,1
PSYCHOTHERAPEUTISCHE STROMINGEN
Inhoudsopgave
College 1: Gedragstherapie............................................................................1
College 2: Cognitieve therapie en cognitieve gedragstherapie (CGT)................7
College 3: Cliënt- en oplossingsgerichte therapie...........................................14
College 4: Psychodynamische therapie..........................................................23
College 5: Systeemtherapie..........................................................................27
College 6: Reflectie op de stromingen...........................................................34
Overeenkomsten en verschillen tussen psychotherapeutische stromingen..................35
De kwaliteit en betekenis van onderzoek naar therapie-effecten.................................37
Behandelmotivatie........................................................................................................ 39
Nadelige effecten van psychotherapie..........................................................................40
Misbruik van therapie................................................................................................... 42
Het medische model..................................................................................................... 43
Protocol als houvast, niet als dwangbuis......................................................................45
Hoe kies je een behandeling?.......................................................................................46
College 1: Gedragstherapie
Mensbeeld in de gedragstherapie (behaviorisme)
Het mensbeeld van de gedragstherapie is sterk beïnvloed door het behaviorisme, een
psychologische stroming die de mens vooral ziet als een product van leerervaringen. De
focus ligt hierbij niet op gedachten of gevoelens, maar op observeerbaar gedrag en de
manier waarop dit gedrag ontstaat, verandert of wordt behouden.
1. Gedrag is aangeleerd: Nurture boven nature
Gedragstherapie gaat uit van het idee dat de mens niet wordt geboren met vaste
eigenschappen of gedragingen, maar dat al het gedrag grotendeels wordt aangeleerd
door ervaringen in de omgeving. Denk hierbij aan beloning en straf, aanleren door
observatie, en het maken van associaties tussen prikkels en reacties. Bijvoorbeeld:
o Een kind leert dat het lief zijn beloond wordt met aandacht.
o Een volwassene leert angstig te worden voor honden na een bijtincident.
Volgens dit mensbeeld is de omgeving (nurture) bepalender dan genetische aanleg
(nature).
2. De mens is gedetermineerd
Binnen het behaviorisme wordt de mens gezien als voorspelbaar: Het gedrag dat iemand
vertoont is het resultaat van de leerprocessen die hij of zij heeft doorgemaakt. Er is
,2
PSYCHOTHERAPEUTISCHE STROMINGEN
weinig ruimte voor het idee van een vrije wil of diepe innerlijke motivatie. Als je weet
welke prikkels, beloningen of straffen iemand in het verleden heeft ervaren, kun je vrij
goed voorspellen hoe diegene zich in de toekomst zal gedragen. Bijvoorbeeld: Iemand die
altijd beloond is voor het vermijden van moeilijke situaties, zal dat gedrag blijven
vertonen.
3. De mens is maakbaar
Een van de kernpunten van het behavioristisch mensbeeld is dat gedrag veranderbaar is.
Omdat gedrag is aangeleerd, kan het dus ook afgeleerd of opnieuw aangeleerd worden.
Daarom is gedragstherapie zo praktisch en effectief bij veel psychische problemen:
o Angst? → Leer dat de situatie veilig is via exposure.
o Negatief gedrag? → Versterk gewenst gedrag via beloning.
o Gewoontes? → Doorbreek het patroon via gedragsmodificatie.
Dit leidt tot een positief en hoopvol mensbeeld: mensen kunnen veranderen, mits de
juiste leeromgeving wordt aangeboden.
Belangrijke uitgangspunten van het behaviorisme:
o Observeerbaar gedrag is het enige dat telt. Gedachten of gevoelens zijn niet
objectief meetbaar en dus geen focus van onderzoek.
o Gedrag is te verklaren vanuit het hier-en-nu, niet vanuit het verleden of innerlijke
processen.
o De mens komt blanco (tabula rasa) op de wereld. Alles wordt aangeleerd.
o Er is geen fundamenteel verschil tussen mens en dier. Kennis over leren bij dieren
kan dus toegepast worden op mensen.
o Gedrag bestaat uit kleine leerstappen, die kunnen worden geanalyseerd,
voorspeld en beïnvloed.
