Oefentoets probleem 1:
Vraag 1:
Leg de Darwin zijn evolutie theorie uit.
- Benoem de volgende begrippen:
o Seksuele selectie en natuurlijke selectie.
o Survival off the fittest.
Vraag 2:
Natuurlijke selectie kent 3 voorwaarden. Waar staan de juiste opgesomd?
A. Variatie, selectie, overerving.
B. Variatie, adaptatie, selectie.
C. Overerving, adaptatie, selectie.
Vraag 3:
Evolutie kent 3 producten namelijk:
A. Adaptatie, random noise, willekeurige effecten.
B. Adaptatie, random noise, bijproducten.
Vraag 4:
Noem bij ieder product van evolutie een passend voorbeeld.
Vraag 5:
Waar zijn de manieren waarop ‘seksuele selectie’ kan plaatsvinden goed uitgelegd?
A. Intraseksuele selectie houdt in dat een vrouwtje een mannetje uitkiest op basis van
bepaalde uiterlijke kenmerken. Bij interseksuele selectie vechten ze onderling, en wie er wint
plant zich voort.
B. Intraseksuele selectie houdt in dat er een competitie plaatsvind tussen organismen van
hetzelfde geslacht. Diegene die wint die plant zich voort met het andere geslacht. Bij
interseksuele selectie zijn organismen selectief in wat zij aantrekkelijk vinden in het andere
geslacht.
Vraag 6:
Bij welke theorie past het volgende:
“Mannen en vrouwen verschillen in de investering in het nageslacht”.
A. Parent-off spring conflict theory.
B. Life history theory.
C. Parent investment theory.
D. Differential susceptibility theory.
Vraag 7:
Klopt de onderstaande stelling?
“Natuurlijke selectie en seksuele selectie zijn de primaire en enige oorzaken van evolutionaire
veranderingen”.