LEGENDE:
1. De 4 weefseltypen zijn epitheel, bindweefsel, spierweefsel en zenuwweefsel
2. Epitheel bekleedt lichaamsoppervlakken, holten, buisvormige structuren en vervult
belangrijke functies
2.1. Functies van epitheel
2.2. Verbindingen tussen cellen
2.3. Het epitheeloppervlak
2.4. Het basale membraan
2.5. Vernieuwing en herstel van epitheel
3. De vorm en het aantal lagen van de cellen bepalen het type epitheel
3.1. Cellagen
3.2. Celvormen
3.3. Type epitheel
3.4. Klierepitheel
4. Bindweefsel vormt een beschermend structureel raamwerk voor andere
weefseltypen
4.1. Bindweefsel in strikte zin
4.2. Typen bindweefsel in strikte zin
4.3. Vloeibare bindweefsels
4.4. Steunweefsel
5. Membranen zijn fysieke barrières, in het lichaam komen 4 typen voor
5.1. Slijmvliezen
5.2. Sereuze membranen
5.3. De huid
5.4. Synoviale vliezen
6. De 3 typen spierweefsel
6.1. Skeletspierweefsel
6.2. Hartspierweefsel
6.3. Glad spierweefsel
7. Zenuwweefsel reageert op prikkels en geleidt elektrische impulsen door het
lichaam
8. De reactie op weefselbeschadiging bestaat uit ontsteking en regeneratie
9. Bij veroudering gaat het weefselherstel achteruit en neemt het aantal gevallen van
kanker toe
9.1. Veroudering en weefselstructuur
9.2. Veroudering en de incidentie van kanker
1
, 1. De 4 weefseltypen zijn epitheel, bindweefsel, spierweefsel en
zenuwweefsel:
In het menselijk lichaam kunnen niet alle functies door
één cel worden uitgevoerd. Door differentiatie zijn
cellen gespecialiseerd en beperkt in hun taken. Hoewel
er triljoenen cellen zijn, bestaan er slechts ongeveer
200 verschillende celtypen. Deze celtypen vormen
samen weefsels, die bestaan uit gespecialiseerde cellen
en celproducten die een beperkt aantal functies
vervullen. Histologie, de studie van weefsels,
onderscheidt vier basale typen: epitheel, bindweefsel,
spierweefsel en zenuwweefsel. Verschillende cellen
verschillen in opbouw en kunnen daardoor een beperkt
aantal functies vervullen. Deze diverse weefsels vormen
samen organen.
2. Epitheel bekleedt lichaamsoppervlakken, holten, buisvormige
structuren en vervult belangrijke functies:
Epitheel bestaat uit lagen cellen die in- en uitwendige lichaamsoppervlakken
bekleden, zoals de huid en de binnenzijde van het spijsverteringskanaal, en uit
klieren die producten afscheiden. Kenmerkend voor epitheel is dat de cellen
dicht tegen elkaar liggen en een vrij apicaal oppervlak hebben dat in contact
staat met een omgeving of compartiment. Ze zijn via een basaal membraan
verbonden met onderliggend bindweefsel en missen bloedvaten, waardoor ze
afhankelijk zijn van voedingsstoffen uit diepere weefsels. Beschadigde
epitheelcellen worden voortdurend vervangen. Epitheel vormt een selectieve
barrière tussen het inwendige en uitwendige milieu, vermindert wrijving,
reguleert vloeistofssamenstelling in holten en draagt bij aan communicatie
tussen bloed en weefselvocht. Het bekleedt onder andere de huid, de
inwendige transportbuizen zoals de maag, darmen, luchtwegen en urinewegen,
en bekleedt inwendige holten zoals de hart- en longholten, hersenruimtes en
bloedvaten. Daarnaast bestaan er klieren uit epitheelcellen die hormonen en
andere producten afscheiden, bijvoorbeeld in de dunne darm of de klieren van
het spijsverteringsstelsel. Door deze eigenschappen speelt epitheel een
essentiële rol in bescherming, afscheiding, absorptie en communicatie binnen
het lichaam.
2
, 2.1. Functies van epitheel:
Epitheel vervult vier belangrijke functies:
- Fysieke bescherming: Epitheel beschermt zowel uitwendige als
inwendige oppervlakken tegen beschadiging, uitdroging en chemische
aantastingen. Bijvoorbeeld, de intacte huid voorkomt schokken,
schaafwonden, waterverlies en binnendringing van bacteriën, waardoor
de onderliggende weefsels beschermd worden.
- Doorlaatbaarheid reguleren: Het epitheel bepaalt welke stoffen het
lichaam binnendringen of verlaten. Sommige epithelia zijn vrijwel
ondoordringbaar, terwijl andere grote moleculen zoals eiwitten
gemakkelijk doorlaten, afhankelijk van de functie.
- Zintuigfunctie: Gespecialiseerde epitheelcellen kunnen veranderingen in
de omgeving detecteren en informatie via zenuwen doorgeven aan het
zenuwstelsel. Een voorbeeld hiervan zijn tastzintuigen in de huid die
prikkels waarnemen en doorgeven.
- Klierproductie: Epitheelcellen kunnen klierproducten afscheiden.
Kliercellen liggen vaak verspreid tussen andere cellen en vormen in
klierepitheel de meeste of alle cellen die bepaalde stoffen produceren.
Deze klierproducten worden ingedeeld op basis van de afgifteplaats:
o Exocriene klieren: geven hun producten af aan het externe milieu
of lichaamsoppervlak, zoals spijsverteringsenzymen,
transpiratievocht en melk.
o Endocriene klieren: scheiden hormonen af aan het interstitiële
vocht en bloed, waardoor ze chemische signalen vormen die de
activiteit van andere weefsels en organen reguleren. Voorbeelden
hiervan zijn de pancreas, schildklier en hypofyse.
Daarnaast speelt epitheel een rol in het verminderen van wrijving tussen
onderdelen, bijvoorbeeld door vochtige lagen zoals tussen de longvliezen
(pleura), en in het reguleren van de vloeistofsamenstelling in lichaamsholten en
hersenvocht. Het vormt ook een selectieve barrière die de communicatie
tussen bloed en weefselvocht regelt, zoals bij capillairen die slechts uit één laag
cellen bestaan met kleine spleten voor gemakkelijke doorgang. Tot slot is
epitheel betrokken bij de vorming van gespecialiseerde klierproducten, die via
exocriene en endocriene klieren worden afgegeven om het lichaam te
ondersteunen in verschillende functies.
3