Theoretische principes in de gedragstherapie
Binnen de gedragstherapie draait alles om de vraag: "Waarom vertoont iemand bepaald
gedrag?" Gedragstherapeuten zoeken het antwoord op die vraag in leerprocessen. Ze
gaan ervan uit dat gedrag ontstaat, wordt aangeleerd én in stand gehouden door
invloeden vanuit de omgeving. Als gedrag aangeleerd is, dan is het ook weer af te leren
of te veranderen. De basis voor deze ideeën ligt in het behaviorisme, met theorieën van
bekende psychologen zoals Watson, Skinner en Bandura.
1. Watson – Klassieke conditionering
John B. Watson stelde dat mensen gedrag aanleren via associaties tussen prikkels. Hij
baseerde zich op experimenten zoals dat met Little Albert:
o Albert was eerst niet bang voor een witte rat.
o Telkens als hij de rat zag, klonk er een hard, angstaanjagend geluid.
o Na een paar keer begon Albert te huilen bij het zien van de rat, ook zonder geluid.
Kernprincipes:
o Klassieke conditionering: een neutrale prikkel (de rat) roept een reactie op (angst)
door herhaalde koppeling aan een andere prikkel (het harde geluid).
o Generalisatie: de angst breidde zich uit naar vergelijkbare dingen (bv. een witte
bontjas).
o Discriminatie: Albert was niet bang voor alles, alleen voor wat hij met het geluid
associeerde.
, 3
PSYCHOTHERAPEUTISCHE STROMINGEN
Toepassing in therapie: Fobieën en angsten zijn vaak ontstaan door dit soort aangeleerde
associaties. Therapie richt zich op het afleren van die angstige koppelingen.
2. Skinner – Operante conditionering
B.F. Skinner breidde het gedrag leren uit met het idee dat gedrag vooral beïnvloed wordt
door de gevolgen die erop volgen. Hij noemde dit operante conditionering.
Soorten gevolgen (bekrachtiging en straf):
o Positieve bekrachtiging: iets fijns wordt toegevoegd → gedrag neemt toe.
Voorbeeld: je krijgt een compliment na goed werk.
o Negatieve bekrachtiging: iets vervelends verdwijnt → gedrag neemt toe.
Voorbeeld: je stopt met zeuren als iemand meewerkt.
o Positieve straf: iets vervelends wordt toegevoegd → gedrag neemt af. Voorbeeld: je
krijgt een boete voor fout parkeren.
o Negatieve straf: iets fijns wordt weggenomen → gedrag neemt af. Voorbeeld: je
mag niet gamen na slecht gedrag.
Toepassing in therapie: Door ongewenst gedrag te bestraffen en gewenst gedrag te
belonen, kun je gedrag bijsturen.
Het tweefactorenmodel: Angst ontstaat via klassieke conditionering, maar wordt in stand
gehouden via operante conditionering. Bijvoorbeeld: iemand is ooit gebeten door een
hond (klassiek), en vermijdt sindsdien alle honden (operant). Door die vermijding ervaart
hij opluchting, dus blijft hij het doen (negatieve bekrachtiging).
3. Bandura – Sociaal leren / modelleren
Albert Bandura bracht het inzicht dat mensen niet alleen leren via eigen ervaringen, maar
ook door **het gedrag van anderen te observeren, dit heet modelleren. In het Bobo Doll-
experiment:
o Kinderen zagen volwassenen agressief zijn tegen een pop.
o Later gedroegen de kinderen zich zelf ook agressief tegen de pop.
o Ze imiteerden wat ze hadden gezien, vooral als het model werd beloond of
bewonderd.
Belangrijke inzichten:
o Mensen leren door te kijken naar anderen.
o Imitatie speelt een grote rol.
o Beloning van het model versterkt het effect.
Toepassing in therapie: Therapeuten kunnen gewenst gedrag voordoen of positieve
rolmodellen gebruiken. Ook wordt hiermee verklaard waarom opvoeding, groepsdruk en
media zo invloedrijk zijn.
Therapeutische werkwijze in de gedragstherapie
Gedragstherapie is een praktische en doelgerichte vorm van psychotherapie die zich richt
op het veranderen van concreet, observeerbaar gedrag. In tegenstelling tot
therapievormen die zich richten op persoonlijkheidsverandering of zelfontwikkeling, staat
in de gedragstherapie klachtvermindering centraal. De behandeling is geschikt voor
mensen met duidelijk omschreven probleemgedrag dat zij willen aanpakken of
verminderen.