OPBOUW OEFENINGEN: “5 STAPPEN PLAN”
1. Hou rekening met uitgangshouding patiënt
2. Bepaal de functie van de spier
3. Bepaal de baan waarin je moet gaan werken (proximaal, distaal, totaal)
Distaal: Oorsprong en aanhechting verst van elkaar tot het midden van de totale
baan
Proximaal: van het midden van de totale baan tot oorsprong en aanhechting dichts
bij elkaar
4. Bepaal het soort spierwerk (excentrisch, concentrisch)
Concentrisch: Oorspong en aanhechting naar elkaar toe, patiënt wint
Excentrisch: Oorsprong en aanhechting van elkaar weg, therapeut wint
5. Afhankelijk van de spierwaarde gaat de therapeut de beweging mee begeleiden
(waarde 2) of voert de therapeut/patiënt een manuele weerstand uit tegen de
beweging van de patiënt/therapeut (waarde 4-5)
BOVENSTE LEDEMATEN
FLEXOREN ELLEBOOG (M. BICEPS BRACHII , M. CORACOBRACHIALIS, M. BRACHIALIS )
conc, dist, 4, ruglig: elleboog fixeren, andere hand geeft weerstand t.h.v. de pols.
Patiënt brengt gestrekte arm tot midden van totale baan terwijl therapeut weerstand
geeft en probeert arm gestrekt te houden. Patiënt wint.
exc, prox, 2, zit: elleboog helemaal geplooid tegen schouder, therapeut begeleidt arm
naar midden van totale baan.
SUPINATOREN ELLEBOOG (M. BICEPS BRACHII, M. EXTENSOR CARPI RADIALIS LONGUS, M .
SUPINATOR, M. BRACHIORADIALIS )
conc, prox, 4, zit: patiënt vanuit midden van totale baan naar supinatie naar midden
terwijl therapeut probeert weerstand te geven. Patiënt wint.
exc, dist, 2, zit: therapeut begeleidt de beweging mee van pronatie naar midden van
de totale baan. De tafelkop omhoog om zo inwerking zwaartekracht te hebben.
ABDUCTOREN SCHOUDER (M. SUPRASPINATUS, M.DELTOIDEUS PARS ACROM)
conc.dist 3, zit: patiënt zit, we geven beetje weerstand, zwaartekracht aanwezig,
distale baan is van hand tegen lichaam tot middenstand. Therapeut helpt beweging
terug naar beneden, want is vermoeiend voor patiënt.
, Exc.dist. 4 ruglig: patiënt ligt op rug, we geven halfmaximale weerstand. Distale baan
is van hand tegen het lichaam tot middenstand. Excentrisch dus van boven naar
onder. Therapeut geeft weerstand net boven elleboog zodat er geen gewricht
overspannen wordt.
EXTRA: M. LEVATOR SCAPULAE (ELEVATIE EN ENDOROTATIE SCHOUDERBLAD)
conc, prox, 3, zit: patiënt eerst tot midden van de totale baan begeleiden, daarna
hem/haar zelf het proximale deel laten trainen door de baan naar boven af te maken
zonder begeleiding.
exc, dist, 4, ruglig: patiënt probeert schouder in midden van de totale baan te houden
terwijl de therapeut deze naar beneden duwt. Therapeut wint.
EXOROTATOREN SCHOUDER (M. TRAPEZIUS, M.SERRATOR ANTERIOR, M. DELTOIDEUS PARS
SPINAL, M. INFRASPINATUS, M. TERES MINOR)
conc, dist, 4, zit: bovenarm tegen lichaam en 90° in de elleboog OF 90° abductie en
90° flexie. therapeut geeft weerstand t.h.v. de pols en patiënt duwt vanuit
endorotatie naar midden van de totale baan richting exorotatie en wint.
exc, prox, 2, voorlig: therapeut begeleidt van exorotatie naar het midden van de
totale baan.
ENDOROTATOREN SCHOUDER (M. RHOMBOIDEUS MAJOR EN MINOR, M. LEVATOR SCAPULAE,
M. PECTORALIS MAJOR EN MINOR, M. DELTOIDEUS PARS CLAVICULARIS , M. TERES MAJOR, M.
SUBSCAPULARIS )
conc, dist, 4, zit: bovenarm tegen lichaam en 90° flexie in de elleboog, therapeut
geeft weerstand t.h.v. de pols en patiënt duwt vanuit exorotatie naar het midden van
de totale baan richting endorotatie en wint.
exc, prox, 2, voorlig: therapeut begeleidt van endorotatie naar het midden van de
totale baan.
Exc, dist, 5 zit: therapeut geeft max weerstand van midden endorotatie tot midden.
Therapeut wint.
DORSIFLEXOREN POLS (M.S EXTENSOR CARPI RADIALIS LONGUS, M. EXTENSOR CARPI RADIALIS
BREVIS, M. EXTENSOR CARPI ULNARIS , M.S EXTENSOR DIGITORUM)
Conc. Prox. 5 zit: patiënt zit, waarde 5 dus therapeut geeft maximale weerstand,
proximale baan is van half dorsiflexie tot volledige dorsiflexie, concentrisch dus
therapeut geeft weerstand op handwortelbeentjes langs dorsaal, NIET op vingers!!!