aangetroffen op
plaatsen met beperkte richtingsbelasting, terwijl spongieus bot aanwezig is op
plaatsen waar krachten uit verschillende richtingen komen of waar gewicht en
belasting beperkt zijn.
3. Ossificatie en appositie zijn mechanismen van botvorming en -groei:
4